De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




LEUVEN - SINT-GEERTRUI-ABDIJ


(Antonius Sanderus – Chorographia Sacra Brabantiae 1659 - Herwerkte editie 1726-1727)




Op deze prent van Sanderus is de herwerkte versie te zien van een prent van de Sint-Geertrui-abdij in Leuven.

Deze prent werd gepubliceerd in de heruitgave in 1726-1727 van de Chorographia Sacra Brabantiae van Sanderus (1659).

Hieronder tonen we ook de originele prent die in de Chorographia verscheen.

De Sint-Geertrui-abdij was een rijke abdij van reguliere kanunniken van Sint-Augustinus in de Halfmaartstraat, nabij de Mechelsestraat in de stad Leuven in de provincie Vlaams-Brabant.

De oorsprong van de Sint-Geertrui-abdij gaat terug tot een 12e-eeuwse kapel die in 1206 door hertog Hendrik I van Brabant werd omgevormd tot een priorij van reguliere kanunniken van Sint-Augustinus.

De nieuwe kerk van de priorij, waarvan de bouw kort na 1206 werd aangevat, werd in 1252 ook parochiekerk van de nieuw opgerichte Sint-Geertrui-parochie, één van de parochies in de Leuvense binnenstad die was afgesplitst van de aloude Sint-Pietersparochie.

Dankzij een schenking door hertog Jan I in 1298 werd de kerk verder uitgebouwd en het priorijdomein uitgebreid tot zijn definitieve oppervlakte op beide oevers van de Dijle.

Na een brand, die in 1326 een groot deel van de bebouwing in de Sint-Geertruiparochie trof, werden verschillende verbouwingen uitgevoerd.

Na de verheffing van de priorij tot abdij in 1449 werden kerk en kloostergebouwen verfraaid en uitgebreid.

De abdij bezat talrijke landerijen en hoeves. Binnen de Leuvense omwalling bezat ze wijngaarden met een bijhorend, nog steeds bestaand, wijnpershuis.

De Sint-Geertrui-sluis was een van de waterpoorten van Leuven.

In de schaduw van de abdij ontstond het Klein Begijnhof, waarschijnlijk als een gemeenschap van werkzusters in de abdij.

Zeker is dat het Begijnhof nog tot in de 17e eeuw ook parochiaal afhing van de abdij.

Na de opheffing in 1797 werd de voormalige abdij in 1798 openbaar verkocht in drie loten. Het westelijke lot tussen de Mechelsestraat en de Dijle met de abdijkerk, het kloosterpand en de kloostertuin werd in de 19de eeuw ingenomen door een textielververij.

De west- en zuidvleugel van het kloosterpand werden afgebroken en de kloostertuin werd bebouwd met opslagplaatsen en ververijen.

Langs de huizen aan de Mechelsestraat werden werkplaatsen opgericht en op beide oevers van de Dijle werden stapelplaatsen gebouwd.

Het geheel werd in 1911 openbaar te koop aangeboden. Koper was kanunnik Armand Thiéry die de restauratie en reconstructie van de voormalige abdijgebouwen beoogde.

De west- en zuidvleugel van het kloosterpand werden heropgebouwd, geïnspireerd door de oorspronkelijke laatgotische toestand zoals die te zien is op de 17de- en 18de-eeuwse zichten op de abdij.

In de twee nieuwe kloostervleugels en in het 19e-eeuwse gebouw van de blauwververij op de binnentuin bracht Thiéry zijn museum van oude architectuur onder. Hierbij werden diverse oude bouwonderdelen uit Leuvense gebouwen verwerkt in het nieuwe neogotische kader.

Aan de zuidzijde van de vroegere kloostertuin, uitkijkend op de Dijle, liet Thiéry in 1917 het 'Prinsenhof' bouwen. Het bevatte de toegangspoort van het afgebroken 18de-eeuwse Prinsenhof in de Vaartstraat.

In 1917 kochten de benedictinessen van de Luikse abdij La Paix Notre-Dame het domein over van kanunnik Thiéry, die wel nog tot de voltooiing van zijn project in 1930 betrokken zou blijven bij bouw- en restauratiewerken op de abdijsite.

Op de binnentuin, langs de Dijle, werd een neogotische kapel gebouwd die in 1919 in gebruik werd genomen. Op de plaats van de 19e-eeuwse werkplaatsen achter de huizen van de Mechelsestraat kwam de zogenaamde Thiéryvleugel (voltooid in 1922), waarin de benedictinessen huisvesting voor vrouwelijke universiteitsstudenten inrichtten. De als een rij huisgevels uitgewerkte gevel werd bezet met bouwonderdelen die Thiéry had gerecupereerd uit Leuvense panden verwoest in 1914.

Tijdens bombardementen in 1944 werden de abdijkerk en abdijgebouwen zwaar getroffen. De tot dan bewaard gebleven laatgotische noord- en oostvleugel van het kloosterpand werden zo goed als volledig verwoest, evenals de gebouwen die Thiéry op de zuidkant van het terrein had laten bouwen, waaronder de vleugel van het Prinsenhof. Na de oorlog werd de site gedeeltelijk heropgebouwd.

Tussen 1945 en 1948 werden de puinen van de twee verwoeste kloostervleugels geruimd. De natuurstenen laatgotische bouwsculpturen van de twee kloostervleugels werden ondergebracht in de westelijke en zuidelijke kloostergang. De zwaar beschadigde vleugel van het Prinsenhof werd afgebroken samen met de vroegere gebouwen van de blauwververij. Aan de neogotische kapel werd in 1947 een transept toegevoegd. Het kapittelhuis tussen de zuidelijke kloostervleugel en de Dijle werd verbouwd in 1953.

Na de splitsing van de Leuvense universiteit in 1968 verlieten de benedictinessen de gebouwen. De stad Leuven kocht de site in 1978, waarna de verschillende gebouwen gefaseerd werden gerestaureerd en heringericht. De Thiéryvleugel werd omgevormd tot woningen.

Tussen de Mechelsestraat en de Dijle resteren behalve de kerk nog de gereconstrueerde west- en zuidvleugel van het kloosterpand.

De Sint-Geertrui-kerk werd volledig gebouwd zonder nagels (zonder hout) maar volledig in steen. De torenspits valt op doordat hij helemaal opengewerkt is: men kijkt dwars door het stenen geraamte heen. De kerk heeft een beiaard met 37 klokken.

(Bronvermelding: Wikipedia; Onroerenderfgoed.be)