De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




WEVELGEM - GULDENBERGABDIJ


(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)




Deze prent van omstreeks 1640 geeft de Guldenbergabdij van Wevelgem weer.

De Guldenbergabdij, voluit Onze-Lieve-Vrouw-van-de-Guldenberg genoemd, was van 1214 tot 1797 een vrouwenklooster in Wevelgem (provincie West-Vlaanderen).

De cisterciënzersabdij werd aanvankelijk in het naburige Moorsele opgericht in 1214 door Margaretha van Guines. Zij begiftigde de abdij met beduidend veel dotaties. Er werd geleefd van eigen landbouw en veeteelt. Aangezien Margaretha zelf geen religieuze was, kon ze de leiding van haar abdij niet op zich nemen. Sara Nieulandt, afkomstig van de cisterciënzerinnenabdij van Blendeke, dicht bij Sint-Omaars, thans in het noorden van Frankrijk, werd de eerste abdis.

Er kwamen ook inkomsten binnen door de zogenoemde tienden, waarbij iedere parochiaan een tiende van zijn inkomsten moest afstaan voor het onderhoud van kerken, geestelijken en armen.

De abdij stond dan wel op de grond die ze gekregen had van de kasteelvrouw van Kortrijk, door het feodale systeem van leen boven leen waren er toch steeds weer anderen die ook rechten konden laten gelden op die grond en daarvoor geld wilden ontvangen. De nonnen van Moorsele begonnen gronden te verwerven. Reeds in 1227 had de abdij stukken grond gekocht langs de Leie te Wevelgem. Abdis Sara Nieulandt had ingezien dat de ligging van haar abdij niet ideaal was en zag deze liever overgeplaatst naar de boorden van de Leie. De Leie was namelijk visrijk, er zou nooit watertekort zijn en in tijden van schaarste of nood was het een goede verbindingsweg of aanvoerroute.

In 1241 werd een stuk land voor de abdij gekocht, waaronder een stuk tussen de huidige Lauwestraat en de hoeve Busschaert waarop de abdij gebouwd zou worden. De bouwwerken vorderden traag. Tal van gebouwen zoals een bakkerij, een ziekenzaal en een brouwerij werden voltooid tussen 1310 en 1334. De grote kloosterkerk werd pas in 1333 ingewijd. Het is onbekend hoe de abdij er kort na haar voltooiing uitzag. Geen enkele prent of schilderij is bewaard gebleven.

Het leven van de zusters van de Guldenbergabdij steunde op drie pijlers: bidden, handenarbeid en de lezing en studie van de heilige Schrift.

De zusters zorgden voor hun eigen levensonderhoud. Door het bewerken van landbouwgrond en het hoeden van vee was men zelfvoorzienend, maar omdat dit werk moeilijk samen ging met het zware gebedsprogramma, werden de agrarische en huishoudelijke taken vooral uitgevoerd door lekenzusters. De gebedstaken werden door de monialen uitgevoerd; zij kwamen doorgaans uit de betere kringen, terwijl de lekenzusters uit het gewone volk afkomstig waren.

In de tweede helft van de 13de eeuw moest de Guldenbergabdij veel bijdragen betalen om het dure oorlogsgeweld van destijds te helpen bekostigen.

In 1458 kocht de abdij het goed Ter Veere, gelegen te Lauwe op de andere oever van de Leie tegenover het klooster.

Daardoor verwierf de abdij de controle over de inkomsten uit het verkeer tussen Wevelgem en Lauwe.

Na de afbrokkeling van de kloosterdiscipline in de cisterciënzerabdijen in de 14de en 15de eeuw kwam een
reformatiebeweging op gang, die tijdens de eerste helft van de 16de eeuw ook Wevelgem zou bereiken.

De naam Guldenbergabdij dook voor het eerst op in 1551 als “cloostere vanden ghulden berghe”. Vanaf dan werd de naam in 1574 geregeld geschreven als “Abbaye de Notre-Dame du Mont d’Or”, in tal van andere varianten in latere tijden. Niemand weet waar deze naam vandaan komt. Het is alleszins een feit dat Goudberg of Guldenberg een populaire plaatsnaam is in het nochtans uitermate vlakke West-Vlaanderen. De bijnaam heeft overigens geleid tot het abdijwapen: in 1610 verscheen de Carte Armoriale de Flandre, waarin het wapenschild van de abdij vermeld werd als “d’azur à la montagne d’or”, dus een blauw veld met één heraldieke figuur, een gouden berg.

In 1554 was de godsdienststrijd volop bezig. In het klooster van Wevelgem schenen de nonnen daar niet zoveel last van te ondervinden.

In 1566 begon de Beeldenstorm en een groep van 300 man bereikte op 14 augustus de Guldenbergabdij. Ze vernielden de beelden, braken altaars af, verscheurden schilderijen en vertrappelden liturgische voorwerpen en hosties.

In 1572 werd de abdij opnieuw overvallen en de zusters vluchtten in allerijl naar Kortrijk waar ze in enkele bouwvallige huisjes in het begijnhof een tijdelijk onderkomen vonden.

