De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




KORTRIJK  -  OUDE STADSKERN


(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)




Op deze prent van Sanderus van omstreeks 1640 wordt een panoramisch beeld weergegeven van de oude stadskern van Kortrijk, in de huidige provincie West-Vlaanderen.

We geven hier beknopt en chronologisch enige historische duiding bij 10 opvallende bouwwerken op de prent. De nummers tussen haakjes verwijzen naar de aanduiding op de uitsnede van de prent.  

Aan de hand van enkele archeologische vondsten kan men afleiden dat het Romeinse Kortrijk zich ontwikkelde tot een vroeg-middeleeuwse bewoningskern. Het was onder de Merovingische vorsten een municipium, een soort administratief centrum van een gouw. Tijdens de 7e eeuw vond een ruime christianisatie plaats, waarbij zendelingen uit Frankrijk en Engeland onze gewesten kwamen evangeliseren. Zo zou bijvoorbeeld Sint-Elooi (overleden 660) omstreeks 650 een kapel ter ere van Sint-Maarten gebouwd hebben, op de plaats waar de latere Sint-Maartenskerk (1) verrees.

In de winter van 880-881 sloegen een groep Noormannen hun winterkwartier op in Kortrijk, dat op dat ogenblik waarschijnlijk reeds een redelijk uitgebouwd centrum was. Zij hadden de plaats uitgebouwd tot een halfcirkelvormig kamp op de zuidelijke oever van de Leie. Het kamp werd begrensd door de huidige Leiestraat, de boogvormige zijde van de Grote Markt en de zuidelijke begrenzing van het Begijnhof (8).

Omstreeks 1000 werd het graafschap Vlaanderen door Boudewijn IV verdeeld in kasselrijen, dit waren militaire, bestuurlijke, gerechtelijke en later ook fiscale districten met een burcht als centrum. Aanvankelijk was Kortrijk nog afhankelijk van Doornik, maar vanaf 1071 werd het een onafhankelijke kasselrij.

Het "Opidum Cortracense" was het geheel van het versterkt kasteel en de agglomeratie buiten de kasteelmuren. Het oppidum strekte zich uit rond de Leie en twee Romeinse heirwegen die in Kortrijk samenkwamen.

Het grafelijk domein bestond onder meer uit de eigenlijke burcht (die gelegen was ter hoogte van de huidige Onze-Lieve-Vrouwestraat en Groeningestraat), een neerhof, een boomgaard, magazijnen en een linde waar de vierschaar recht sprak.

Vermoedelijk was het geheel of gedeeltelijk omheind en was de zuidelijke toren van de Broeltorens (6) een hoektoren van de verdedigingsmuur.

Op het einde van de 12e eeuw deed graaf Boudewijn IX de belofte om een kerk te bouwen ter ere van Onze-Lieve-Vrouw.

In 1199 was men reeds begonnen met de bouw van de kapittelkerk in de boomgaard van het kasteel, de Onze-Lieve-Vrouwekerk (7). Daarmee is deze kapittelkerk thans het oudste bouwwerk van de stad. De Onze-Lieve-Vrouwekerk bevindt zich op het huidige Deken Zegerplein. De eerste kapittelkerk was een zogenaamde “capella” bestaande uit een koorpartij.

Het Begijnhof (8) in Kortrijk werd in 1238 door gravin Johanna van Constantinopel gesticht. Vermoedelijk maakte het eveneens deel uit van het grafelijk domein. In 1242 kocht de gravin een huis dat ze kort nadien aan de begijnen schonk.

Het eigenlijk Begijnhof dateert van omstreeks 1280, maar de meeste huisjes werden pas gebouwd in de 17e eeuw.
Omstreeks 1270-1280 werd de romaanse Sint-Martinuskerk vervangen door een nieuwe, gotische Sint-Maartenskerk (1).

De Sint-Maartenskerk is nu nog steeds één van de hoogste gebouwen (83 meter) van de stad. De kerk bevindt zich op het huidige Jozef Vandaleplein.

Aldus kon men op het einde van de 13e eeuw ten zuiden van de Leie, het kasteel (zogenaamd "oud kasteel"), de Onze-Lieve-Vrouwekerk (7), het Begijnhof (8) en de nieuwe Sint-Maartenskerk (1) situeren.

Het burgerlijk en mercantiel centrum situeerde zich op en rond de Grote Markt. De halle (of “Kleine Halle”) (3), waar kooplui hun waar aan de man konden brengen, werd voor het eerst vermeld in de eerste helft van de 13e eeuw. Kortrijk had reeds in de 12e eeuw het stadsrecht verworven en kreeg hierdoor ook zijn eigen schepenbank. Het eerste Stadhuis (2) werd opgericht in de Rijselstraat en had aanvankelijk de omvang van een burgerhuis.

