De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




NINOVE - PANORAMA


(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)



Deze prent van Sanderus toont ons een panorama van omstreeks 1640 van de stad Ninove in de huidige provincie Oost-Vlaanderen, gezien vanuit het oosten.

Ninove ontstond op een van oudsher bewoonde plaats, waar de Dender zich in verschillende armen opsplitste.

De oudste vermelding die verwijst naar Ninove stamt uit 821, wanneer in een oorkonde van Keizer Karel de Vrome de schenking van een deel van villa Neonifio aan de abdij van Saint-Amand-Lez-Eaux beschreven wordt. Het villadomein maakte toen deel uit van de Pagus Brachbatensis of de gouw Brabant.

Over de precieze locatie van de villa Neonifio is er voorlopig nog geen eensgezindheid. Men vermoedt dat deze Karolingische villa zich bevond op de gronden van het “Oude Hof” (Kasteel) van de heren van Ninove, gelegen ten zuiden van de Graanmarkt en aan de samenvloeiing van de Dender en de (thans gedempte) Molendender.

Na het uiteenvallen van het Karolingische rijk (843) vormde het gebied tussen Schelde en Dender (waartoe ook Ninove behoort) het graafschap Biest en later het markgraafschap Ename. Midden 11e eeuw werd het noordelijk deel van de mark Ename, waaronder ook Ninove, veroverd door de graaf van Vlaanderen en werd Ename vervangen door Aalst als politiek centrum van het gebied tussen Schelde en Dender, hetgeen later binnen Rijksvlaanderen het Land van Aalst zou uitmaken.

Vanaf dit moment nam Ninove een belangrijke strategische plaats in, gezien de ligging aan de grens met het opkomende hertogdom Brabant.

Gelegen aan het knooppunt van belangrijke wegen, aan de voet van een castrum, groeide Ninove onder Boudewijn V, graaf van Vlaanderen (tweede helft 11e eeuw), uit tot een belangrijk strategisch grensgebied tussen het graafschap Vlaanderen en het hertogdom Brabant.

Het castrum, de Oude Burcht, werd waarschijnlijk in de tweede helft van de 11e eeuw gebouwd als een verdediging naar het oosten, misschien op de plaats van een primitieve burcht. Dit castrum was ingeplant tussen twee Denderarmen (huidige Pol De Montplein en omgeving) en omringd door muren met torens en vestgrachten die onmiddellijk aansloten bij de stadsomheining.

Een eerste verdedigingsgordel werd aangelegd voor 1137, een tweede in de 13e eeuw.

De omwalling van Ninove bestond uit vestgrachten met aarden dammen, torens en vier poorten aan de uitvalswegen: de Brabantse Poort (Burchtdam) en Geraardsbergse Poort (Lavendelstraat), de Kloosterpoort (Stationsstraat) en de bewaarde Nederwijk of Koepoort (Koepoortstraat). In de 18e eeeuw werden de drie eerst genoemde poorten gesloopt.

Belangrijk voor de geestelijke en economische ontwikkeling van deze landbouwgemeente was de oprichting van de Abdij van Sint-Cornelius en Sint-Cyprianus, in 1137.

In de middeleeuwen was er een groei van handel en nijverheid, vooral de graanhandel en de lakennijverheid.
Ninove kende talrijke belegeringen.

In 1382 was er een verwoesting door de Gentenaars.

In 1453 was er de inname door de hertog van Bourgondië en in 1483 en 1488 door de troepen van Maximiliaan van Oostenrijk.

In 1473 was er een hevige brand.

In de eerste helft van de 16e eeuw kende Ninove een herstel, maar in de tweede helft van de 16e eeuw waren er nieuwe beproevingen.

In 1579 waren er plunderingen door de geuzen en in 1582 was er een totale verwoesting van de stad door Alexander Farnese.

Zowel in de 15e , 16e als 17e eeuw waren er verschillende uitbraken van de pest.

In de tweede helft van de 17e eeuw was er de bezetting door de Franse troepen.

In de loop der tijden raakte de landbouw op de achtergrond.

Ninove bleef wel een handels- en nijverheidscentrum.

Er was een grote uitbreiding en aangroei van de bevolking in de 19e eeuw dankzij de vrij vlugge ontwikkeling van de industriële activiteit, met name de sigaren- en voornamelijk de lucifersfabricatie. De infrastructuur van de stad kreeg meer vorm. De wegen werden verbeterd.

Vanaf 1857 werd de spoorweg Denderleeuw-Ath aangelegd over Ninove.

In de tweede helft van de 19e eeuw werd de Dender gekanaliseerd.

Thans is Ninove een provinciestad met een centrumfunctie, voornamelijk een handels- en verzorgende functie, en een
gediversifieerde industriële structuur.

