De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




VICHTE  -  OUD KASTEEL EN KERK


(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)




Op deze prent van Sanderus van omstreeks 1640 zijn het zogenaamde Oud Kasteel en de kerk te zien in Vichte. Vichte is thans een deelgemeente van Anzegem in de provincie West-Vlaanderen.


Oud Kasteel

Het kasteel bestaat nog en is gelegen langs de Vichteplaats in Vichte.

Op de site bevindt zich nu nog steeds het kasteel met het neerhof bestaande uit een aantal hoevegebouwen (duiventoren, woonhuis, poortgebouw, stal, schuur, remise en garage).

Omstreeks 1100 bouwde Goswin van der Vichte een eerste kasteel nabij de Vichtebeek, de latere Kasselrijbeek.

Vermoedelijk betrof het een woontoren met een dubbele omwalling die ook het neerhof omsloot.

De restanten van dit eerste gebouw bleven bewaard in de kelder van het huidige kasteel onder het centrale gedeelte met toegangsdeur.

De toegangspoort dateert van omstreeks 1500. De duiventoren en de stallingen aan de oostzijde werden in het begin van de 15e eeuw gebouwd door Olivier van der Vichte.

Tussen 1502 en 1523 liet Jacob van der Vichte de grote schuur bouwen. De paardenstallen zouden dateren van 1577.

In 1594 werd het kasteel verkocht aan de Antwerpse koopman Maarten de la Faille. Deze liet de houten en lemen bouwdelen verstenen en bouwde in 1597 aan de zuidzijde twee traveeën bij. Het achterste gedeelte werd door zijn toedoen onderkelderd.

In 1639 werd het kasteel door Raphaël van den Bossche aan de noordzijde uitgebreid met een nieuwe vleugel met vooraan een trapgevel.

Er bestonden plannen voor een toren en een kapel maar deze werden niet uitgevoerd.

Ze staan wel afgebeeld op deze prent van Sanderus (1641), terwijl de trapgevel nog niet voorkomt. Blijkbaar kregen Sanderus en zijn medewerkers inzage in bouwplannen en baseerden zij hun tekeningen soms op deze bouwplannen, zodat de werkelijk gebouwde toestand soms enigszins afweek van de getekende (geplande) toestand.

Herkenbaar op deze prent zijn het kasteel, dat gelegen is op een mote en het neerhof met schuur, poortgebouw, duiventoren, nutsgebouw en siertuinen. Het is een omwald geheel met buiten de wal verschillende boomgaarden en een renaissance-tuin, opgevat als een prestigieuze moestuin en voorzien van stenen hoekpaviljoenen. Deze tuinen bleven zeker tot het einde van de 19e eeuw in beperktere omvang bestaan, maar werden nooit uitgebreid met een parkaanleg.

In 1763 zou een deel van de woning op het neerhof en de bijhorende schuur gebouwd zijn. Wanneer de verdere uitbreiding plaats vond is vooralsnog onbekend. In 1767 werd de wankele toegangsbrug vervangen door een bakstenen brug.

De gracht rond het kasteel werd deels gedempt.

In 1780 werd tegen de noordgevel een bijkomende travee gebouwd om er te voorzien in sanitaire voorzieningen.

In 1859 wordt de koeienstal met washuis vervangen door een nieuwe koeienstal en magazijnen.

Door de beschietingen tijdens de Eerste Wereldoorlog werd deze gevel zwaar beschadigd maar nadien heropgebouwd. Ook de overige gebouwen liepen bij de bevrijding in 1918 ernstige schade op.

Het kasteel werd vanaf de 12e eeuw tot in 1594 onafgebroken bewoond door leden van de familie van der Vichte. Vanaf 1594 kwam het in handen van Maarten de la Faille. In 1595 vroegen leden van de familie van den Bossche die de naam van der Vichte aannamen, de teruggave van het domein. Ze werden in 1611 in hun recht gesteld. De laatste eigenares van het geslacht was Isabella van den Bossche. Haar overlijden op 9 oktober 1680 stelde een einde aan zeven eeuwen familiale en juridische aanwezigheid van de familie als edelen, feodale grondbezitters, bekleders van hoge ambten en houders van waardevolle eretitels.

