De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)
MENU
Terug naar HOMEPAGINA
Terug naar INHOUDSOPGAVE
OOSTENDE - PANORAMA
(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)
Op deze prent van Sanderus van omstreeks is een panorama te zien van Oostende.
Oostende is een stad in de huidige provincie West-Vlaanderen.
Het ontstaan van de kustvlakte en de Noordzeepolders is het resultaat van een continue opvulling gedirigeerd door periodieke stijgingen van het zeeniveau. Gedurende de overstromingsfasen werd het ganse kustgebied met een vruchtbare laag zeealluvium (voornamelijk slib, klei en veenlagen) bedekt. Nagenoeg de hele kustvlakte werd omgevormd tot een kustveenmoeras en strekte zich verder zeewaarts uit dan nu. Op enkele plaatsen waren er geulen waardoor rivieren naar zee stroomden.
Omstreeks de 1e tot de 3e eeuw was de kuststreek, gelegen tussen een oude duinengordel en de zandstreek, een vertakt waddengebied.
Er waren in de 4e eeuw reeds enkele vroege vissersnederzettingen aan de kust.
Tussen circa de 4e en de 7e/8e eeuw vonden er belangrijke overstromingen plaats tot aan de grens met de zandstreek; de oude duinengordel werd doorbroken en in de hele kustvlakte werden brede kreken uitgeschuurd. De strandvlakte slibde op en een kenmerkend slikken- en schorrenlandschap ontstond. De kuststreek was nagenoeg onbewoonbaar omwille van de verzilting en een constante dreiging van overstromingen.
Vanaf de 8e eeuw trok de zee zich geleidelijk terug. Dit zorgde ervoor dat kreken verlandden, dat een nieuwe duinengordel het kustland afsloot van de zee en een uitgestrekte schorrenvlakte droog kwam te liggen waarin bewoning opnieuw mogelijk was.
Circa 1000-1040 was er de vorming van een tweede uitgestrekte duinengordel, zogenaamd kusteiland "Testerep(h)" (Ter Streep). Deze landtong werd van het vasteland gescheiden door een brede kreek.
Op het einde van de 11e eeuw ontstond Oostende aan het oostelijke uiteinde ervan; op het westelijke uiteinde lag Westende met daartussen van west naar oost Middelkerke, Raversijde en Mariakerke. Oorspronkelijk was Oostende een gehucht bij Mariakerke.
Omstreeks 1072 werd een eerste kerk gebouwd, de Sint-Pieterskerk, door Robrecht de Fries, graaf van Vlaanderen.
In 1115 was er een eerste vermelding van de parochie Onze-Lieve-Vrouw-ter Streep.
Tussen 1125 en 1150 was er een definitieve inpoldering en een ontginning van de kustvlakte onder impuls van verschillende abdijen.
In de loop van de 12e en de 13e eeuw kwam er een geleidelijke ontwikkeling van visvangst en -verwerking.
Tussen 1267 en 1270 kreeg Oostende stadsrechten van Margaretha van Constantinopel, gravin van Vlaanderen; het gebied werd ontheven van de directe afhankelijkheid van het Brugse Vrije. Het stadsgebied werd afgebakend en de stad kreeg eigen juridische bevoegdheden. Er werd een vishal gebouwd en er werd een vrije markt ingericht.
In 1284-1285 werd de waterloop "Hoofdwatergang van 's Heer Woutermansambacht", toen zogenaamd "Oostendse Watergang" die aansloot bij de "Ieperleed" verdiept en bevaarbaar gemaakt. Vanaf dan stond de stad Oostende in verbinding met de zee én het binnenland.
In de 14e eeuw kende Oostende een periode van gestage ontwikkeling als vissersstad.
Kerkelijk behoorde Oostende tot de parochie Onze-Lieve-Vrouw-ter Streep en tot het bisdom Doornik; het patronaatschap van alle kerken op Testerep behoorde toe aan de hertog van Cleven, heer van Wijnendael.
In 1334 werd Testerep na zware stormen voor een groot deel overspoeld; de landtong werd zodanig aangetast dat de middeleeuwse stad nagenoeg volledig werd overstroomd, met name onder meer de gronden rond de Sint-Pieterskerk.
In de tweede helft van de 14e eeuw werd de Vlaamse kustlijn bij herhaling zwaar door stormvloeden gehavend. De dijken braken door waardoor de met moeite ontgonnen weide- en landbouwgronden van het hinterland onder water liepen.