Het stadscentrum is klein en heeft het middeleeuws stratenpatroon goed bewaard.

(Bronvermelding : Onroerenderfgoed.be)


Hieronder tonen we de meest markante plaatsen van omstreeks 1640 die op de prent van Sanderus werden afgebeeld:



1. Onze-Lieve-Vrouwekerk

Op de prent van Sanderus staat in de buurt van de Abdij een kerk die hij aanduidt als de “parochiekerk” (“Ecclesia parochialis”).

Deze kerk werd opgetrokken tussen 1222 en 1235 en fungeerde gedurende eeuwen als parochiekerk. Deze kerk stond ten oosten van de abdijkerk.

De huidige parochiekerk in Ninove is de Onze-Lieve-Vrouwekerk, die zich thans nog bevindt langs het Kerkplein in Ninove.

Het is de voormalige abdijkerk van de Abdij van Sint-Cornelius en Sint-Cyprianus. Vanaf 1813 fungeerde de voormalige abdijkerk als parochiekerk. De vroegere parochiekerk werd tussen 1816 en 1828 gesloopt.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be; Wikipedia)



2. Abdij

De voormalige Abdij van Ninove, ook Abdij van Sint-Cornelius en Sint-Cyprianus genoemd, bevond zich aan de huidige plaatsen Abdijstraat, Kerkplein en Weggevoerdenstraat.

In 1137-1138 was er in Ninove een stichting van norbertijnen (ook premonstratenzers genoemd) met 7 monniken van de abdij Park (Leuven), onder bescherming van de plaatselijke heer, Geraard I, en met goedkeuring van de bisschop van Kamerijk.

Het eerste klooster was vermoedelijk nabij de eerste parochiekerk gelegen, in de Nederwijk ten oosten van de stad.

In 1157 was er de bouw van een (eerste) abdijkerk en kloostercomplex op de Koudenberg, ten noorden van de stad aan de weg naar Aalst, buiten de eerste stadsomheining en binnen de tweede (13e eeuw).

De oorspronkelijke abdijkerk, werd in 1174 gewijd en was gebouwd in een romaans-gotische stijl.

De kloostergebouwen werden voltooid in 1305.

In 1400 werd de abdijkerk nog verbouwd. Tussen 1578 en 1580 werden de kerk en de abdijgebouwen ernstig beschadigd.

Vanaf 1582 werd de Abdij heropgebouwd.

Het omheinde gebied van de Abdij had in de 15e eeuw een voorpoort met een abdijkerk (iets meer naar het noorden dan de huidige abdijkerk) vormden samen met de onmiddellijk bij de noordzijgevel aansluitende kloostergebouwen een groot rechthoekig gebouwencomplex met een binnenplaats en een kloostergang. Buiten het eigenlijke klooster stonden er nog talrijke kleinere gebouwen, onder meer een smidse, een brouwerij en twee molens buiten het omheinde domein. In de 15e eeuw was er nog geen neerhof.

In 1603 was er een grote brand.

In 1623 werden de restanten van de eerste abdijkerk afgebroken. In 1635 werd een voorlopige kapel ter vervanging van de abdijkerk gebouwd.

Op de prent van Sanderus staat de nieuwe abdijkerk reeds getekend, terwijl omstreeks 1640 waarschijnlijk enkel nog maar de fundamenten van deze kerk bestonden. Waarschijnlijk had de tekenaar inzage van de bouwplannen en baseerde hij zijn tekening hierop.

Met de bouw van de huidige abdijkerk werd begonnen in 1635. Het werd een mooie en imposante barokkerk, waarvan de meermaals onderbroken bouwgeschiedenis bijna honderd jaar duurde.

De werkzaamheden werden onderbroken in de tweede helft van de 17e eeuw wegens plunderingen door het Franse leger.

In het begin van de 18e eeuw werd een tweede bouwcampagne gestart van de abdijkerk, met een voltooiing in 1723 en een plechtige inwijding in 1727.

Vanaf ongeveer 1770 werd de Abdij in een classicistische stijl heropgebouwd.

De Abdij werd opgeheven in 1796. Er was een openbare verkoop en een afbraak van verschillende gebouwen omstreeks 1825. Enkel de abdijkerk, de priorij, de veldpoort, een gedeelte van de monumentale ingangspoort en de watermolen bleven gespaard.

Vanaf 1813 fungeerde de abdijkerk als parochiekerk, toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw.

De toren van de abdijkerk, die eigenlijk los staat van het kerkgebouw, werd pas in 1844 opgetrokken.

