De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




SINT-PIETERS-LEEUW - PRIORIJ VAN KLEIN-BIJGAARDEN


(Antonius Sanderus – Chorographia Sacra Brabantiae 1659 - Herwerkte editie 1726-1727)




Op deze prent van Sanderus is de herwerkte versie te zien van een prent van de Priorij van Klein-Bijgaarden in Sint-Pieters-Leeuw.

Deze prent werd gepubliceerd in de heruitgave in 1726-1727 van de Chorographia Sacra Brabantiae van Sanderus (1659).

Sint-Pieters-Leeuw is een gemeente in de huidige provincie Vlaams-Brabant.

De voormalige priorij situeerde zich langs de huidige Klein-Bijgaardenstraat.

Deze priorij van de benedictinessen of 'bernardienen' te Klein-Bijgaarden, op een locatie gelegen langs de huidige Klein-Bijgaardenstraat, werd in 1251 opgericht, nadat een eerste poging tot stichting van een cisterciënzerinnenabdij op de Varenberg te Pepingen op niets was uitgelopen.

Godfried van Leuven, eerste heer van Gaasbeek, gaf de zusters in 1251 de toelating om zich in Sint-Pieters-Leeuw te vestigen.

De priorij kreeg de regel van Benedictus opgelegd. De zusters draineerden de moerassige gronden waardoor vruchtbare velden tot stand kwamen; het aanvankelijk bescheiden klooster groeide geleidelijk uit tot een indrukwekkend complex met bijhorende hoeve en watermolen op de Zuunbeek.

Het toenmalige ensemble werd tijdens de godsdiensttroebelen in de tweede helft van de 16e eeuw echter zwaar beschadigd, maar in de eerste decennia van de 17e eeuw geleidelijk heropgebouwd en ommuurd.

Deze prent uit de Chorographia van Sanderus is de oudste bekende afbeelding van het kloostercomplex.

Het eigenlijke klooster omvatte een kleine, eenbeukige kerk (met een dakruitertje en rondboogramen) die, samen met het kwartier van de priorin (trapgevel boven de middelste traveeën, rondboogdeur, twee bouwlagen), de noordvleugel vormde.

Op de afbeelding is een gedeelte van de kloostergang zichtbaar, maar van de eigenlijke kloosterhof worden geen details getoond.

De dienstgebouwen (met onder meer schuren, stallingen, karrenhuis, en portiersloge) vormden aan de noordwestzijde van het klooster een tweede gordel van gebouwen die, verbonden door een muur, een voorhof (met een duiventoren) en vier geometrische tuinen (met padenkruisen en in smalle piramides of kegels gesnoeide buxussen of taxussen op de hoeken van de bedden) omsloten.

Vermoedelijk ging het om de moestuinen, maar de combinatie met sierelementen was toen zeer gebruikelijk. De landelijkheid wordt benadrukt door de hopen drogend hooi in het omheinde weitje op de voorgrond.

De poort van de priorij bevond zich aan de noordzijde; de voornaamste toegangsweg was de Bijgaardenweg (de huidige Meibloemstraat en Stokerijstraat). Na de aanleg van de steenweg Brussel-Bergen in 1708 kwam er een tweede toegangsweg langs de Zuunbeek.

De lust- of siertuin bevond zich ten oosten van het klooster (links op de prent). De met lage buxus of taxushagen afgezoomde paden vormden een kruis.

Het kruispunt werd aangegeven door vier nissen, waarschijnlijk in latwerk. Dit was de ontmoetingsplaats – op de prent verwelkomt een kloosterzuster met open armen een bezoekend paar.

In latwerk waren waarschijnlijk ook de koepelpaviljoenen in minstens twee hoeken van de tuin en de twee paviljoenen die toegang verleenden tot de 'bersauwen' (door latwerk gestutte looftunnels) aan de zuid- en oostrand van de tuinloofgangen, vermoedelijk ook in latwerk begroeid met klim- of slingerplanten. Door op regelmatige afstanden aangebrachte 'patrijspoorten' kon de wandelaar vanuit deze loofgangen een blik op de tuin werpen.

Het zuidoostelijke compartiment van de lusttuin werd gevormd door een vijver met een rotseilandje (voor de gelegenheid met een koppel eenden). De tekening geeft (behalve de kegel- of piramideboompjes op de hoeken) geen details weer over de verdere indeling of beplanting van deze siertuin. De omgevende gronden extra muros waren grotendeels beplant met fruitbomen. De talrijke snoeiboompjes en de gesofisticeerde latwerkarchitectuur staan in schril contrast met de landelijke eenvoud van de gebouwen.

In de tweede helft van de 18e eeuw, onder meer na een zware brand in 1745, werden belangrijke herstelwerken en verbouwingswerken uitgevoerd.

In 1796 werd de priorij ontruimd, nadat een verzoek van de zusters om als onderwijsinstelling te mogen voortbestaan, was afgewezen.

In 1800 werd het domein van de voormalige priorij als « nationaal goed » verkocht aan Guillaume Wittouck uit Brussel.

Tegen 1820-1830 was de westelijke helft van het klooster reeds afgebroken.

De voormalige kerk, de oostelijke vleugel en een deel van de zuidelijke vleugel vormden het « kasteel «  van de familie Wittouck, met de voormalige kloosterhof als erekoer.

In de neerhofgebouwen bracht de familie Wittouck een jeneverstokerij onder. Later werd de productie nog uitgebreid met broodsuiker en calciumcarbonaat.

De boomgaard, die nagenoeg de hele noordelijke helft van het kloosterdomein binnen de grachten innam, bleef behouden.

De watermolen langs de Zuun, ten zuiden van het voormalige klooster, fungeerde als oliemolen en de oude ringgracht als molenreservoir. De voormalige siertuin bleef behouden als « lusthof ».

Omstreeks 1865 werd het « kasteel » verbouwd in een neoclassicistische stijl tot het nu nog bestaande Kasteel Klein-Bijgaarden of Kasteel Wittouck.

Het volume van de apsis van de oude kloosterkerk overleefde wel alle verbouwingen.

De familie Wittouck liet het park fors vergroten en de grachtarm met het eilandje verbreden tot een echte vijver. Het grote boomgaardperceel en de beemden ten noorden en ten oosten van het voormalige kloosterdomein werden samen met de oorspronkelijke lusthof verenigd tot één groot landschappelijk park. In die omgeving werd ook een ijskelder aangelegd.

Aansluitend bij de hoeve werd een ommuurde moestuin met serres aangelegd.

In 1941 werd het voormalige kloosterdomein (zonder de stokerij) aangekocht door de paters van de congregatie van Scheut, die het kasteel in gebruik namen als noviciaat en in vanaf 1971 ook als rusthuis.

Het in de 19e eeuw aangelegde park, onder de laatste Wittouck al met één derde gereduceerd, werd mettertijd herleid tot de huidige 3,5 hectare, omringd door residentiële verkavelingen, een sportcomplex en bedrijfsterreinen.

De noordelijke arm van de oude ringgracht ging verloren bij de aanleg van de Albert Van Cotthemstraat. Door het recente volstorten van de noordelijke en zuidelijke uitlopers van de vijver verdween het weidse landschap. De ommuurde moestuin bleef behouden en wordt nog als dusdanig gebruikt.

In 1994-1996 onderging het kasteel een 'harde' restauratie.

De voormalige neerhofgebouwen van de priorij van Klein-Bijgaarden werden in 2017-2018 verbouwd tot 16 woningen en 4 appartementen.

(Bronvermelding : Onroerenderfgoed.be)