In 1393 was er opnieuw een zware overstroming waarbij de helft van de stad werd verwoest. Geleidelijk aan vestigde de bevolking zich ten zuiden van een dijk die door het Brugse Vrije in 1390 was opgeworpen.
Vanaf 1395 verwierf Oostende nieuwe gronden ten zuiden van de oude stad door overdracht van het Brugse Vrije en het Sint-Donaaskapittel.
Het gebied werd in 1397 begrensd door de oude stad, de Zuiddijk en de Keignaertsweg. Oostende bestond vanaf dan uit de 'oude' en de 'nieuwe' stad, gescheiden door twee dijken waartussen de "Leed" vloeide, een restant van de oude kreek tussen Testerep en het vasteland.
Gedurende de 15e eeuw ontwikkelde Oostende zich tot een bloeiende vissershaven. Er werden verschillende nieuwe gebouwen opgetrokken, zoals een stadsgevangenis en een hospitaal en een nieuw schepenhuis en hal (1411-1418) ten noorden van de nieuwe markt.
In 1438 werd een tweede Sint-Pieterskerk in gotische stijl in de nieuwe stad gebouwd, iets meer westwaarts dan de huidige Sint-Petrus en -Pauluskerk. Het was een éénbeukige kerk met een vierkante westtoren.
In 1445-1446 werd de eerste Oostendse haven in het westelijk deel van de stad aangelegd; de havengeul scheidde de oude en nieuwe stad, verbonden door een brug. Er werd tevens een vissersdok aangelegd. Na opeenvolgende overstromingen van de oude stad werd deze kern in 1477 definitief verlaten.
In 1489 werd de stad verwoest door Engelsen in de oorlog tussen Frankrijk en Maximiliaan van Oostenrijk. Het stadhuis en de kerk werden zwaar beschadigd.
In 1490 werd de stad voor de eerste maal versterkt door middel van een palissade. Het stadhuis werd in 1496 heropgericht. Ook de kerk werd in 1498 hersteld.
In de loop van de 15e eeuw vestigde zich de kloostergemeenschap van de Grauwzusters (later Zwartzusters) in de stad met een gasthuis in de Kerkstraat. Zij stonden in voor zieken- en armenzorg.
Ondanks woelige tijden nam de rijkdom en het belang van de stad in de 15e eeuw toe. Oostende groeide uit tot één van de voornaamste havens van Vlaanderen. De parochie behoorde op dat moment tot de dekenij Oudenburg.
Tussen 1530 en 1560 vernielden herhaaldelijke stormvloeden onder meer dijken en haveninstallaties.
De Beeldenstorm (1566) ging aan de stad voorbij. Na het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) werd Oostende een belangrijk toevluchtsoord van de Geuzen, die in 1572-1573 de stad bezetten. Oostende werd stilaan omgevormd tot een heuse vestingstad met de constructie van een gebastioneerde ringmuur met poorten, met name de Oost- en Westpoort (1573) en de Zuidpoort (1576).
Terwijl de rest van de Zuidelijke Nederlanden heroverd werd door Farnese (met de val van Antwerpen in 1585), bleef Oostende, samen met Sluis, een bolwerk van de Verenigde Provincies. Er was een bloeiende handel met Zeeland en Holland.
In 1584 effenden de Geuzen een strook duinen ten oosten van Oostende om een kunstmatige inundatie mogelijk te maken en de toegankelijkheid van de stad te bemoeilijken. Door getijwerking werd een kenmerkend krekengebied gevormd en een oostelijke havengeul waarbij de Oostendse Watergang ten zuiden van de stad aansluit. Deze werd vanaf dan de "Sint-Catharinakreek" genoemd. Aan westzijde was er nog de oude havenvliet, zodat de stad er als een eiland bijlag.
Na de val van Sluis in 1587 bleef Oostende het enige geuzenbolwerk in de Zuidelijke Nederlanden. De Spaanse troepen begonnen rond Oostende een fortengordel aan te leggen.
In de loop van de 16e eeuw werd de Sint-Pieterskerk omgevormd tot een kruiskerk met de vroegere westtoren als kruisingstoren; er werd ook een omliggend kerkhof aangelegd.
Tijdens het Beleg van Oostende van 1601 tot 1604 werd de historische stadskern volledig verwoest.
Het Beleg van Oostende was de belegering van Oostende tijdens de Tachtigjarige Oorlog. De stad was in handen van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en werd belegerd door de koninklijke Spaanse troepen van aartshertog Albrecht van Oostenrijk. De strijd was uitermate bloedig. Aan beide kanten vielen tienduizenden doden.