Er gebeurden vooral restauratiewerken tussen 1970 en 1973 en in 2023.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be; Wikipedia)



3. Stadhuis

Op de prent van Sanderus wordt het Stadhuis van Ninove afgebeeld. Dit was gelegen langs de vroegere « Grote Markt », thans is dit het Oudstrijderplein.

Het Stadhuis werd reeds vermeld in een stadsrekening van Ninove uit 1389. Toen reeds werd het als «  schepenhuis » vermeld. Het betrof een vrijstaand gebouw met  muren van bak- en zandsteen.

Het Stadhuis werd verwoest op het einde van de 15e eeuw en in 1497 heropgebouwd. Het werd ook in 1562 zwaar beschadigd, maar hersteld in 1571-1574.

De grote stadsbrand van 1603 was er de oorzaak van dat het volledig in vlammen opging. Er werd dan een nieuw stadhuis gebouwd.

Het gelijkvloers en de eerste verdieping waren voorzien van een vooruitspringende open galerij, bekroond met een trapgevel en getopt met een halfcirkelvormig fronton. Een vierkante toren met uurwerk, uitlopend in een versmalde klokkenkamer met ruime galmgaten en afgedekt met een achthoekige spits, bekroonde deze schepenhal.

In 1834 werd het Stadhuis, na een brand, omgebouwd tot een neoclassicistisch gebouw.

In 1984 verhuisden de stadsdiensten naar de Centrumlaan. Het oud stadhuis kreeg een andere functie: een aantal diensten waaronder toerisme, cultuur en sociale zaken kregen er een tijdlang onderdak.

Op het einde van de jaren 1990 werden restauratiewerken aan het gebouw opgestart.

Sinds 2010 zijn de diensten cultuur, evenementen en communicatie n het gebouw gevestigd. Daarnaast is er een vergader- en een tentoonstellingruimte voorzien en worden er, in een historisch kader, de huwelijken voltrokken.

Het gebouw werd in zijn oude en oorspronkelijke glorie hersteld.

(Bronvermelding: Ninove.be/oud-stadhuis; Wikipedia; Onroerenderfgoed.be)



4. Sint-Jorishof

Op de prent van Sanderus werd het Sint-Jorishof opgenomen in de legende. 

Het Sint-Jorishof bevond zich in de huidige Sint-Jorisstraat.

In het midden van de 13e eeuw werd het Sint-Joris-schuttershof te Ninove ingericht aan de oostelijke stadsvesten.

De schuttersgilde of schutterij was een lokale militie, opgericht in de middeleeuwen en bestaande uit burgers om hun stad of dorp te beschermen en te verdedigen bij een externe aanval van bijvoorbeeld rondzwervende roversbenden of vreemde legers en intern de orde te handhaven bij oproer, brand of prominent bezoek. De kerntaken van de schutterij waren het bewaken en bewaren van orde, rust en de veiligheid van de burgers.

Ninove beschikte over twee schuttersgilden : de Sint-Jorisgilde en de Sint-Sebastiaansgilde.

De Sint-Jorisgilde, gewapend met de voetboog, had haar schuttershof in de Sint-Jorisstraat en verdedigde de Nederwijkpoort (Koepoort) en de Kloosterpoort aan het begin van de weg naar Aalst.

Het gebouw had waarschijnlijk oorspronkelijk reeds een U-vormige aanleg, met een noordelijke en zuidelijke vleugel.

Dit gebouw werd waarschijnlijk vernield bij de bezetting van Ninove door de geuzen en de belegering door Farnese in 1579-1582, want op deze prent van Sanderus uit de Flandria Illustrata komt het niet voor.

Het gebouw werd waarschijnlijk in de tweede helft van de 17e eeuw herbouwd.

In 1662 had het gebouw aan de oostzijde een aanbouw met lessenaarsdak terwijl de zuidelijke vleugel verdwenen was en de noordelijke vleugels iets korter werd gebouw.

Het poortgebouw van het Sint-Joris-schuttershof bestaat thans nog en is terug te vinden langs de Sint-Jorisstraat.

De Sint-Jorisgilde heeft de Franse Revolutie (1489) niet overleefd.

In het schooljaar 1841-1842 werd er een tweede zusterschool van de zusters van de Heilige Harten opgericht in het oude Sint-Jorishof, in 1840 geschonken aan de zusters van de heilige Vincentius uit Deftinge.

In 1843 was de noordvleugel uitgebreid tot tegen de Vestbarm en vonden er verdere uitbreidingen langs de Vestbarm plaats.

In 1876 werd het Sint-Jorishof door de zusters van Deftinge aan de zusters van de Heilige Harten verkocht.

Sinds 1923 is door schenking het voormalig Sint-Jorishof eigendom van de Parochiale Werken van Ninove.

