De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




OUDENAARDE  -  OUDE STADSKERN


(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)




Op deze prent van Sanderus die dateert van omstreeks 1640 is de oude stadskern te zien van Oudenaarde (provincie Oost-Vlaanderen).

De huidige oude stadskern van Oudenaarde situeert zich grosso modo binnen de laatmiddeleeuwse omwalling zoals deze is weergegeven op deze prent van het panorama van Oudenaarde.

In hoofdzaak heeft de stad zich rond twee kernen ontwikkeld: rond de burcht, de oudste kern (heden de site van de Kasteelstraat) en de Markt met het stadhuis en de Sint-Walburgakerk.

Eertijds was de stad in heel Europa bekend om haar wandtapijtenproductie, een nijverheid die haar bloeiperiode meemaakte in de 16e eeuw, maar nog bleef voortduren tot in de 18e eeuw. Vandaag wordt de stad weleens de parel van de Vlaamse Ardennen genoemd.

Oudenaarde is gesticht aan de linkeroever van de Schelde, die lange tijd de grens vormde tussen Frankrijk en het Heilige Roomse Rijk. In het jaar 1030 gelastte graaf Boudewijn IV van Vlaanderen er een burcht te bouwen. De toren van Oudenaarde (turris Aldenardensis) moest dienstdoen als tegenhanger van de vestiging die de Duitse keizer aan de overzijde van de rivier in Ename had laten bouwen. In de dertiende eeuw werd de donjon vervangen door een groter kasteel.

Graaf Filips van de Elzas gaf de stad in 1189 een stadskeure. Langzaam aan ontstonden er twee stedelijke vestingen; Oudenaarde op de linker- en Pamele op de rechteroever van de Schelde. Pas in 1558 versmolten beide stadskernen. Oudenaarde verloor zijn versterkingen na de Slag bij Bouvines in 1214 en werd ingenomen door Gent in 1383.

In 1555 trad keizer Karel af als heer der Nederlanden. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Filips II. Onder diens regime viel de Oudenaardse wandtapijtenindustrie nagenoeg stil. Dat was in die tijd de belangrijkste bron van inkomsten voor Oudenaarde en bijgevolg waren er in 1556 zeer veel werklozen in de stad. Met de komst van Alva emigreerden talloze stedelingen naar de Noordelijke Nederlanden. Die toestand duurde voort totdat Alexander Farnese de stad Oudenaarde op 6 juli 1582 innam. Inmiddels was de Oudenaardse bevolking echter gehalveerd.

In 1658 en in 1667 vielen de Fransen Oudenaarde binnen. Daarop werd in 1668 de vrede van Aken gesloten. De stad werd daarbij aan Frankrijk toegewezen. In het najaar van 1674 werd Oudenaarde drie dagen lang vanaf de Kerselareberg onder vuur genomen door het Franse leger. In het voorjaar van 1683 organiseerden de Fransen opnieuw terreurbombardementen op Oudenaarde. Drie vierde van de stad werd toen in puin gelegd en Oudenaarde zou jaren nodig hebben om deze klap te boven te komen.

Op 11 juli 1708 waren Oudenaarde en omgeving het toneel van een belangrijke veldslag in de Spaanse Successieoorlog. Tijdens de slag bij Oudenaarde versloegen de Engelsen en de Nederlanders het Franse leger.

Op 11 mei 1745 vielen de Fransen Oudenaarde opnieuw binnen tijdens de slag bij Fontenoy. De Oostenrijkers, Engelsen en Nederlanders leden toen een nederlaag tegen de Fransen.

In de Eerste Wereldoorlog werd tijdens de slag aan de Schelde van 1 november 1918 onder meer de Sint-Walburgakerk zwaar beschadigd. Nadat de geallieerden zich in november 1918 hadden gehergroepeerd werd Oudenaarde door de Duitsers aangevallen met gifgassen. Ze maakten daarbij veel burgerslachtoffers.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Oudenaarde opnieuw beschoten. De beschadigingen waren toen beperkt. Niettemin duurde het tot het jaar 1949 voordat ook die schade volledig hersteld was.