Sinds de Pacificatie van Gent in 1576 stond de stad onafgebroken aan de kant van de opstandelingen. In Vlaanderen werden in de jaren 1580 alle opstandige steden door de Spanjaarden heroverd. Alleen Oostende kon uit hun handen blijven.
Vanuit de stad werd het omliggende gebied gebrandschat waarbij dorpen plundering en brandstichting konden afkopen door een belasting te betalen. De druk aan Zuid-Nederlandse kant om de stad te veroveren nam toe nadat de Republiek in 1600 gebruikmaakte van Oostende om Vlaanderen binnen te vallen. In 1601 werd het beleg voor Oostende geslagen. De aartshertog was echter niet in staat de stad volledig te blokkeren door de overmacht van Engelse en Noord-Nederlandse schepen op zee.
Daardoor konden gedurende de hele belegering manschappen, munitie en levensmiddelen de stad worden binnengebracht. De belegering werd een uitputtingsslag. In heel Europa waren de ogen gericht op Oostende, waardoor het een prestigekwestie werd die beide partijen wilden winnen. Maurits van Nassau probeerde tevergeefs de aartshertog weg te lokken van Oostende door andere steden te belegeren. Omdat de aartshertog weinig vooruitgang boekte, werd hij door de koning Filips III van Spanje vervangen door de Genuees Ambrogio Spinola. Deze boekte in korte tijd veel vorderingen en in 1604 werd de stad overgegeven.
Na drie jaar en tweeënhalve maand vechten was de stad compleet verwoest en ontvolkt. De belegering van Oostende heeft de meeste slachtoffers gekost en het langst geduurd van alle belegeringen tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Het verlies werd voor de Republiek verzacht doordat het kort ervoor Sluis wist te bemachtigen. Vanwege de duur en inspanning wordt het beleg van Oostende wel eens vergeleken met de belegering van het antieke Troje.
Ook de Sint-Pieterskerk werd tijdens het Beleg van Oostende vernield.
Deze prent van Sanderus toont ons Oostende tijdens het Beleg van Oostende.
Na de val van de stad in 1604 kende Oostende een periode van economische heropbloei onder de aartshertogen Albrecht en Isabella (ondanks blijvende onrust die tot 1713 zou duren).
Vanaf 1606 werd de stad heropgebouwd. Het marktplein (huidige Wapenplein) verschoof meer noordwaarts en er werd van 1616 tot 1629 een nieuw stadhuis gebouwd.
In het eerste kwart van de 17e eeuw werd de haven uitgebouwd aan de nieuwe oostgeul. De geleidelijke inpoldering van het overstromingsgebied leidde tot het ontstaan van de zogenaamd "Historische Polders van Oostende", van 1605 tot het eerste kwart van de 19e eeuw gedeeltelijk en afwisselend gebruikt als spoelpolders van de haven.
In 1608 werd de oude westelijke havengeul gedempt. Het resterende noordelijke stadsdeel en de oude binnenhaven werden geïncorporeerd in de zeedijk. Er werd een nieuwe havenkom ten zuidoosten van de stad (latere Visserskreek) aangelegd met een rechtstreekse toegang vanuit de havengeul.
In 1609 keerden de Zwartzusters, die waren gevlucht in 1576, terug naar Oostende. Ze vestigden zich in een nieuw klooster langs de Kerkstraat. Tussen 1615 en 1618 vestigden zich ook de Kapucijnen in Oostende. Ze bouwden een kerk (1620) en een klooster (1621) in een laatgotische stijl.
Tussen 1613 en 1623 werd het kanaal Oostende-Brugge-Gent gegraven met een zeesluis in Plassendale.
Vanaf 1615 werd de Sint-Pieterskerk opnieuw hersteld.
Tussen 1628 en 1632 werd het zuidelijk Citadelbastion ontmanteld.
Omstreeks 1638 begonnen de bouwwerken aan de Sint-Pieterskerk.
In 1640 werd de Sint-Pieterskerk uitgebreid tot een driebeukige hallenkerk met een vierkante westtoren, drie koren en een doopkapel.
In het tweede kwart van de 17e eeuw was er de uitbouw van een nieuw vestingpatroon met elf bastions; de citadel in de zuidwesthoek van de stad verdween.