Omstreeks 1977 werd de noordvleugel gesloopt terwijl verdere uitbreidingen plaatsvonden om er de school voor
Buitengewoon Lager Onderwijs in onder te brengen. Toen werd de noordelijke muur van het poortgebouw hermetst, de noordelijke schouw heropgetrokken en de ramen vernieuwd.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)



5. Sint-Sebastiaanshof

De Sint-Sebastiaansgilde, gewapend met de handboog, stond in voor de Geraardsbergsepoort en de Brabantpoort aan de weg naar Brussel. Tijdens de Franse periode werden de gilden, dus ook de schutterijen, afgeschaft en hun bezittingen verbeurd verklaard.

De Sint-Jorisgilde overleefde de Franse revolutie niet, maar de Sint-Sebastiaansgilde werd in 1819 als wipschuttersvereniging heropgericht.

We vermoeden dat het Sint-Sebastiaanshof zich bevond in de omgeving van de huidige Lavendellaan/ Kaardeloodstraat.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be; Wikipedia)



6. Hospitaal

Het Hospitaal bevond zich langs de huidige Burchtstraat in Ninove.

De Onze-Lieve-Vrouwekapel of Hospitaalkapel is het enig bewaard restant van dit ziekenhuis.

Al in 1228 woonden rond de stenen kapel in de Burchtstraat hospitaalzusters, die er arme zieken, pelgrims en passanten hielpen.

De eigenlijke stichting van het hospitaal gebeurde vermoedelijk door Maria van Perwez, vrouwe van Ninove. De oude statuten, verleend door Nicolaas, bisschop van Kamerijk, dateren van 1268. Het ziekenhuis bevond zich intra muros, nabij de Grote Markt, de huidige Oud Strijdersplaats.

Het Hospitaal en de kapel werden herbouwd tussen 1763 en 1776.

In 1789 werd door de Franse overheid vastgesteld dat de zusters geen zieken meer verzorgden en besloot deze overheid om het hospitaal aan te slaan en te verkopen.

Het Hospitaal werd bij gebrek aan kopers het burgerlijk hospitaal van Ninove en nog vóór de eeuwwisseling verlieten de zusters het huis.

In 1803 begon het religieus réveil van het hospitaal, wanneer in de kapel terug de mis wordt gelezen.

Vanaf 1838 oordeelde men bij de oprichting van de congregatie van de zusters van de Heilige Harten, dat deze congregatie bekwaam zou zijn om het burgerlijk hospitaal te bedienen. De zorg voor de arme zieken was immers de tweede doelstelling uit hun leefregel. De stad deed steeds meer een beroep op deze zusters, die inmiddels ook geschoolde medische hulp konden bieden. De grootste zorg van de zusters ging uit naar de bejaarden in het rustoord van het hospitaal. Het burgerlijk hospitaal van vroeger bleef al die tijd onder gemeentelijk toezicht; het veranderde in COO en later in OCMW-hospitaal. Door de reorganisatie van het OCMW-Ninove in 1985 kregen de zusters het statuut van het lekenpersoneel. Een overeenkomst tussen het OCMW-bestuur en de congregatie bevestigde dit statuut. Sinds het OCMW-hospitaal geen acuut ziekenhuis meer was, maar enkel nog een rust- en bejaardentehuis, werd de activiteit van de zusters er systematisch afgebouwd.

De congregatie van de zusters van de Heilige Harten had in 1936 ondertussen een groot rentenierspand gekocht op de hoek van de Biezenstraat en de Lavendelstraat. In een half jaar tijd werd dit pand omgevormd tot een kliniek. Dit nieuwe ziekenhuis werd ingewijd in 1937.

De schade van het begin van de oorlog tastte de groei van de kliniek niet aan, ook niet tijdens de oorlogsjaren. Na de oorlog werd in een decennium tijd het ziekenhuis uitgebouwd. In maart 1946 kwam in de tuin een vleugel bij met een nieuwe ziekenhuiskapel. In 1950 zette men er een verdieping bovenop en nog eens 4 jaar later bouwde men er nog een verdieping boven. De laatste grote bouw dateerde van 1958: een dwarsvleugel op de nieuw aangekochte eigendom, oostwaarts van de kliniek. Tegelijk werden in deze periode geregeld aanpalende woningen opgekocht om de uitbouw mogelijk te maken. Het groeiend aantal medische specialisaties maakte ook van het Heilige Hartenziekenhuis een gezondheidscentrum met een grote allure voor de Ninoofse regio.

In 1971 gaf de congregatie het beheer van de kliniek in handen van een lekendirecteur. De volgende stap naar de professionalisering was de overdracht van het beheer in 1976 aan de vzw Heilige Hartenziekenhuis Ninove. In 1986 begon evenwel een neerwaartse beweging die uiteindelijk tot het verdwijnen van een acuut ziekenhuis in Ninove zou leiden.