Tot in de 19e eeuw werd de stad door stadswallen omringd. In de 20e eeuw werd de binnenstad opengebroken. Op het stadsplein werden enkele oude gevelhuisjes gesloopt. Daardoor ontstond de brede doorgang naar de markt. Pas in 2006 werd het „gat in de markt” opnieuw gedicht.

Vroeger kronkelde nog een zijtak van de Schelde door het centrum van de stad. In de jaren vijftig werd die echter goeddeels gedempt. Tot vandaag zijn er nog resten van te zien achter de stadsbibliotheek en in het stadspark.
Op deze prent van Sanderus vallen vooral de Sint-Walburgakerk, het stadhuis, de Burcht en de Kerk van Pamele op.

De Sint-Wilburgakerk

De Collegiale Sint-Walburgakerk is toegewijd aan Walburga, de patrones van Oudenaarde. De achterkant van de kerk paalt aan de Markt.

De toren van Sint-Walburga (1498-1624) is 88 m hoog en vormt een duidelijk herkenningspunt tot ver in de omgeving.

Van de vroeggotische kerk, waarvan de bouwwerken aanvingen in de eerste helft van de 12e eeuw, rest nu nog slechts het koor. In de 15e eeuw werd beslist de kerk te herbouwen in Brabantse gotiek. Boven de gotische toren bevindt zich een barokke kap uit 1620. Van het middeleeuws interieur is niets overgebleven, alles werd verwoest tijdens de beeldenstorm in 1566. De kerk is bijzonder rijk aan beeldhouwwerk, polychrome beelden, schilderijen en wandtapijten.

De Sint-Walburgakerk is de hoofdkerk van Oudenaarde. Deze bestaat eigenlijk uit twee delen en is nooit afgewerkt. Indien de kerk afgewerkt zou zijn dan zou zij komen tot midden op de Markt.

Tussen 1514 en 1532 vorderde de bouw zeer traag en vanaf 1532 zag men af om de nieuwe kerk af te werken en werden beide gebouwen aan elkaar gelast: de onvoltooide benedenkerk wordt verbonden met het koor van de oude kerk, zoals vooral te zien is aan de buitenzijde. De torenspits brandde in 1804 af na blikseminslag. Hij werd niet meer heropgebouwd.

Tijdens het oorlogsgeweld van 1 november 1918 tijdens de Slag aan de Schelde werd de kerk zwaar beschadigd; vooral de toren en het koor. De glasramen zijn nog steeds niet hersteld in hun vroegere luister.

De kerk werd opnieuw beschoten tijdens de Tweede Wereldoorlog in 1940. De schade was eerder gering, maar het duurde tot 1949 vooraleer ook deze schade volledig hersteld was. In 2019 werd de kerk gerestaureerd.

Het Stadhuis

Het stadhuis staat bekend als een voorbeeld van Brabantse laatgotiek. Het is opgetrokken op de plaats van het oude schepenhuis, waaraan de nu nog bestaande veertiende-eeuwse lakenhalle verbonden was.

In 1525 was het oude schepenhuis in verval en de kans was groot dat het zou instorten. Noodgedwongen werd een nieuw stadhuis opgetrokken, dit tussen 1526 en 1536.

Het oorspronkelijke plan werd niet volledig verwezenlijkt. De U-vormige aanleg die voorzien was, werd vervangen door een L-vormige. De rechterzijgevel, aan de Nederstraat, werd niet voltooid. Deze gevel, bestaande uit twee bouwlagen met bovenaan een weergang opgetrokken in Doornikse kalksteen, bevat zichtbaar delen uit het oude schepenhuis.

De twee aangebouwde traveeën uiterst rechts (een torenachtige constructie) met getralied venster, dateren uit 1509-1510. De getraliede ruimte was de archiefkamer. Het gelijkvloers fungeerde naar alle waarschijnlijkheid als opslagruimte, terwijl de eerste verdieping door het stadsbestuur werd gebruikt.

We weten dat het oude schepenhuis een belfort had, dat de voorgevel naar de Hoogstraat gericht was en dat het aan de zijde van de Markt door verschillende huizen was omgeven. De hierbij aansluitende lakenhalle in blauwsteen, heeft twee verdiepingen. Het gelijkvloers diende oorspronkelijk als stapelplaats voor het stedelijk brandweermateriaal en wapens, en de eerste verdieping als uitstal- en verkoopruimte.

