De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




MARKEGEM  -  GOED TER HOYEN


(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)




Op deze prent van Sanderus zijn het opperhof en het neerhof van het zogenaamde “Goed Ter Hoyen” te zien in Markegem, zoals dit er omstreeks 1640 moet hebben uitgezien.

Markegem is thans een deelgemeente van Dentergem in de provincie West-Vlaanderen, samen met Wakken en Oeselgem.

De naam Markegem is volgens de literatuur afkomstig van een combinatie van de Germaanse termen Markinga en Haim wat duidt op een woonplaats van de lieden van Marko. In de 5e-6e eeuw zou de leider van een groep Frankische inwijkelingen, vermoedelijk een zekere Marko of Markwald, zijn naam aan het dorp hebben gegeven. Mogelijk vestigde een lokale heer zich op de plaats of in de omgeving van een centrale dorpshoeve, mogelijk het "Goed Ter Hoyen", gelegen ten westen van het dorp, bij het samenvloeiingsgebied van de Mandel en Oude Mandel. De oudste schriftelijke vermelding van Markegem dateert uit 1103.

In de vroege middeleeuwen vormden twee hoeves de basis van het grondgebied van Markegem. Het "Goed Ter Hoyen" en het "Goed Te Ronneke", naar verluidt respectievelijk Frankisch en Gallo-Romeins van oorsprong.

In de nabije omgeving van deze beide hoeves waren de grootste percelen gesitueerd, wat wijst op een vroege ontginning. Ten westen van de kerk bevinden zich recentere ontgonnen percelen: deze zijn eerder klein en langwerpig van vorm en dateren uit de ontginningsperiode van de 11e-13e eeuw.

De naam van het "Goed Te Ronneke" zou verwijzen naar het Keltische woord voor ringvormige versterking. Deze site was dan ook vroeger voorzien van een (nu verdwenen) achtvormige omwalling. De ligging ervan, aan de benedenrand van de Oostkouter, in de nabijheid van de Saaisenbeek en haar meersen was typerend voor een Gallo-Romeinse nederzetting.

Het "Goed Ter Hoyen", bevindt zich nabij de samenvloeiing van de Mandel en de Oude Mandel. Hiervan is de achtvormige omwalling wel bewaard, evenals het opperhof in de vorm van een mote met een restant van het kasteel erop.

Onder de Karolingers (714-843) behoorde Markegem tot de kasselrij Kortrijk, die op haar beurt verdeeld was in vijf roeden. Markegem viel onder de Roede van Tielt.

De benedictijnenabdij van Saint-Amand-les-Eaux bezat in de vroege middeleeuwen in Markegem een aaneengesloten blok landerijen vermoedelijk teruggaand op het oorspronkelijke Frankische domein.

Dit geheel werd op het einde van de 9e of in de 10e eeuw gesplitst in drie lenen, die alle direct of indirect afhingen van de Sint-Amandsproosdij in Kortrijk, beheerder van de West-Vlaamse bezittingen van de abdij van Saint-Amand-les-Eaux.

In 1107 bevestigde de toenmalige paus nogmaals het bezit van gronden van Markegem met hun vermogen en afhankelijkheden, onder andere de heerlijkheid "Te Ronneke" en de dorpsheerlijkheid "Ter Kercken" door dezelfde abdij (Sint-Amand-les-Eaux). Tijdens deze periode werd de basis gelegd voor het feodale systeem van lenen en achterlenen die de ontwikkeling van de gemeente tijdens de middeleeuwen verder kenmerkten.

De heerlijkheid "Te Ronneke" bevond zich ten zuidoosten van de kerk en werd beheerd vanuit een hoeve met een achtvormige omwalling en met een bijhorend kasteel op het opperhof.

De dorpsheerlijkheid "Marckeghem" of "Ter Kercken" was een leen van 't Sint-Amandsche in Wingene, op zijn beurt een leen van de proosdij van Kortrijk en dus een achterleen van de abdij van Saint-Amand-les-Eaux. De kerk bevond zich op het grondgebied van deze heerlijkheid; de heer ervan was tegelijk dorpsheer. Een derde leen van deze abdij, "Den Bruwelsput", bevond zich ten westen van de kerk, aan de Brouwerijstraat.

Ook de heerlijkheid "Ter Hoyen", een achterleen van de Gentse Sint-Pietersabdij speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van het dorp. Deze heerlijkheid besloeg nagenoeg geheel de noordelijke helft van Markegem, boven de Oude Mandel.

Vanaf 1504 kwam de dorpsheerlijkheid in het bezit van de heer van "Ter Hoyen", waardoor deze zich naast heer van de grootste heerlijkheid ook dorpsheer mocht noemen. In 1662 kwam ook de heerlijkheid "Te Ronneke" in handen van de dorpsheer, en waren dus de 3 belangrijkste heerlijkheden in dezelfde handen.

