De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




TERVUREN - KAPUCIJNENKLOOSTER


(Antonius Sanderus – Chorographia Sacra Brabantiae 1659 - Herwerkte editie 1726-1727)




Op deze prent van Sanderus is de herwerkte versie te zien van een prent van het Kapucijnenklooster in Tervuren.

Deze prent werd gepubliceerd in de heruitgave in 1726-1727 van de Chorographia Sacra Brabantiae van Sanderus (1659).

Hieronder tonen we ook de originele prent die in de Chorographia verscheen.

Tervuren is een gemeente in de provincie Vlaams-Brabant.

Het Kapucijnenklooster was gelegen in het huidige Kapucijnenbos in Tervuren, tussen de Kapucijnendreef en de Koninklijke Wandeling.

De naam Tervuren dook voor het eerst op in een werk van circa 743-750 over het leven van de Luikse bisschop Sint-Hubertus die evangeliseerde in de Voervallei, een villa bezat in Tervuren en daar in 727 zou gestorven zijn.

Kort voor 1213 vestigde Hendrik I, hertog van Brabant, zich in Tervuren, mogelijk in een al bestaande burcht op de landtong, gevormd door de samenvloeiing van de Maelbeek en de Voer.

De residentie groeide uit tot een mooi kasteel. In dezelfde periode richtte de hertog in de nabijheid van zijn kasteel een nieuwe kerk op die werd toegewijd aan Sint-Jan Evangelist; de bediening ervan schonk hij in 1227 aan de Abdij van Park in Heverlee, die vanaf 1230 reguliere kanunniken naar Tervuren zond.

Tervuren groeide uit tot een geliefde hertogelijke verblijfplaats. In de onmiddellijke omgeving lag een kleine woonkern die vanaf 1220 geleidelijk zou uitgroeien tot een centrum. Tervuren kende een grote bloeiperiode in de 14e eeuw.

Met de komst van Albrecht en Isabella in de periode 1599-1633 werd het kasteel op de landtong verfraaid als buitenverblijf.

In 1616-1617 bouwde architect Cobergher de Sint-Hubertuskapel.

In het Zoniënwoud werd in 1626-1627 een kapucijnenklooster opgericht. De voornaamste architect van het klooster was Anton van Arenberg, die in 1616 was ingetreden bij de kapucijnen onder de kloosternaam Carolus (broeder Karel). De kapucijnen hadden de nieuwe vestiging eerst in Bosvoorde gepland, maar op vraag van landvoogdes Isabella, die hen dicht bij haar jachtkasteel wilde, kozen ze uiteindelijk voor Tervuren.

Aartshertogin Isabella schonk hen een groot stuk grond in Essendelle. Pater Carolus liet er vanaf 25 juni 1626 de kloostergebouwen optrekken. Ten zuidwesten liet hij een tuin aanleggen, waarvan de dreven een achtsprong vormden. Dit patroon is nog herkenbaar als het vierkant omschreven door de Putdreef, de Noorddreef en de Hospitaaldreef. Ook kwamen er grote vijvers.

Nog voor de winter waren de kerk en het convent onder dak, en exact een jaar na de aanvang van de werken werd de kerk ingewijd.

Op het uiteinde van de tuin stond een klein gebouw waar de landvoogdes Isabella zich jaarlijks afzonderde voor de beoefening van een geestelijke retraite. Ze sliep er zoals de kapucijnen op stro en had slechts een dikke eiken stronk als hoofdkussen. Nog lang na haar dood werd deze bewaard om aan bezoekers te tonen. Onder Isabella werd het terrein nog uitgebreid.

Het klooster was een enorm complex met waterpartijen, een groot kloostergebouw met kerk, een tuin met boomgaarden en daarachter een ommuurd vierkant park in de toenmalige gebruikelijke stijl, met elkaar in hun middelpunt snijdende schuine dreven (een acht-ster).

In de 18e eeuw, ten tijde van landvoogd Karel van Lotharingen (1744-1780), werd het kasteel van Tervuren verbouwd als zomerresidentie.

In 1782 werd het hertogelijk kasteel gesloopt in opdracht van keizer Jozef II; de Sint-Hubertuskapel bleef gevrijwaard.

