De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




LEUVEN -  BURCHT VAN DE KEIZERSBERG


(Antonius Sanderus – Chorographia Sacra Brabantiae 1659)




Op deze met de hand ingekleurde prent van Sanderus is de burcht te zien van de Brabantse hertogen op de Keizersberg in Leuven, in de huidige provincie Vlaams-Brabant.

Met zijn ruim 8 hectare oppervlakte en zijn hoogte tot om en bij de 52 meter domineert de Keizersberg thans nog steeds het Leuvense stadslandschap.

Keizer Arnulf van Karinthië liet op de Keizersberg een versterking oprichten na de Slag bij Leuven van 891, met een overwinning van de Franken op de Vikingen.

Graaf Godfried III van Leuven liet in 1187 een verblijf voor de Tempeliers bouwen, in de oostelijke zone van de Keizersberg, vroeger ook “Wolvenberg” genoemd. De Orde van de Tempeliers was een geestelijke orde, die op verzoek van Sint-Bernardus van Clairvaux was gesticht in 1128 tijdens het Concilie van Troye.

De Tempeliers richtten er een commanderij op met een aan Sint-Nikolaas gewijde kapel. Deze ridderorde was opgericht na de eerste kruistocht met als doel de verzorging en bescherming van de pelgrims naar en in het Heilig Land.
Leuven was de eerste hoofdstad van het hertogdom Brabant. Op deze plek vestigden de hertogen van Brabant hier ook hun derde burcht.

De burcht op de Keizersberg werd vermoedelijk gebouwd tussen 1200 en 1230 door graaf Hendrik IV van Leuven, alias Hendrik I als eerste "Hertog van Brabant", wellicht als een nieuwe militaire en economische controlepost buiten de intussen (vanaf 1157) opgetrokken eerste stadsomwalling en tegelijk ook als een machts- en statussymbool.

Met Hendrik I zou het hertogelijk hof de toenmalige residentie op ’s Hertogeneiland dus ingeruild hebben voor een nieuwe strategische verblijfplaats, de burcht op de Keizersberg.

De burcht werd opgetrokken naast het complex van de Tempeliers.

Halfweg de 13e eeuw kwam het tot een breuk tussen de stad Leuven en de hertog naar aanleiding van de erfopvolging.

Voortaan zouden Jan I en zijn opvolgers dan ook meer en meer resideren te Brussel, op de Koudenberg, en werd het gezag over de burcht overgedragen op een kastelein, die instond voor het onderhoud van de gebouwen en het domein.

Na de opheffing van de orde door paus Clemens V in 1312 werden de bezittingen van de Tempeliers overgedragen naar de Hospitaalridders van Sint-Jan van Jeruzalem – later ook bekend als de Orde van Malta.

Hun vestiging te Leuven ressorteerde onder de Commanderij van Huppaye (nabij Geldenaken), die afhing van het Grootprioraat van Frankrijk.

Al vanaf de beginjaren van de 14e eeuw onderscheidde de commanderijkapel van de Hospitaalridders zich als een bedevaartsoord, waar aflaten konden worden gekocht.

De stad Leuven wenste Leuven te herstellen in zijn vroegere rol van hertogelijke hof- en residentiestad door de burcht tussen 1375 en 1377 te restaureren.

Van 1380 tot 1389 was in de burcht wel nog steeds het hertogelijke muntatelier gevestigd.

Ook de basisstructuur van de burcht bleef lange tijd een constante.

De hertogelijke burcht was polygonaal van vorm, met een open binnenplein met waterput, omgeven door een weermuur met kantelen en een erker ten zuiden, een weergang ten noorden en een hoge toren en donjon opgenomen in de hoeken.

Men had verder een woonhuis, een grote zaal, een kapel en een keuken en een toegang via een dubbel poorttorengebouw over de droge slotgracht.

In 1454 werd de kapel volledig verbouwd en vanaf deze datum onder de bescherming van Sint-Jan-de-Doper geplaatst.

De kerk werd vanaf dan Sint-Janskerk genoemd. Het werd een heuse eenbeukige, gotische kerk met een hoge vierkante toren voorzien van een rijzige spits (die later werd herleid tot een lager dak).

Het bedehuis was voorafgegaan door een vrij ruim plein, bereikbaar via trappen vanuit de Burchtstraat.

Omstreeks 1471 was er boven op de heuvel bij het commanderijcomplex van de Hospitaalridders ook een hoeve gesitueerd.

In de 15de eeuw vergaderden in de burcht meermaals de Staten van Brabant.