Op het Markegemse grondgebied bevonden zich twee kastelen.

Een eerste nam de mote op het opperhof van "Ter Hoyen", aan de samenvloeiing van de Oude Mandel en de Mandel, in beslag en werd voor het eerst vermeld in 1377.

Het is dit kasteel “Ter Hoyen” of Kasteel van Markegem dat staat afgebeeld op deze prent van Sanderus.

Op het ogenblik dat Sanderus het kasteel afbeeldde in de Flandria Illustrata was het verval reeds ingetreden en in 1710 werd enkel nog de kelder gebruikt.

Het neerhof, de omwalde hoeve Goed Ter Hoyen bestaat nog en is gelegen langs de huidige Tieltstraat in Markegem.
Ten westen van het opperhof bevindt zich een, door het rechttrekken van de Tieltstraat, afgesneden arm van de Mandel.

De steeds weerkerende overstromingen werden opgevangen door de omgrachting en het ophogen van het erf. In de onmiddellijke omgeving van de site zijn de percelen groot en onregelmatig van vorm, wat wijst op een vroege ontginning van het land.

Van alle middeleeuwse heerlijkheden in Markegem was het burggraafschap "Ter Hoyen" de belangrijkste. Deze nam ongeveer de gehele noordelijke helft van de gemeente in beslag en omvatte ook gronden in de omringende gemeenten.

In de 9e-10e eeuw werd de Frankische herenhoeve omgevormd tot een heerlijkheid. Tussen de 10e en de 13e eeuw werd de heerlijkheid gevormd vanuit het foncier, die vermoedelijk overeenkomt met het grondgebied van de hoeve tijdens de Frankische periode. In 1287 werd Willem van der Hoyen genoemd als leenman in Markegem van de Graaf van Vlaanderen en in 1300 werd "Ter Hoyen" vermeld als achterleen van de Sint-Pietersabdij te Gent.

In het begin van de 15e eeuw kwam het goed in handen van de Gentse familie Uutenhove, die door het verkrijgen van de dorpsheerlijkheid "Ter Kercken" dorpsheren van Markegem worden. De Uutenhoves werden omwille van hun protestantse overtuiging gezocht door de inquisitie die in 1557 het kasteel binnenviel. De kasteelheer, Karel Uutenhove kon naar Duitsland vluchten. In 1569 werd hij, samen met zijn oudste zoon Niklaas, en zijn derde zoon Karel, voor de Raad van Beroerten gedaagd en bij verstek verbannen, waarbij zijn resterende goederen in het Gentse in beslag genomen werden.

In 1545 had Karel "Ter Hoyen" echter reeds nagelaten aan zijn oudste zoon, Niklaas, waardoor het in handen van de familie bleef. In 1595 liet deze bij zijn dood "Ter Hoyen" na aan zijn jongere broer Jacob, die de heerlijkheid (samen met de dorpsheerlijkheid) verkocht aan ridder Pieter van Steelant.

Via het huwelijk van Margareta van Steelant, dochter van Pieter, kwam het "Goed Ter Hoyen" in handen van de Luxemburgse adellijke familie du Faing. Onder de zoon van Margareta, Jacques-Joseph du Faing, werd de heerlijkheid verheven tot burggraafschap. Op dat ogenblik was het kasteel reeds in verval, zoals blijkt uit deze prent van Sanderus. In 1710 werd enkel nog de kelder van het kasteel gebruikt.

Het is niet duidelijk of het gebouw dat nu nog op de mote werkelijk een restant is van het kasteel, of een gebouw dat opgebouwd is uit materialen afkomstig van het vervallen kasteel.
Jacques-Joseph werd opgevolgd door zijn broer, wiens dochter huwde met Eugène de Lannoy de la Motterie. Hun zoon, Chrétien, gestorven in 1822, was de laatste heer van Markegem en "Ter Hoyen".

Het kasteel dat zich op de mote op het opperhof bevindt, wordt voor het eerst vermeld in 1377.

De ets die Antonius Sanderus van het kasteel maakte voor zijn Flandria Illustrata geeft een beeld van het opperhof en neerhof gezien vanuit het oosten. Het gebouw op het opperhof is voorzien van kantelen en het verval was reeds ver gevorderd. In het noordoosten van het opperhof stond een gebouw met trapgevels nog in goede staat en vermoedelijk daterend uit de tweede helft van de 15e of de eerste helft van de 16e eeuw. Rechts van de inrit bevond zich de thans verdwenen kapel, eveneens met trapgevels. Verder was er op het neerhof nog een woonhuis voor de pachter, een wagenkot, een duiventoren, een schuur en een aantal kleinere gebouwtjes.