Men besliste in 1994 nog wel om de ziekenhuisactiviteiten in Ninove verder te zetten. Op termijn was echter een grondige herstructurering nodig. Eind 1994 werd de materniteit gesloten en werd het aantal bedden afgebouwd. De uitbating van het ziekenhuis kwam in 1994 in handen van een nieuwe vzw ‘Nieuw Ziekenhuis Ninove'. Met ingang van dezelfde datum trad de vzw ook toe tot de ziekenhuisgroepering Gasthuiszusters van Antwerpen, waarna de vzw Heilige Harten Ziekenhuis in vereffening ging. Er kwam nadien nog een fusie met het AZ Heilig Hart in het Brabantse Asse. Het Nieuw Ziekenhuis Ninove stopte in 2001 de activiteiten als acuut ziekenhuis. Een dag later ging het Medisch Centrum Ninove van start, onder de vleugels van het Onze-Lieve-Vrouwziekenhuis van Aalst. Er zijn geen zusters meer actief in het Medisch Centrum.

In 2021 verhuisde de congregatie van de zusters van de Heilige Harten naar de Kloosterweg, tegenover de Abdijkerk. De congregatie heeft geen enkel bijhuis meer en de Ninoofse zusters zijn nog de enige zusters van de Heilige Harten in Vlaanderen.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be; Ninofmedia.tv/7-eeuwen-vrouwelijke-religieuzen-in-Ninove.pdf)



7. Grauwzustersklooster

Tegen de "Begijnenbrug", op het einde van de Burchtstraat, was er aanvankelijk een begijnhof, opgericht omstreeks 1258.

Op deze plaats werd na verschillende tussenstappen in de 19e eeuw het Klooster der Heilige Harten van Jezus en Maria opgetrokken, dat werd aangepast in de 20e eeuw.

Deze plaats heeft een indrukwekkend verleden.

In 1137 werd de Abdij van Ninove opgericht in het noordelijke deel van de stad Ninove.

Omstreeks 1187 kregen de zusters van Ninove aanzienlijke bezittingen in het nabijgelegen Brabantse Ledeberg-Pamel.

Het bleek naderhand een vergiftigd geschenk, want de norbertinessen bleven er verkommerd achter. Na de teloorgang van deze stichting konden devote vrouwen uit en rond de stad wel nog terecht in de cisterciënzerinnenabdij Beaupré van Grimminge, dat gesticht was in 1228 door Aleidis, vrouwe van Boelare.

Rond 1300 werd te Ninove een begijnenconvent opgericht. Ten tijde van de kruistochten, toen vele mannen naar het Oosten trokken en een groot aantal er sneuvelde of stierf aan een of andere ziekte, bleven vele vrouwen hier achter als weduwe of alleenstaande. In hun eenzaamheid keerden de vromen zich tot God en zo ontstond een beweging van gehuwde en ongehuwde vrouwen, die hun leven wilden wijden aan God. Ze leefden van hun eigen handenarbeid in onthechting en onthouding. Ze voelden zich niet geroepen tot het traditionele kloosterleven, maar ook niet tot het gewone leven. Vrij spoedig kregen zij de naam begijnen. In het begin van de 13e eeuw gingen een aantal begijnen samenwonen in de buurt van hospitalen of gasthuizen, waar ze overdag werkten. Zo ontstonden in Vlaanderen de begijnhoven.

Vermoedelijk is dat convent eerst rond 1300 bewoond geweest door begijnen. Het hof lag beschut achter de aarden stadswal en de vestgracht langs de linker Denderoever. De kapel en het naastliggende convent stonden haaks op de Burchtstraat en keken uit op het hospitaal, dat er al in 1268 was gesticht en de begijnen mogelijk had aangetrokken.

In 1488 verscheen een grote legerbende van keizer Frederik II voor de stadspoorten. De Begijnenbrug en alle andere stadsbruggen werden vernield.

In 1500 was het vervallen convent inmiddels eigendom geworden van de stad.

Vanaf het jaar 1500 begonnen de zogenaamde grauwzusters een « susterhuys » te maken van het vroegere begijnhof. De laatste begijn, die al bejaard was, mocht de rest van haar leven slijten in het oude begijnhof.

Reeds sinds 1489 verzorgden de grauwzusters van Viane bij Geraardsbergen de gekwetsten van de grote oorlog, waarin het begijnhof haast was ten onder gegaan.

De zusters waren uitdrukkelijk de verzorging van de zieken thuis opgedragen. Ninove was de laatste vreselijke pestepidemie van 1483 niet vergeten. In hun grote onrust vroegen de Ninoofse magistraten en alle inwoners hulp en redding bij de grauwzusters van Viane om in tijden van pest dag en nacht de pestlijders bij te staan. Die vraag kwam de grauwzusters gelegen, want hun klooster in Viane was overbelast en een nieuwe stichting zou een welgekomen oplossing betekenen.