In 1573 keerden de zusters terug naar Wevelgem en hervatten hun monastiek leven. De abdis zocht intussen naar een wijkhuis om zich in geval van nood binnen de relatief veilige stadsmuren van Kortrijk te kunnen terugtrekken.

In 1578 werden de parochiekerk en de abdij geplunderd. De abdij werd zodanig leeggeroofd en platgebrand dat er nauwelijks nog iets van overeind bleef. Aangezien Kortrijk bezet was, kon er geen gebruik worden gemaakt van het aldaar aangekochte refugehuis. Sommige zusters vluchtten naar Rijsel en sommigen trokken in bij familieleden en vrienden.

In 1580 werd Kortrijk heroverd en kwam weer in katholieke handen terecht. De zusters gingen toen opnieuw in wijkhuisjes wonen, maar deze bleken al snel veel te klein voor een gemeenschap van ongeveer 25 leden en daarom werd uitgekeken naar een nieuwe refuge.

Deze werd gevonden in de Groeningestraat in Kortrijk. Het betrof twee aan elkaar palende woonhuizen. Deze werden de “Refuge van Wevelgem” genoemd. De zusters leefden er in moeilijke tijden. Ze moesten constant geld lenen, subsidies aanvragen en soms de weinige ornamenten en liturgische voorwerpen die ze uit de brand hadden kunnen slepen in 1578, verkopen of wegschenken om de rente te kunnen betalen. Hun kleine inkomsten trachtten ze op te krikken door handwerk (bijvoorbeeld kussens borduren), door een schooltje te openen en door op de hulp van ouders en vrienden te rekenen.

De periode in Kortrijk zorgde ook voor veranderingen in de religieuze levenswijze. Er heerste tweespalt in de kloostergemeenschap en er waren nagenoeg geen roepingen meer. In 1594 werd een nieuwe abdis aangesteld.

Met het weinige geld liet deze enkele hoogdringende herstellingswerken uitvoeren aan de enkele nog overeind staande kloostergebouwen in Wevelgem. Het klooster kwam er financieel steeds beter bovenop en men startte in 1603 met de heropbouw van de abdij te Wevelgem. Eerst werd de hoeve opgetrokken, daarna in 1611 volgde de Sint-Bernarduskapel.

In 1613 konden de zusters naar Wevelgem terugkeren. De bouw van de abdijkerk werd in 1614 voltooid. De zusters waren er ook in geslaagd om een aantal relikwieën ongeschonden te bewaren.

De Guldenbergabdij bezat in 1624 meer dan 10% van de gronden van het huidige Wevelgem. Het grootste gedeelte bestond uit één aaneengesloten blok van 138 ha dat in het noorden begrensd werd door de grote weg die van Kortrijk naar Menen liep, in het oosten door de huidige Lauwestraat en in het zuiden door de Leie, dat nog doorliep tot aan de huidige Posthoornhoek. Daarbovenop bezat de abdij in Wevelgem nog drie hofsteden; ” ’t Cloostergoed”, de eigenlijke abdijhoeve, “ ’t goet Te Pesscherie”, bevindt zich in de huidige Visserijstraat en de “ Vincxhofstrede”, de huidige hoeve Hanssens in de Veldstraat. Naast deze hoeven bezat de abdij nog een molen en diverse huizen.

De herbouwde abdij was door een brede gracht en de Leie volledig omwald en bezat in die tijd drie toegangswegen.

In 1626 werd begonnen met de bouw van de nieuwe abdijkerk en in 1630 werd de kerk ingewijd.

Aan de abdij was ook een school verbonden. Er wordt vermoed dat de zusters een schooltje begonnen als een voorbereiding voor jonge meisjes op hun intrede in het klooster; later onderwees men er ook meisjes die geen religieuze wilden worden en zo groeide de abdijschool stilaan uit tot een gewone kostschool.

Binnenvallende Franse troepen veroverden Menen in 1645 en Kortrijk in 1646. De Spanjaarden verjoegen hen weer uit Menen in 1646 en uit Kortrijk in 1648. Deze militaire excessen veroorzaakten enorme schade in de streek. De abdij scheen echter weinig schade te hebben geleden. De zusters trokken zich terug in hun vluchtoord te Kortrijk, terwijl de abdij zelf van het oorlogsgeweld gespaard bleef.

In 1658 waren de Fransen terug. De bevolking vluchtte, en kostbare beelden en schilderijen werden in veiligheid gebracht.

In 1659 werd de Vrede van de Pyreneeën ondertekend, waarbij het zeggenschap van Menen aan Spanje werd teruggegeven. Niet veel later vielen Franse troepen opnieuw binnen, en Kortrijk en Menen vielen weer in Franse handen.

Tijdens de bezetting van Kortrijk werd de molen van het klooster vernield.

De Fransen schonken Kortrijk terug aan Spanje, maar behielden Menen. Wevelgem kwam daardoor op de grens te liggen tussen Frankrijk en de Spaanse Nederlanden.