De inzet van deze prent (rode rand) van het Beleg van Oostende van Sanderus toont Oostende in het jaar 1641. De Kerkstraat werd op het plan "Kersstraat" genoemd, terwijl de Sint-Pieterskerk als "Sint-Martens Kerck" weergegeven werd.
In 1609 werd de klok van de heropgebouwde kerk gewijd aan Sint-Maarten en pas in 1614 werden er nog drie nieuwe klokken aangebracht waarvan er één aan de heiligen Petrus en Paulus gewijd was.
Waarschijnlijk was dit de reden tot de naamsverwarring. Het ging wel degelijk om de (oude) Sint-Pieterskerk.
In 1676 vestigde de kloostergemeenschap van de Witte Nonnen zich in Oostende in een klooster met kapel langs de huidige Witte Nonnenstraat.
Tijdens de Spaanse Successieoorlog (1702-1713) was Oostende als doorvoerhaven van bijzonder strategisch belang.
In 1706 werd de stad getroffen door Engelse bombardementen tijdens het tweede Beleg van Oostende (1701-1706) waarbij onder meer het stadhuis, de Sint-Pieterskerk, de Kapucijnenkerk en de kloosters van de Witte Nonnen en de Zwarte Zusters zwaar werden beschadigd.
Omstreeks 1710 werd een nieuw stadhuis opgetrokken.
In 1712 brandde de Sint-Pieterskerk uit waardoor alleen vier muren en de onderbouw (15de eeuw) van de toren overbleven. In 1717 werd het schip van de kerk hersteld.
Na de Vrede van Utrecht (1713) bleef Oostende de enige vrije Noordzeehaven van de Zuidelijke Nederlanden.
In 1729 werd de nog bestaande achthoekige bovenbouw van de toren van de Sint-Pieterskerk opgetrokken (de huidige “Peperbusse”).
In het tweede kwart van de 18e eeuw werd de handelshaven ten zuiden van de binnenstad uitgebouwd. In 1731 was er een terugval van de handel.
Van 1741 tot 1745 was er dan de belegering van Oostende tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog.
In 1744-1745 werd de Sint-Catharinapolder ten zuidwesten van de stad ingedijkt.
In 1745 liep de Sint-Pieterskerk grote schade op tijdens het beleg van de Fransen (1745-1749).
Na de Vrede van Aken (1748) kende Oostende opnieuw een grote welvaartsperiode.
In het laatste kwart van de 18e eeuw was er een toename van het toerisme en een verdere uitbouw van Oostende tot kosmopolitische haven. Er werden in deze periode verschillende handelsdokken aangelegd.
In 1781-1782 werden de zuidelijke stadswallen en de Kaaipoort afgebroken voor een zuidelijke stadsuitbreiding met de bouw van verschillende residentiële wijken.
In 1795 werd het omliggend kerkhof verplaatst buiten de stad.
Op het einde van de 18e eeuw kwam er voorlopig een einde aan de bloei waardoor vele inwijkelingen wegtrokken uit de stad.
Tijdens de Franse bezetting werden verschillende kloosters opgeheven en kwam er een verval van de handelsactiviteiten en visserij en ook een einde aan het prille toerisme.
In de eerste helft van de 19e eeuw was Oostende nog steeds een vestingstad.
Circa 1804 was er een verdere stadsuitbreiding in zuidelijke richting, waarrond een omwalling met vier bastions bestond.
In opdracht van Napoleon werd het zogenaamde "Fort Impérial" (nu Fort Napoleon) en "Fort Royal" (1811-1812) gebouwd; het laatstgenoemde fort was pas afgewerkt in 1815 door de Engelsen en werd omgedoopt tot "Fort Wellington".
Tijdens het Hollands bewind werd een schouwburg (1816) gebouwd en een nieuwe vestinggordel (1817-1820). De Westpoort in het verlengde van de Witte Nonnenstraat werd heropgericht.
Vanaf het tweede kwart van de 19e eeuw groeide Oostende uit tot koninklijke residentie en mondaine badplaats, onder meer door het jaarlijkse langdurig verblijf van koning Leopold I en zijn familie in de Langestraat, thans zogenaamd "Oud Koninklijk Paleis". Hierdoor kwam er een stimulans voor het toerisme dat zich ontwikkelde tot de meest rendabele activiteit. Men zorgde voor aangepaste accommodatie en ontspanningsmogelijkheden (met onder meer het Leopoldpark, zeedijkpaviljoenen en een casino).