De eigenaars na Isabella van den Bossche, onder meer leden van het geslacht de Fourneau de Cruquembourg, bewoonden het kasteel niet. Hierdoor bleven vorm, uitzicht, indeling en volumes tot op heden haast ongewijzigd sinds de verbouwingen van 1639.

In 1777 verhuurde graaf de Fourneau de Cruquembourg, de 30e heer van Vichte, het kasteel aan Anselm-Louis-Joseph Morel. Morel liet het kasteel opknappen.

Door financiële problemen was de allerlaatste heer van Vichte, Henri-Theodoor de Fourneau de Cruquembourg, genoodzaakt het kasteel en de bijhorende gronden in 1917 te verkopen aan Jacques Meyers uit Zandhoven. Zelf zou deze er nooit wonen, maar hij liet dat over aan pachter Francies Verhaeghe. Die gebruikte het neerhof, terwijl het kasteel zelf lange tijd onbewoond bleef. Vermoedelijk vanaf 1853 werd het opgeknapt en door de familie Verhaeghe betrokken.

Er waren ook nog andere gebouwen en een brouwerij, maar die werden in 1918 erg beschadigd en afgebroken. In hetzelfde jaar werd het volledige domein door de familie Werve-Meyers verkocht aan de familie Verhaeghe.

Het kasteel is privébezit en wordt thans bewoond door de familie Verhaeghe.



Kerk

Ten noorden van de site van het Oud Kasteel is de (oude) kerk van Vichte gelegen, opgericht door de heren van Vichte en toegankelijk via een brug en weg ten noorden van het woonhuis.

Deze kerk is de Sint-Stephanus en Sint-Theodoricuskerk. Deze kerk bestaat nog en bevindt zich langs de Kerkdreef. Deze kerk staat thans bekend als “de oude kerk”, aangezien er elders in Vichte ondertussen een nieuwe kerk werd gebouwd.

Het is een in oorsprong romaanse kerk, gelegen vlakbij het zogenaamde “Oud Kasteel” met neerhof van de heren van Vichte. Deze kerk wordt nu omgeven door een grasperk afgezoomd door een beukenhaag. Voorheen was er tot omstreeks 1930 een omringend kerkhof.

De nederzetting Vichte of "Vebta" en deze kerk werden voor het eerst genoemd in een oorkonde van 1119. Ridder Goswin van der Vichte, de eerste heer van Vichte, bouwde vermoedelijk vóór dat jaar een kerk voor zijn onderdanen op zijn domein.

Kort voor 1119 werd de kerk door Lambrecht, bisschop van Noyen en Doornik, tot parochiekerk verheven. Het patronaat van de kerk, die op het grondgebied van de heerlijkheid stond, was tot aan de Franse revolutie in handen van de Heer van Vichte.

Van deze romaanse zaalkerk met westtoren, gebouwd in Doornikse kalksteen, bleven de westgevel, de gevels van het schip en het opgaand metselwerk in de koorwanden en -sluiting bewaard.

Vóór 1363 werd de kerk omgebouwd tot een kruiskerk door de constructie van twee transeptarmen, een vergroting van het koor en de opbouw van een houten klokkentoren tegen de romaanse klokkengevel. De werken werden betaald door Jan van der Vichte en zijn echtgenote Maria Van Halewijn, die beiden begraven werden in het nieuwe koor.

In het eerste kwart van de 15e eeuw werd het noordelijk koor opgericht. Omstreeks 1550 werd de kerk vergroot door de bevolkingstoename. Er werd een zuidelijk koor gebouwd; de oude transeptarm werd hierbij gesloopt en heropgebouwd als deel van de nieuwe beuk.

Op deze prent van Sanderus is het huidige gebouw (zonder sacristie en portaal), reeds herkenbaar.

In 1693 werd een houten kerkdeur in de zuidelijke zijbeuk geplaatst.