In 1500 werd een akkoord gesloten tussen de grauwzusters en de stad.

Zij mochten in het oude begijnhof komen wonen en de kapel gebruiken; alles was wel erg vervallen, maar de stad zou de herstelling zelf bekostigen. In tijden van pest werd van de zusters verwacht dat ze de ongelukkigen, arm of rijk, dag en nacht liefdevol bijstonden.

In de vroege 16e eeuw moest de stad vaak een beroep doen op de liefdevolle handen van de zusters tijdens de pestepidemieën van 1517, 1523 en 1529. Ninove heeft de 16e eeuw afgesloten met een lange reeks van pestepidemieën van 1571 tot 1584, die ook jaren waren vol oorlog en honger. In die periode werden geen grauwzusters in de nabijheid van de pestlijders vernoemd. Misschien was het ze teveel geworden in een stad, die letterlijk en figuurlijk zo goed als geruineerd was. In 1595 bijvoorbeeld was de kapel van het convent, die een eeuw eerder was verwoest, nog altijd niet heropgebouwd.

De 17e eeuw is daarentegen vrij mild geweest voor de grauwzusters. Juist vóór een der laatste grote pestepidemieën in 1667 vroegen ze om ontlast te worden van hun opdracht: het verzorgen van de pestlijders. Op dat ogenblik waren reeds 7 grauwzusters uit het ,,susterhuys’’ vertrokken om toe te treden tot de premonstratenzerorde van de Ninoofse abdij.

De grauwzusters verschaften toen reeds onderwijs aan leerlingen uit de stad en omliggende. Tussen 1672 en 1796 werd het « susterhuys » bewoond door de zogenaamde penitenten-recollectinen. De penitentenzusters zetten de onderwijstraditie voort.

In 1796 werden verschillende geestelijke instellingen afgeschaft. Waarschijnlijk vertrokken de zusters in 1797 uit het klooster. In 1798 werden de goederen verkocht.

In 1805 brandde het klooster af.

Het ‘susterhuys’, tegenover het burgerlijk hospitaal gelegen, werd na de brand van 1805 weer bewoonbaar gemaakt omstreeks 1836 en in kleine huizen verdeeld.

Het voormalige penitentenklooster werd in 1836 verkocht. De verkoopakte stipuleerde, dat deze goederen nooit meer naar een wereldlijke persoon mochten overgaan en ze enkel mochten worden gebruikt voor de oprichting van een geestelijk gesticht, dat een armenschool of een ander werk van naastenliefde moest beginnen.

Er werd reeds in hetzelfde jaar een school opgericht in het oude penitentenklooster door de zusters van de Heilige Harten.

Zo kwam er opnieuw een zustercongregatie – de derde na de grauwzusters en de penitenten – binnen de muren van het ‘susterhuys’. Het ideaal van deze nieuwe stichting – een leven aan god gewijd in dienst van onderwijs en ziekenzorg – sloot nauw aan bij de oude tradities van het huis.

In het schooljaar 1841-1842 werd er een tweede zusterschool opgericht in het oude Sint-Jorishof, in 1840 geschonken aan de zusters van de heilige Vincentius uit Deftinge. In 1876 werd het Sint-Jorishof door de zusters van Deftinge aan de zuster van de Heilige Harten verkocht.

In 1919 werd het huis overgedragen aan de parochiale werken van Ninove.

In de loop van de daaropvolgende decennia is het onderwijs van het « susterhuys » verder geëvolueerd en uitgebreid. Er ontstonden een kleuterschool, een lagere school, een middelbare school, een handelsafdeling, een beroepsschool, een avondberoepsschool, een huishoudschool, een bijzondere cursus voor kleermaaksters en een BLO-school.

(Bronvermelding : Onroerenderfgoed.be ; Ninofmedia.tv/7-eeuwen-vrouwelijke-religieuzen-in-Ninove.pdf)



8. Grote Markt

De Grote Markt die wordt aangeduid op de prent van Sanderus is de huidige Oud Strijdersplaats in Ninove.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)



9. Varkensmarkt

Enkel de westelijke helft van de huidige Graanmarkt van Ninove, tot aan het Despauteerstraatje, besloeg vroeger de eigenlijke historische Graanmarkt. Op dit deel was de enorm grote graanhal gelegen.

Het oostelijke deel van de markt vormde vroeger de Varkensmarkt (“Forum porcarium” volgens Sanderus).

Op de wekelijkse marktdag (dinsdag) werd er druk verhandeld op de Varkensmarkt.