De tweede helft van de 19e eeuw was een consolidatieperiode waarin Oostende grote faam verwierf als kosmopolitische badplaats. Er vestigden zich verschillende hotels.
In 1851 werd een eerste "Kursaal" gebouwd op de zeedijk.
In 1856 bouwden de Zwartzusters aan de Ooststraat (1856) een nieuw klooster. In 1861 bouwden ook de Arme Klaren Coletinnen in de huidige Mariahofstraat een klooster (dat werd gesloopt in 1958).
Vanaf 1865 verloor Oostende zijn vestingfunctie. Tussen 1865-1875 werden de vestingen gesloopt. In deze periode startte de architecturale en stedenbouwkundige ontwikkeling van Oostende onder impuls van koning Leopold II. De uitbouw van Oostende als toerisme-, handels- en industriestad veranderde grondig het uitzicht van de stad.
In de tweede helft van de 19e eeuw breidde de stad verder uit.
Tussen 1875 en 1878 werd een nieuw Kursaal op de plaats van het huidige gebouwd. Het werd verbouwd en uitgebreid tussen 1898 en 1907.
Vanaf het laatste kwart van de 19e eeuw werd Oostende omgevormd tot "Reine des Plages" met kenmerkend elitetoerisme.
Op de zeedijk en in de westelijke uitbreiding werden door de mondaine burgerij luxueuze villa's en palace-hotels opgetrokken in een eclectische stijl.
Ondertussen werd de haven verder uitgebouwd en werd in 1880-1882 een nieuw stadsstation gebouwd.
Na het afbranden van de oude Sint-Pieterskerk in 1896 werd in 1899 het Sint-Petrus- en -Paulusplein aangelegd met herinrichting van de omliggende straten. Men besloot voorlopig de toren van de Sint-Pieterskerk te behouden.
In 1901-1905 begon de bouw van de prestigieuze neogotische Sint-Petrus- en Pauluskerk.
Ook in de 20e eeuw werd de haven verder heringericht en uitgebreid.
In 1902-1906 was er de aanleg van de huidige Koninklijke Gaanderijen tussen het Koninklijk Chalet en Royal Palace Hotel, met een drieledige boogbrug over de Koninginnelaan.
In de Eerste Wereldoorlog maakte Oostende ook deel uit van de ononderbroken bunkerlinie met een zware kustbatterij, met name de "Hindenburg-batterij" achter het Fort Napoleon, ter verdediging van de haven.
Kort na de Eerste Wereldoorlog komt de democratisering van het toerisme op gang. In deze periode werd Oostende tevens uitgebouwd als kuuroord.
In de Tweede Wereldoorlog was er opnieuw een Duitse bezetting van Oostende omwille van de ligging aan de kust en de aanwezigheid van de haven. Net zoals vóór de ontmanteling werden dijk en strand opnieuw tot militaire zone uitgeroepen en vanaf 1942 van de stadskern afgesneden door een 1700 meter lange, 3 meter hoge en 1 meter dikke muur, als onderdeel van de zogenaamd "Atlantikwall", de grote verdedigingslinie door de bezetters aangelegd langs de Noordzeekusten. De stad Oostende kende zeer zware oorlogsschade.
In de tweede helft van de 20e eeuw onderging Oostende een ware metamorfose, onder meer door de wederopbouw, de grootschalige urbanisatieplannen en de democratisering van het toerisme, die na de Tweede Wereldoorlog niet meer te stuiten was.
In 1950 werd een nieuw Casino-Kursaal gebouwd.
In 1953 teisterde een zware overstroming de Oostendse binnenstad; diverse gebouwen werden zwaar getroffen.
In het derde kwart van de 20e eeuw koos men voornamelijk voor hoogbouw en mobiliteit bij het verder uitbouwen van de toeristische badplaats.
De Sint-Pieterstoren, de resterende vierkante westtoren, zogenaamd de "Peperbusse", van de in 1896 door brand vernielde oude Sint-Petrus- en -Pauluskerk, een gotische hallenkerk, heeft een opmerkelijke vagevuur- en calvariegroep aan de noordgevel. Deze toren is thans gelegen aan de westzijde van de huidige Sint-Petrus- en Pauluskerk. De toren, meer bepaald de onderbouw, kan beschouwd worden als het oudste gebouw van de stad en als enige getuige van de tijd van vóór het Beleg van Oostende in 1601-1604.
(Bronvermelding: Archief.oostende.be; Onroerenderfgoed.be; Wikipedia)