Tijdens de 18e eeuw drongen er zich herstellingswerken op aan de ondertussen vervallen kerk. Een nieuwe vloer werd geplaatst in 1730; het dak werd deels vernieuwd in 1757. Er gebeurden verdere herstellingen op het einde van de 18e eeuw. In 1779 was er een  toevoeging van een classicistisch portaal en een sacristie.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd het gebouw gebruikt voor de Duitse erediensten. Er was schade door de inslag van granaten op het einde van de oorlog waarna er in 1924-1925 restauratiewerken gebeurden.

In 1962 werd elders in Vichte een nieuwe kerk opgetrokken. De oude kerk werd toen  gedesafecteerd.

In 1971-1972 werd deze “Oude Kerk” wel gerestaureerd, waarna ze in gebruik genomen werd als culturele ruimte. Een deel van het meubilair werd naar de nieuwe kerk overgebracht.

Eind 2019 werd de Oude Kerk (Kerkdreef 8) gesloten vanwege ernstige stabiliteitsproblemen door optredende scheuren, waarschijnlijk als gevolg van kleine grondverzakkingen door de droogte, en werd een aanvang genomen met de
restauratiewerken.


Nog een woordje over de Kerkdreef...

We zien op deze prent tevens de dreef die vandaag nog bestaat in Vichte en de toepasselijke naam “Kerckedreve” en later “Kerkdreef” kreeg.

Deze kerkdreef bestaat uit geknotte zomereiken.

De Kerkdreef vertrekt ongeveer aan de Sint-Jozefskapel en is georiënteerd op het westportaal van de parochiekerk Sint-Stephanus en Sint-Theodoricus. De dreef mondt uit op het voormalige kerkhof, dat ontmanteld werd omstreeks 1930.

De Sint-Jozefskapel werd pas in 1877 gebouwd aan het einde van de Kerkdreef op de grond van Adolf Verhaeghe. Deze kapel stond er dus nog niet omstreeks 1640.

Uit literatuurgegevens is bekend dat de oudste knotbomen zeker teruggaan tot 1722.

Rekening houdend met de stamomtrekken worden leeftijden tot 350 jaar en ouder niet uitgesloten. De kans dat het om autochtoon genetisch materiaal gaat wordt daardoor aanzienlijk. Autochtoon materiaal van zomereik is in de traditionele landschappen die behoren tot de zandleem- en leemstreek zeer zeldzaam.

We zien deze dreef op de prent van Sanderus en wellicht zijn sommige bomen nog altijd dezelfde van toen.

De Kerkdreef behoorde meerdere eeuwen tot het foncier van de Heren van Vichte en was hun volle eigendom, samen met de dorpsplaats.

De dorpsplaats werd onder het Frans bewind ingelijfd in het openbaar domein en werd gemeente-eigendom.

De Kerkdreef bleef echter privaat bezit van de latere graven van het geslacht de Fourneau de Cruquembourg en daarna de families Meyers, Vanderwerve en Verhaeghe. De bomen werden destijds mee verpacht met het aanpalende perceel, waarbij de pachter het kapgenot en -eikelgenot had, maar ook de onderhoudsplicht. Bij het aankomen van een nieuwe pachter werden de bomen geteld en geprezen.

De totale lengte van de Kerkdreef bedraagt nu nog steeds ongeveer 335 meter. De knot-zomereiken (Quercus robur) bereiken een hoogte van circa 8 meter, de hoogte van de takvrije stam bedraagt circa 2,50 meter, de knothoogte circa 2,50 meter. De plantafstand is onregelmatig maar vooral nauw, met tussenafstanden variërend van 2,50 meter tot 5 meter. De stamomtrekken (opname in 2006) van de dikste en oudste exemplaren klimmen op tot 3,05 meter. De dreefbeplanting is ongelijkjarig, waardoor zowel jonge, middeloude als oude knotbomen voorkomen.

De dreefbeplanting is op heden een beeldbepalende structuur in de dorpsomgeving. Het is de knoteikendreef met de hoogste contextuele gaafheid in West-Vlaanderen. Deze dreef verdient en geniet terecht een wettelijke bescherming als landschappelijk element in Vlaanderen.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)