Het Kapucijnenklooster hield zo’n 150 jaar stand. De Franse overheid schafte het klooster definitief op in 1796 en verkocht de bouwwerken (maar niet de grond) aan drie Brusselaars op voorwaarde dat ze alles zouden afbreken.

Twee jaar later waren de gebouwen reeds afgebroken en de materialen verkocht. Alles wat er daarna nog zichtbaar aan de oppervlakte lag is blijkbaar door de plaatselijke bevolking weggesleept.

Tot vandaag zijn er nog keldergewelven en funderingen bewaard gebleven van dit klooster. Deze restanten zijn ondertussen wel overgroeid. Stilaan raakte de site volledig bebost door spontane boomopslag.

De vijver bij het complex liep waarschijnlijk leeg na het stopzetten van het onderhoud en het afbreken van de dijken.

Het oude wegenpatroon (vooral bestaande uit bosdreven) is ter plaatse nog bewaard gebleven en is herkenbaar op de Ferrariskaart van 1777, waarop het Kapucijnenklooster nog werd weergegeven (zie weergave van de kaart hieronder).

In de jaren na 1798 werd de site in een tamelijk snel tempo bebost, deels met spontane boomgroei, maar waarschijnlijk ook met commerciële aanplantingen.

Rond 1860 werd een deel van het bos gerooid, waarschijnlijk om het voor landbouw te bestemmen vanwege de vruchtbare leembodem. Amper 15 jaar later volgde echter al weer herbebossing en ontstond het zogenaamde
Kapucijnenbos. Vermoed wordt dat de ondergrond te veel steenpuin en fundamenten van het klooster bevatte.

Het domein van het Kasteel van Tervuren kwam nadien in handen van Prins Willem-Frederik van Oranje, zoon van de koning der Verenigde Nederlanden. Tussen 1817 en 1823 werd het zogenaamde Paviljoen van Tervuren opgetrokken.

Na de Belgische Onafhankelijkheid werd het domein eigendom van de Belgische staat. Krachtens de wet van 22 maart 1853 onder Leopold I mocht de oudste zoon en troonopvolger Leopold II beschikken over het geheel. Onder invloed van zijn enorme bouwwoede onderging gans Tervuren een grondige transformatie.

In 1853 liet koning Leopold I het domein toewijzen aan zijn oudste zoon en troonopvolger, Leopold II. Onder toezicht van de kroonprins werd het Park van Tervuren sterk uitgebouwd. Het Paviljoen van Tervuren brandde in 1879 volledig af. De aanzet tot de aanleg van het park (zoals het er anno 2021 ligt) kwam er met de Wereldtentoonstelling van 1897, waarbij het koloniale luik in Tervuren plaats had. Op de ruïnes van het in 1879 afgebrande Paviljoen van Tervuren liet Leopold II het Paleis der Koloniën (Afrika-paleis) bouwen als een tentoonstellingsruimte.

Wegens de beperkte capaciteit werd in 1905 gestart met de bouw van een museumgebouw (Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, sinds 2021 het Afrika-museum). Een jaar later werd het hele domein als een publiek park overgedragen aan de toenmalige diensten van Waters en Bossen (anno 2021 het Vlaamse Agentschap voor Natuur en Bos).

In de periode 1902-1920 liet Leopold II in het Zoniënwoud ook een Geografisch Arboretum aanleggen. Dit arboretum strekt zich uit in het westelijk gedeelte van het Kapucijnenbos, dat op zijn beurt werd aangeplant in de periode 1875-1880 en genoemd werd naar het Kapucijnenklooster.

Vandaag bestaat Tervuren uit een verstedelijkte woonkern rondom de Markt met ten noordoosten de dominante inplanting van de Warande. Ten zuidwesten strekt zich het Zoniënwoud uit, een beukenbos dat in de 18e eeuw werd aangelegd vanuit economische motieven. Vandaag vormt het een aantrekkelijke groene oase voor bezoekers uit de verre omgeving.

(Bronvermelding: Wikipedia; Onroerenderfgoed.be; info van van Ernst Gülcher in “Opstapinhetlandvandedijleendedemer.home.blog/2019/05/20/tervuren-het-verdwenen-kapucijnerklooster” )