De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




MOEN - KASTEEL TE MOUDEN


(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)




Op deze prent is het thans verdwenen kasteel van Moen (West-Vlaanderen) te zien. Dit kasteel bevond zich op het domein van het “Goed Te Mouden” in Moen. Moen is thans een deelgemeente van Zwevegem.

Volgens H. Bierre, auteur van een geschiedenis van Moen, verschenen in 1875, stortte het torentje in 1815 in.

Het “Goed Te Mouden” is steeds de belangrijkste hoeve geweest op het grondgebied van Moen. De dorpskom is immers als woningconcentratie ontstaan rond deze hoeve en de kerk, die ook op haar grond stond. Het was het centrum van de heerlijkheid en het graafschap van Moen, en bezat een leenhof, waarvan niet minder dan 59 lenen afhingen. De hofstede ligt op 100 m ten oosten van de kerk en paalt aan Moenplaats.

De geschiedenis van de hoeve heeft steeds in het teken gestaan van het bijhorende kasteel als centrum van de aanzienlijke heerlijkheid — later ook graafschap — Moen.

In de 13de eeuw werden er in oude documenten al heren van Moen vermeld.

Moen was een feodaal erg versnipperd dorp. De parochie was gelegen op de grens van twee gewesten, het gedeelte onder het graafschap Vlaanderen ressorteerde onder twee kasselrijen namelijk de kasselrij Oudenaarde en de kasselrij Kortrijk met onder meer de kerk en het kerkhof; een kleiner deel viel onder de kasselrij Doornik. De dorpsheerlijkheid, het Hoge Hof van Moen met als kern het grote kasteel lag verspreid over de twee kasselrijen. De heerlijkheid hing af van de Burg van Ninove en telde in 1612 maar liefst 59 achterlenen. Rondom het Hof van Moen en de kerk was er een woningsconcentratie met een brouwerij en een herberg.

In de 13de eeuw werd het eerste kasteel aan de Moenplaats opgetrokken; waarschijnlijk was het een torenconstructie in Doornikse steen.

De heerlijkheid was van de 11de tot 17de eeuw eigendom van leden van de familie de Barnaige, die belangrijke bezittingen had in Vlaanderen en Brabant. Op het einde van de 11de eeuw huwt Jan de Barnaige met Margarita van Mouwe, waardoor de heren de naam van Mouwe (Moen) aannemen.

Sinds de 14de eeuw waren de Barnaiges heren van Moen.

Tijdens de 16de eeuw wordt het oude kasteel verbouwd tot een heerlijke verblijfplaats. Door het huwelijk van Margareta Bernaige, vrouw van Moen, met Frederic van Marselaer, volgde het geslacht van Marselaer in 1670. Na de dood van Philippus Joseph van Marselaer, die in 1718 kinderloos stierf, werd de heerlijkheid gekocht door Ferdinand Joseph de Virmal de Falierand, die het bij zijn overlijden naliet aan Ignace Ferdinand de Croix, heer van Dadizele. Hem werd op 24 september 1718 de titel van graaf toegekend, gehecht aan «Den Hoge Hove van Mauwe in Vlaanderen». Zijn graafschap is gegroeid uit de vele, kleine heerlijkheden in Moen. De hoeve bleef tot in de 19de eeuw eigendom van zijn nageslacht.

Het Goed te Moen bestond uit een complex, rechthoekig geheel van omwallingen. De afmetingen bedroegen niet minder dan 190 x 170 m; de breedte van deze watergrachten schommelde van 10 tot 30 m.  Enkele binnengrachten zorgden ervoor dat het kasteel, de hoeve, de tuin en de boomgaard afzonderlijk omwald waren; deze binnengrachten werden alle tijdens de 19de eeuw opgevuld.

Het uitzicht van dit uniek geheel is ons zeer goed bekend dank zij enkele oude afbeeldingen.

In 1641 was het kasteel (volgens Sanderus) een waterkasteel met een ronde duiventoren en een zware, vierkante toren.

De hoeve bestond uit losstaande bebouwing; het woonhuis en de schuur werden afgebeeld met trapgevels, wat op baksteenarchitectuur wijst.

Eind 17de, begin 18de eeuw had Moen heel wat te lijden van de voortdurende bezettingen. Met de regelmaat van een klok werd het kasteel hersteld, bezet of uitgeplunderd. Niet alleen werd ook de hofstede beschadigd, maar werd er ook het vee aangeslagen of gestolen.

We vonden het ook terug in het landboek van Moen, opgemaakt in 1761.

Laat-18-de-eeuwse archivalia vermelden herhaaldelijk de verschillende delen van de hoeve: de buitenboomgaard, de Ommeloop, de hof van het kasteel, de wal, de mestput, de koe- en paardenstallen en de dreef.

Het kasteel bleef tot in 1802 bewoond en werd toen op last van de graaf gedeeltelijk afgebroken. In tegenstelling met de meeste adellijke of kerkelijke bezittingen in onze streken, werd het kasteel van Moen niet aangeslagen door de Franse revolutionairen. De eigenaar verbleef tijdens die woelige periode in Brussel, terwijl zijn baljuw het kasteel tot 1800 bewoonde.

Toen Séraphin Vermote het in 1813 tekende, was de helft — met de grote toren — al volkomen verdwenen. De duiventoren stortte in 1815 met oorverdovend gedruis ineen. Sindsdien zijn de resten stuk bij stuk verdwenen, op een kelder na, die nu als zwembad gebruikt wordt.

In 1822 werd het kasteel volledig afgebroken; het neerhof met de kasteelhoeve "ter Moude" of het "hof van Moen" bleven behouden.

In 1893 brandde de eeuwenoude hoeve vrijwel volledig vernield uit. Hoewel de brand zo goed als alle oudere gebouwen vernield heeft, is het hof van Moen toch waardevol als bouwkundig geheel; de gebouwen werden namelijk in een zeer zuivere, homogene stijl opgetrokken en zijn typisch voor de late 19de eeuw.

Thans heeft deze omwalde hoeve een halfgesloten bebouwing, die echter pas na de brand ontstaan is.
Op de plaats van het vroegere kasteel staan nu twee afzonderlijke gebouwen, nl. een bergplaats — tijdens de oorlog als school gebruikt — en een tabaksast, die nu aangewend wordt voor het drogen van graan. Opgravingen door de Archeologische Stichting voor Zuid-West-Vlaanderen hebben er resten van twee opeenvolgende kastelen aan het licht gebracht. Het oudste, vermoedelijk van de 13de eeuw, werd eind 16de eeuw omgebouwd tot het verblijf van de heren van Moen.

(Bronvermelding: Wikipedia, Onroerenderfgoed.be)