Ook bleef de burcht op de Keizersberg fungeren als een belangrijke, al of niet kortstondige verblijfplaats van de hertogen of ook van doorreizende vorsten.

Het laatste vorstelijke verblijf staat op naam van Karel V (1500-1555), de latere keizer.

Tussen 1480 en 1555 onderging de burcht vrij ingrijpende renovatie- en veranderingswerken waarbij ook nieuwbouw bij te pas kwam onder meer voor een galerij met trapgeveltjes vóór de grote zaal.

De burcht was vanuit de Burchtstraat toegankelijk via trappen door de stad Leuven aangelegd in 1405/1406 (en gesupprimeerd eind 19e eeuw), die opklommen tot aan een met kasseiwegen aangelegd plein waar de commanderij was gelegen evenals het oude neerhof, later pachthof, met woonhuis, stallen en meertje, omsloten door een omheiningsmuur.

Achterin lag een plein waar voorheen steekspelen en tornooien werden gehouden, doch dat later door Putaneus werd genivelleerd en beplant.

Aangezien de burcht met de opkomst van de vuurwapens op het einde van de middeleeuwen haar defensieve functie had verloren, liet Karel V het castrum tijdens zijn regering grondig verfraaien en omvormen tot een residentieel kasteel.

Na zijn troonsafstand raakte de burcht echter in onbruik en werd het beheerd en bewoond door adellijke kasteelheren of gouverneurs.

Waarschijnlijk omstreeks 1625 verlieten de Hospitaalridders hun verblijf op de Keizersberg.

De meest befaamde bewoner van de burcht was de humanist Erycius Putaneus.

Na zijn overlijden in 1646 geraakte de burcht geleidelijk in een bouwvallige toestand.

Op deze prent van omstreeks 1659 ziet men rechts van de burcht de Sint-Janskerk en op de achtergrond de "Verloren Kost", de buitenwallen en de Mechelsepoort.

Boven links en rechts op de prent zijn de gekroonde wapens van het keizerrijk en van Brabant te zien.

Reeds in 1664 waren drie bastions en een deel van de vestingmuur afgebroken.

Een verordening van 1782 van keizer Jozef II van Oostenrijk tot verkoop en afbraak van al de hem toebehorende oude kastelen, betekende ook voor de Leuvense burcht het einde.

Op de waterput en een deel van de zuidelijke muur na werden de ruïnes van de burcht verkocht als bouwmateriaal.

De burchtgrond werd bij openbare verkoop in 1786 toegewezen aan een Leuvense meester-schrijnmaker, die aan de Mechelsestraat langs de toegangsweg een muur liet optrekken alsook een huis boven de ingang (beide bestaan nog tot op heden).

Naderhand verkocht hij een deel van zijn eigendom aan de deken van het kapittel van Sint-Pieter, en het resterende deel aan een Leuvense handelaar, die in 1796 naast de waterput een graanmolen bouwde (die echter in 1808 in de vlammen opging).

Vanouds was de burcht gekend onder verschillende benamingen waaronder dus ook "Castrum Lovaniense". De naam “Keizersburcht” (en later Burcht van de Keizersberg) kwam vooral in voege na de keizerskroning van Karel V.

Tijdens het Frans bewind werd ook het complex van de Hospitaalridders verkocht.

De Sint-Janskerk (vroegere Sint-Nikolaaskerk) werd gesloopt in 1801-1802.

De Benedictijnenabdij van Maredsous wenste in 1888 te Leuven een studiehuis in te richten voor leerlingen van de abdijschool die naderhand hun studies zouden verder zetten aan de Leuvense universiteit. De studentenpedagogie vond een onderkomen in een pand in de Onze-Lieve-Vrouwstraat in Leuven.

Langzamerhand rijpte echter de idee om in deze universiteitsstad een volwaardige abdij te stichten als monastiek studiehuis voor de toekomstige priesters.

Daarvoor leek de Keizersberg de meest aangewezen site om een nieuw kloostercomplex op te richten.

Intussen was de Keizersberg echter in de loop van de 19e eeuw verkaveld in meerdere percelen, met als gevolg een gestage bevolkingstoename op de Keizersberg.

De burchtsite zelf was nog tot driemaal toe van eigenaar veranderd en op de overige gronden bezaten diverse eigenaars kleine woonhuisjes die voor het merendeel verhuurd waren aan tuiniers die er een moestuin op na hielden.

In 1889 kon Maredsous een eerste, op de plaats van de vroegere burcht gelegen, perceel aankopen.