Op de “Varkensmarkt” werd niet louter vee verhandeld; er werd ook leder bewerkt. Er waren leerlooiers en schoenmakers gevestigd.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)



10. Graanmarkt

De Graanmarkt van Ninove die hier op de prent van Sanderus te zien is, toont de situatie van omstreeks 1640 en is geen weerspiegeling van haar huidige vorm.

Enkel de westelijke helft van de huidige markt, tot aan het Despauteerstraatje, beslaat de historische Graanmarkt. Het oostelijke deel van de markt vormde vroeger de Varkensmarkt.

Het belangrijkste element op de Graanmarkt vormde de graanhal. Wanneer deze precies is opgericht, is niet geweten, maar de oudste vermelding ervan dateert uit 1334.

Het gebouw was meer dan 30 m lang en 10 tot 15 m breed.

Een eerste versie van de graanhal bestond waarschijnlijk uit hout. Wellicht is het verschillende keren afbranden van het gebouw de oorzaak en de directe aanzet geweest voor een verstening. Het gebouw werd, zeker na 1420, opgetrokken uit baksteen en arduin, en had een dakbedekking van tichels en stro. De gewelven werden ondersteund door rijen zuilen.

Uit deze prent van Sanderus kan worden afgeleid dat het gebouw bestond uit 2 evenwijdig naast elkaar liggende langwerpige gebouwen, met daartussen een gaanderij.

Het is niet zichtbaar op deze prent van Sanderus, maar aan de westzijde zou de graanhal voorzien zijn geweest van een dwarsbeuk met in het midden een toegangspoort. Mogelijk betrof het een poortgebouw. Het is aannemelijk dat dit poortgebouw pas na de opmaak van de prent van Sanderus werd gebouwd, in de tweede helft van de 17e eeuw.

De oorspronkelijke eigenaars van de graanhal waren de Heren van Ninove. Hoewel in de graanhal graan werd gestockeerd en laken verhandeld, was dit niet de enige functie die haar werd toegekend. De graanzolders fungeerden er als een tijdelijke opslagplaats, zowel voor de heren van Ninove zelf als voor de graankooplieden.

De graanhal was ook voorzien van een stookplaats waar gloeiende houtskool werd in gelegd om tijdens vochtige periodes het graan, dat op de zolders van de hal opgeslagen werd, droog te houden.

De stad had van de bisschop van Kamerijk tevens de toestemming gekregen om misdiensten te laten uitvoeren in de hal en in 1367 stond graaf Lodewijk van Male als heer van Ninove toe dat de schepenen van Ninove op de zolder recht spraken.

De graanhal onderging in de loop der eeuwen vele aanpassingen en werd talloze malen vernieuwd, om dan in de loop van de 18e eeuw sterk aan belang in te boeten. Ontdaan van haar oorspronkelijke functies devalueerde ze vanaf 1710 tot een verblijf voor soldaten en/of de troepen van het garnizoen of een opslagplaats voor hooi en stro.

Op de wekelijkse marktdag (dinsdag) werd er druk verhandeld, niet alleen in de graanhal maar ook op bijvoorbeeld de Varkensmarkt. Tal van goederen werden er aan de man gebracht, niet enkel laken, granen en zuivelwaren. Voor bepaalde producten werden specifieke standplaatsen voorzien.

Tegen het midden van de 19e eeuw was de graanhal vrijwel volledig afgebroken.

In 1840 was de graanhal volledig verdwenen en restte er enkel een klein gebouwtje vrij centraal op het plein, dat mogelijk werd gebruikt als het gildehuis van de Rederijkers.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)



11. Kasteel

Het Kasteel dat zichtbaar is op de prent van Sanderus is het zogenaamde “Oude Hof” of “’t Hof van Doremont” te Ninove.

Het zogenaamde “Huis Doremont” op de Graanmarkt is het enige overblijfsel van het zogenaamde Hof van mijnen Heere van Poictiers in de Belgische stad Ninove in de provincie Oost-Vlaanderen. Het is een van de oudste gebouwen in de stad.

Vermoedelijk stamt het hof uit de 10e of de 11e eeuw, en dus van voor het ontstaan van de stad Ninove. Het moet toen “Hof van mijnen Heere van Poictiers” geheten hebben, verwijzend naar een onbekende heer van Poitiers.

Op het einde van de 14e eeuw werd het hof, dat toen het Dijnshof heette, bewoond door de hoogbaljuw van Ninove, Janne de Dijn. In de 16e eeuw kwam het in de handen van een nieuwe hoogbaljuw, ditmaal Karel van Poitiers, de heer van Vadans en Dormans. De naam Dormans raakte ingeburgerd in de volksmond, waardoor er over La court de Dormans, en later over “’t Hof van Doremont” werd gesproken.