Bij een recente restauratie zijn de sculpturen op de torens vervangen door replica’s in een Noord-Franse steen, die beter bestand zouden zijn tegen luchtvervuiling.

Binnenin het gebouw is tegenwoordig het MOU Museum ondergebracht (Museum Oudenaarde en Vlaamse Ardennen), waar wandtapijten en zilverwerk worden tentoongesteld.

Tegen het stadhuis bevindt zich de Lakenhalle. Deze dateert uit de 14e eeuw en werd in de 17e eeuw gewijzigd. De lakenwevers konden in deze hal hun producten opslaan, bovendien werden ze er ook gekeurd.

De Burcht van Pamele

Op de plaats van de huidige Kasteelstraat in Oudenaarde was vroeger de middeleeuwse Burcht van Pamele of de “borch van Oudenaarde”’ gelegen.

Dit was de verblijfplaats van de baron van Pamele, die ook heer en gouverneur van Oudenaarde was.

Een eerste burcht werd vermoedelijk opgericht circa 1000 in opdracht van graaf Boudewijn IV.

In 1064 wordt een "turris Aldenardensis" vermeld en in 1127 een stenen toren.

In de 13e eeuw werd de 11e-eeuwse donjon vervangen door een burcht met uitspringende torens.

In 1627 liet de heer van Oudenaarde, baron van Pamele, Guillaume de Locquenghien, de vervallen versterking vervangen door een nieuwe burcht.

Uit bewaard gebleven tekeningen en documenten, bijvoorbeeld deze prent van Sanderus, blijkt dat de omwalde burcht
een onregelmatige achthoekige vorm had rondom een binnenplaats met op de noord, west- en oosthoek ronde torens en in de weermuren ertussen nog eens kleinere torentjes.

Een kasteel met twee bouwlagen was ingeplant tegen de noordwestelijke- en noordoostelijke muur.

De toegang tot de versterking bestond uit een valbrug met een imposant poortgebouw voorzien van flankerende ronde torens.

Deze burcht van de baron van Pamele werd bij de beschieting van de stad door de Franse troepen van Lodewijk XIV volledig afgebrand.

In 1782 werd de Burcht van Pamele gesloopt. Op de plaats van de burcht werden de daaropvolgende jaren kavels door particulieren gekocht en de huidige Kasteelstraat werd in 1786 dwars doorheen de versterking getrokken. De straat werd
in 1806 voor het eerst gekasseid.

In de Kasteelstraat werden in 2005 de funderingen van een ronde toren blootgelegd. Het ging om 1 van de torens die rond de dertiende-eeuwse burcht van de heren van Pamele stonden. De naam Kasteelstraat verwijst trouwens naar deze burcht.

De kerk van Pamele

De kerk van Pamele, voluit Onze-Lieve-Vrouwekerk van Pamele, bevindt zich aan de rechteroever van de Schelde, in het stadsdeel Pamele. De kerk werd tussen 1234 en 1300 opgetrokken.

De Heer van Oudenaarde en Pamele, Arnulf IV, was de bouwheer die de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Pamele liet optrekken.

De kerk was veel rijker dan de oude Sint-Walburgakerk van Oudenaarde. In deze kerk werd de buitenechtelijke dochter van keizer Karel V en Johanna van der Gheynst gedoopt. Ze werd Margaretha genoemd en werd later als Margaretha van Parma landvoogdes van de Nederlanden.

Het bouwwerk geldt als een typevoorbeeld van Scheldegotiek; exemplarisch zijn onder meer de nog zeer romaans aandoende vensters en kooromgang, terwijl de zuilengalerij boven het middenschip al duidelijk gotische kenmerken vertoont. Zeer kunstig zijn ook de hoektorentjes van deze dertiende-eeuwse kerk.

Het kerkgebouw is instabiel en dat heeft te maken met de drassige grond rond en onder de funderingen. De Schelde vloeit amper een paar meter van haar noordwestelijke gevel. Vooral aan de binnenkant van het transept en het priesterkoor is de verzakking duidelijk te zien. De stabiliteit wordt regelmatig gecontroleerd.

(Bronvermelding: Wikipedia; Onroerenderfgoed.be)