Het zou echter nog tot 1895 duren vooraleer de volledige heuvel abdijbezit werd.

Het nieuwe project noodzaakte ook het supprimeren van 2 straten die ondertussen waren aangelegd.

In 1897 werden de werken aan de Abdij van de Keizersberg aangevat. Begin 1899 was de noordvleugel klaar en nog in hetzelfde jaar namen de eerste monniken van de abdij van Maredsous hun intrek in de Leuvense abdij.

Tussen 1902 en 1908 werden de oost- en de zuidvleugel gebouwd.

Ter ere van de patrones van de abdij, "Maria, Koningin des Hemels", werd in deze periode een reusachtig Onze-Lieve-Vrouwebeeld geplaatst aan de abdij. Het kunstwerk werd bovenop een voetstuk geplaatst ter hoogte van de muurerker van de voormalige burcht.

De volledige ommuring van de abdij werd gebouwd tussen 1898 en 1907.

Ondanks het feit dat tijdens de Eerste Wereldoorlog de gebouwen door het Duitse bezettingsleger in beslag waren genomen, kwam de abdij vrij ongeschonden uit de woelige oorlogsjaren.

Wegens de snelle uitbreiding van de kloostergemeenschap en het ontbreken van de nodige geldelijke middelen werd in 1927 beslist af te zien van de geplande bouw van een grote abdijkerk. In de plaats werd een vierde, westelijke vleugel met klokkentoren opgericht.

In 1936 werd ook - ter vervanging van de oude doorgang onder het portiershuis - een nieuwe ingangspoort tot de abdij opgetrokken.

In 1939 verkreeg de abdij toestemming tot oprichting van een eigen monastiek kerkhof binnen het abdijdomein.
Tijdens de bombardementen van 1944 werd de abdij - evenals de omliggende gebouwen, onder meer de oude commanderij van de Hospitaalridders zwaar getroffen, waardoor ze tijdelijk onbewoonbaar werd.

De boerderijgebouwen en één vleugel die als enige relicten van het complex van de Hospitaalridders nog overeind stonden aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, stortten door de enorme schade aangericht aan de Keizersberg tijdens een bombardement in 1944 volledig in.

De herstellings- en restauratiewerken hiervan duurden tot in de jaren 1960.

Pas in 1966 werd de abdijkerk, die aanvankelijk voorlopig, doch, sinds de afgevoerde plannen voor een groter kerkgebouw in de jaren 1920, definitief werd ondergebracht in de zuidvleugel, plechtig ingewijd als een volwaardige abdijkerk.

In 1968 werd de Abdij van de Keizersberg overgeheveld naar de Congregatie van Subiaco, één van de belangrijkste congregaties binnen de benedictijnenorde.

Het jaar daarop volgde de verbouwing van de westvleugel tot residentie voor universiteitsstudenten of pedagogie, aanvankelijk beheerd door de universiteit maar nadien door de abdij zelf.

Voor de aanleg van de ring rond Leuven diende de abdij in 1972 een gedeelte van de tuin af te staan en werd een nieuwe toegangsweg aangelegd, ter vervanging van de ingang via het poortgebouw van 1936.

In 2008 heeft de stad Leuven een groot gedeelte van het abdijdomein in erfpacht overgenomen met het oog op de renovatie en het openbaar toegankelijk stellen van het abdijpark.

Van de oude grafelijke burcht vormen vandaag de zuidelijke schoormuur met poorttorenelement en de waterput de enige restanten die bewaard zijn gebleven.

De abdijgemeenschap van de benedictijnen op de Keizersberg werd in 2024 officieel ontbonden.

De indrukwekkende, nagenoeg ronde en bijna volledig ommuurde site van de Keizersberg vormt heden een oase van
groen en rust in Leuven. In de Keizersberg bleven aan de rand van het talud nog relicten bewaard van de burcht, overbrugt een portierswoning hogerop de oude toegangsweg aan de Mechelsestraat en positioneert de benedictijnenabdij Keizersberg zich middenin als een enclave, met een imponerend gebouwencomplex rondom een rechthoekige binnentuin.

In de oostelijke helft ligt ter hoogte van de Wolvengang de eigen begraafplaats van de abdij en hogerop bewaart de site nog relicten en archeologische sporen die zouden opklimmen tot de vroegere ordevestigingen van de Tempeliers en Hospitaalridders. De gebouwen zijn omgeven door een groene zone met grasland, boomgaard en tuin met bomenaanplanting en struikbegroeiing, doorkruist door een circuit van wandelpaden.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be; Wikipedia)