Het hof, dat een soort burcht was, had een vierkant grondplan en ronde torens. Het werd omringd door grachten, aansluitend bij de Nieuwe Dender.

Hierdoor bevond het zich op een eilandje dat via een brug, de Dijnsbrug, met de huidige Graanmarkt verbonden was.

De brug was te bereiken via het poortgebouw, dat vermoedelijk dienst deed als portiershuis. Het hof werd in de tweede helft van de 19e eeuw afgebroken, met uitzondering van het poortgebouw dat de naam Huis Doremont kreeg.

Een archeologische studie uit 2015 wees uit dat er nog veel middeleeuwse relicten te vinden zijn rondom het huis, die afkomstig zijn van het hof.

Na de afbraak van het hof vestigde er zich in het huis een café, “’t Kelderken”. Onder de naam “Raadskelder” vestigde er zich later een spijshuis. Deze naam verwees naar de carnavalraad die hier zijn vergaderingen hield. Later huisden er ook een pitazaak, een Egyptisch restaurant en een bloemenwinkel, totdat er zich in 2015 opnieuw een café vestigde, onder de naam “’t Café”.

In 2021 vond er een brand plaats in het woongedeelte boven het café, waarbij de bewoonster zwaar gewond raakte.

Thans (2025) bevindt er zich opnieuw een restaurant in het gebouw.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)



12. Oude Burcht

De voormalige middeleeuwse burcht werd verbonden met de Grote Markt (huidige Oudstrijdersplaats) door de huidige Burchtstraat. 

Het castrum, de Oude Burcht, werd waarschijnlijk rond 1100 door de Heren van Ninove gebouwd als een verdediging naar het oosten, misschien op de plaats van een eerdere, primitieve burcht. Deze versterkte burcht bevond zich buiten de omwalde stadskern. Het betrof een motekasteel op de rechteroever van de Dender, een strategisch zeer belangrijke plaats bij de grens met Brabant.

De heren van Ninove werden na 1056 vazal van de graaf van Vlaanderen en hielden de heerlijkheid Ninove in leen.

Zij behoorden in de 11e en 12e eeuw, als stalmeesters van de graaf, tot de absolute Vlaamse topadel.

De bouw van de Oude Burcht in Ninove moet worden gezien in de verdedigingspolitiek van Boudewijn V, Graaf van Vlaanderen die, bij uitbreiding van het graafschap in oostelijke richting, diverse strategische locaties op de nieuwe grens met het Duitse Rijk liet versterken. De Dendervallei vormde een natuurlijke grenszone tussen beide politieke entiteiten en speelde een belangrijke rol in de verdediging van het graafschap. Wellicht is de vrij grote omvang van de burchtsite ook daardoor te verklaren.

De vroegste vermelding van de burcht van Ninove dateert uit 1134. In dezelfde periode doken ook de eerste met naam gekende heren van Ninove in historische bronnen op. De Oude Burcht van Ninove wordt beschouwd als een van de vroegste moteversterkingen in de Denderstreek en bij uitbreiding in Vlaanderen.

Dit castrum was ingeplant tussen twee Denderarmen (huidige Pol De Montplein en omgeving) en omringd door muren met torens en vestgrachten die onmiddellijk aansloten bij de stadsomheining.

De Oude Burcht van Ninove situeerde zich aan de zuidelijke rand van de historische stadskern van Ninove.

De site situeert zich vandaag ten zuiden van de Dender, maar ten tijde van de opwerping stroomden er in dit gebied verschillende Denderarmen waarop de motegrachten aansluiting vonden.

De Oude Burcht had een tweeledige structuur met een opper- en neerhof.

De Oude Burcht was voorzien van brede motegrachten, een ringmuur rond een opper- en neerhof, een donjon, talrijke nutsgebouwen en een “Kruiskapel”, waar relieken van het Heilig Kruis bewaard werden.

De grachten rond het opper- en neerhof hadden een breedte van om en bij de 30 meter. Aan de kant met het Paul de Montplein leek de gracht het wijdst.

In 1996 werden bij een archeologisch onderzoek op het Paul De Montplein resten aangesneden die ooit deel uitmaakten van onder meer het poortgebouw van de burcht.

Een deel van de middeleeuwse burchtsite is tot op vandaag onbebouwd gebleven. Een deel daarvan is ingericht als recyclagepark.

Het vroegere opperhof en het zuidelijk deel van het neerhof vormen vandaag een stadsbos. De noordelijke zijde van het neerhof, langs het Paul De Montplein, werd overbouwd.

Aan de noordzijde is de Burchtdam nog een relict van de oude gracht rond het neerhof van de Oude Burcht.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)