Tijdens de Negenjarige Oorlog (1688-1697) leed de bevolking van het zuiden van West-Vlaanderen onder plunderingen en gruweldaden van de rondtrekkende legers. Soldaten werden gehuisvest in Wevelgem en er vonden strooptochten plaats van de Fransen en hun bondgenoten. Hoe verder de stukken grond verwijderd waren van de abdij, hoe moeilijker het was om inkomsten te kunnen innen. Vandaar dat de abdij af en toe pogingen deed om verafgelegen stukken land te verkopen en met dat geld dichter gelegen stukken grond te kopen.

In het begin van de 18e eeuw waren de Zuid-Nederlandse gewesten in handen van de Nederlanders, Engelsen en Oostenrijkers. Zij hadden een voorlopig bewind ingesteld. Tot 1713 woedde er een oorlog en leed de abdij veel schade door voortdurend doortrekkende legers. Daardoor werden oogsten vernield en bleven akkers braak liggen. In de periode van 1710-1714 heerste hongersnood.

In 1743 werd aangevangen met het bouwen van een nieuwe slaapzaal, keuken, refter en werkzaal. Tijdens de periode van 1744 tot 1747 moesten de bouwplannen worden opgeschort. De Oostenrijkse Successieoorlog bracht een Franse invasie in Vlaanderen. De bezetting duurde tot aan de Vrede van Aken in 1748.

Bij de dood van Marie de Preudhomme d'Hailly, eigenares van de heerlijkheid Wevelgem en weduwe van Antoine de Robbes in 1740 ontstonden moeilijkheden.

Op 11 maart 1758 verkocht de familie de Brais de heerlijkheid wegens enorme schulden aan de Guldenbergabdij, hierdoor werd de abdis van de Guldenbergabdij, Augistina Peuterman, de "Vrouwe van Wevelghem". Samen met de heerlijkheid verwierf ze ook het goed Ter Elst (Kozakstraat nummer 186) en het goed Te Marrem (Marremstraat nr. 1). Onder haar abbatiaat kende de abdij een grote bloei.
De parochiekerk wordt in 1773 vergroot, de benedenkerk wordt gesloopt en vervangen door een driebeukige bakstenen constructie onder één dak.

In 1780 stierf Maria Theresia en haar zoon Jozef II kondigde een reeks maatregelen aan die het de kloosters almaar moeilijker maakten om nog te functioneren. Er werden 158 abdijen met een totale bevolking van ongeveer 2600 religieuzen ontbonden. De cisterciënzerinnenabdij van Wevelgem kon voortbestaan dankzij de aanwezigheid van hun school die zich richtte op behoeftige weesmeisjes. Ze leerden hen lezen en schrijven in het Frans en Vlaams, goede manieren en veel godsdienst, alsook alle mogelijke huishoudelijke taken. Ze werden als dienstmeisjes in burgerhuizen geplaatst.

In 1792 verklaarde Frankrijk aan Oostenrijk de oorlog. In 1796 werd de abdij ontruimd. De abdijgebouwen werden in de loop van 1798 gesloopt en de goederen werden in de daarop volgende jaren onder de hamer gebracht.

Al dan niet in het geheim werden voorwerpen van de eredienst en relikwieën weggeschonken aan kerken en nog bestaande abdijen. In 1857 stierf de laatste religieuze van de Guldenbergabdij van Wevelgem.

Ter plaatse in de Lauwestraat in Wevelgem zijn de restanten van de abdij nog aanwezig. Op de plek waar het klooster stond is nog de monumentale poort aanwezig. Ook de (17de-eeuwse) duiventoren staat nog op de binnenplaats.

Van het klooster bestaat enkel nog de kloosterhoeve, samen met de westelijke abdijpoort. Dit monumentaal poortgebouw wordt opgetrokken in 1743. Het achtergelegen woonhuis van de portier dateert van 1747.

Het zogenaamde "Kloosterhof" is het voormalig neerhof van de Guldenbergabdij.

Het is een in oorsprong volledig omwalde site, die via een sluis in verbinding stond met de Leie. Thans is de omwalling gedeeltelijk bewaard ten noorden en ten westen. Ten oosten is er een ommuurde moestuin.

Ten zuidwesten van het erf ligt de zogenaamde "Westpoort". Het is een monumentaal vrijstaand poortgebouw die de oorspronkelijk toegang was tot de eigenlijke abdij.

Dit poortgebouw werd gerestaureerd in 2003. Het bestaat uit een verankerde baksteenbouw onder een imposant natuurstenen fronton met het wapenschild van de abdis Peutermans, bekroond met de oorspronkelijke bolvormige postamenten. Er is een rondbogige poortdoorgang voorzien van natuurstenen hoekblokken en een sluitsteen met het jaartal 1743.

Te midden van het erf staat een duiventoren, die vermoedelijk dateert van 1699.

(Bronvermelding: Wikipedia; Onroerenderfgoed.be)