Vermoedelijk was het kasteel tussen het einde van de 17e eeuw, toen er nog soldatenwachten op het kasteel verbleven, en 1710, wanneer enkel nog de kelder gebruikt werd, onbewoonbaar geworden. In 1942 schreef de toenmalige pachter van de hoeve dat van de resten van het kasteel onder andere een ovenbuur gebouwd werd, waaronder zich nog een overwelfde kelder bevindt, met een vloer in rode tegels. Verder zouden de muren van de thans nog bestaande stallen gemaakt zijn uit materiaal afkomstig van het kasteel.

Vermoedelijk gebeurde dit in de loop van de 18e eeuw, en is het gebouw dat zich thans op het opperhof bevindt hier het resultaat van. De kapel is ingestort in 1759 en nooit weer opgebouwd. De huidige stal dateert vermoedelijk uit 1760.

Omstreeks 1830 werd het kasteelrestant op de mote gebruikt als gevangenis.

In 1882 werd het woonhuis vergroot en voorzien van een achterbouw dwars op het hoofdvolume. In 1883 werd een landgebouw afgebroken en herbouwd. Vermoedelijk ging het hier om het wagenkot, dat zich ten zuidoosten van het woonhuis bevond. In 1894 werd het kasteelrestant op de mote vergroot: in het zuidwesten werd een gedeelte aangebouwd. Het geheel werd in gebruik genomen als cichorei-ast.

Tegenwoordig is nog een (vermoedelijke) restant van het kasteel te zien op de mote, tesamen met een uitbouwsel, met trapgevel, dat er wel pas in 1894 tegenaan gebouwd werd.

Een tweede kasteel bevond zich op het vroegere opperhof van "Te Ronneke" tussen de Kouterstraat en de Saaisenbeek, die de grens met Wakken vormde. Dit kasteel was reeds volledig verdwenen in 1661. Ook de omwalling en de mote hiervan zijn tegenwoordig niet meer te zien.

De 16e en vooral de 17e eeuw waren woelige tijden voor Tielt en omgeving en ook Markegem bleef niet gespaard. In 1566 werd de kerk beschadigd door beeldenstormers en tijdens de aansluitende tachtigjarige oorlog ontvolkte de parochie. Er werd zware schade toegebracht door de jarenlange strijd tussen Spaanse en Nederlandse troepen, en daarna door de acties van de Geuzen. Op het einde van de 16e eeuw lag de kerk nagenoeg volledig in puin. Tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) verbeterde de toestand enigszins en was een langzame opbouw mogelijk.

Vanaf 1632 waren er echter opnieuw troepenbewegingen in Markegem. In 1644 vielen de op gebiedsuitbreiding beluste Fransen Markegem binnen, waarbij opnieuw zware schade aangericht werd aan de gebouwen, onder meer de kerk, die als stalling gebruikt werd door de Franse troepen. De Vrede van Münster (1648) stelde een einde aan de oorlog tussen de Noordelijke Nederlanden en Spanje. De gehele tweede helft van de 17e eeuw werd gekenmerkt door conflicten met de Fransen en vooral tijdens de Negenjarig Oorlog (1688-1694) kreeg de Markegemse bevolking het eens te meer hard te verduren.

Ook tijdens de 18e eeuw bleef Markegem niet gespaard van conflicten: zowel de Spaanse (1702-1713) als de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748) brachten opnieuw Franse troepen naar de omgeving van Markegem, met de ermee gepaard gaande opeisingen, plunderingen en beschadigingen. Met de Vrede van Aken in 1748 kwam er eindelijk voor langere tijd een einde aan deze woelige periode en kende het bevolkingsaantal van Markegem dan ook een sterke stijging tijdens de tweede helft van de 18e eeuw.

Op deze prent van Sanderus is tevens rechts een windmolen te zien. Op het einde van de 19e eeuw werden de twee bestaande windmolens (in de Oostrozebekestraat en in de Tieltstraat) afgebroken.

In deze periode kwam ook de cichoreiteelt op en werden er verschillende cichorei-asten opgericht, onder meer op de mote van "Ter Hoyen".

Markegem bleef grotendeels gespaard van oorlogsschade tijdens de Eerste Wereldoorlog. In 1940 werd Markegem opnieuw door de Duitsers ingenomen. In deze Tweede Wereldoorlog geraakte ongeveer de helft van de woningen in Markegem beschadigd.

Na de Tweede Wereldoorlog nam de verstedelijking van Markegem gestaag toe.

In 1996 verscheen een grondige dorpsgeschiedenis van Frans Hollevoet, getiteld “Markegem, het vermaakelyk dorp”, zoals het in 1735 genoemd werd in de Vlaamse vertaling van Sanderus' Flandria Illustrata.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be; Wikipedia)