In de 13e eeuw kreeg de stad een eigen omwalling. Aanvankelijk gaven slechts 3 poortgebouwen met torens en bruggen toegang tot de ommuurde stad, namelijk de Rijselpoort, de Steenpoort en de Doornikpoort. Later werden nog verschillende poorten toegevoegd.

De stad werd beschermd door een sterke verdedigingsmuur die gedeeltelijk bestond uit de buitenste verdedigingsmuur van het grafelijke kasteel en het bijhorende domein. De omwalling van de stad bleef ongewijzigd tot circa 1338.

Op het einde van de 13e eeuw rees er een conflict tussen de Franse koning Filips de Schone en zijn leenman Gwijde van Dampierre, die toenadering gezocht had tot de Engelse kroon. In 1297 viel Kortrijk in handen van de Fransen en kreeg een garnizoen. De Franse vorst liet in 1300-1301 een imposante dwangburcht bouwen. Deze burcht situeerde zich in het noordoosten van het huidige stadscentrum. Het was een vierhoekig complex, voorzien van vier hoektorens, verbonden door zware muren, waarin vermoedelijk nog torens verwerkt waren. In 1302 versloegen de Vlamingen het leger van de Franse leenheer, koning Filips de Schone, tijdens de zogenaamde Guldensporenslag. Heel wat gebouwen, waaronder deze van het Begijnhof (8), werden toen in brand geschoten.

In de tweede helft van de 13e eeuw werd er nog een kruisbeuk en een driebeukig schip aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk (7) toegevoegd. Omstreeks het jaar 1300 -1301 werd deze kerk (capella) van het verbeurdverklaard grafelijk domein opgenomen in de dwangburcht en vormde ze er zelfs de zogenaamde “voorburcht” van. Ze werd ervan gescheiden door een oudere gracht en werd omgeven door een grote stenen weermuur. In dezelfde periode werd het koor gesloopt en werd er een ruimer koor gebouwd.

Op de noordelijke Leieoever, in de omgeving van het Onze-Lieve-Vrouwehospitaal, ontwikkelde zich in de 14e eeuw een nieuwe woonkern. Omstreeks 1340 begon men hier met het graven van de Nieuwe Leie.

Omstreeks 1370-1372 werd de Gravenkapel, de zogenaamde Sint-Catharinakapel, tegenaan de Onze-Lieve-Vrouwekerk (7) gebouwd in opdracht van Lodewijk van Male, waarbij een zuidelijke koorkapel gesloopt werd.

In 1377 werd de Kleine Halle (3) uitgebreid.

Na de slag bij Westrozebeke in 1382 werden de stad en het kasteel door de Bretoenen, huursoldaten in Franse dienst, geplunderd. Het resultaat was een enorme stadsbrand waarbij onder meer de burcht, het Begijnhof (8), de Sint-Maartenskerk (1) en vele woonhuizen zwaar werden beschadigd.

De Kleine Halle (3) en de Onze-Lieve-Vrouwekerk (7) met de Gravenkapel werden leeggeplunderd en in brand gestoken.

Het uurwerk van het Belfort (3) werd gestolen en naar Dijon gebracht.

In 1385 kreeg de stad haar oude vrijheden terug.

Hertog Filips de Stoute van Bourgondië (1384-1404) wenste het graafschap Vlaanderen beter te beschermen en versterkte Kortrijk. Daartoe werd in 1386 de toelating gegeven om de versterkingen te herstellen en deels uit te breiden met een deel van Overleie. Daarnaast gaf Filips de Stoute de opdracht om een nieuw Kasteel (5) te bouwen langs de Leie, nu in de westelijke uithoek van de stad, op de plaats waar de huidige Kasteelkaai en Belfaststraat uitlopen op de Vismarkt. De werkzaamheden gingen pas van start in 1394 en liepen ten einde in 1404. Het Kasteel was een bijna vierkantig bouwwerk met een sterk uitgebouwde donjon en hoektorens. Het geheel was omringd door een gracht en kon via twee bruggen bereikt worden.

Vier toponiemen herinneren nog aan zijn bestaan (Kasteelkaai, Kasteelstraat, Oude Kasteelstraat en de Kasteelbrug). De Bourgondische hertog wilde een betere verdediging opzetten die ook gebruikt kon worden om lokale onlusten te onderdrukken. Van daaruit kon men de gehele stad bestoken met vuurwapens.

De hertog was in 1369 gehuwd met Margaretha van Male, de enige erfgename van graaf Lodewijk. Lodewijk sneuvelde in 1384 waardoor Margaretha gravin van Vlaanderen werd.

Tussen 1390 en 1395 werd de Kleine Halle (3) uitgebreid.

Er werd een nieuwe Sint-Maartenskerk (1) gebouwd tussen 1390 en 1466. De stenen toren in Brabantse gotiek dateert van 1439.

Tot de 14e eeuw waren zowat alle woningen van hout, behalve de zogenaamde symbolen van stedelijke macht zoals het Stadhuis (2), het Belfort en de Kleine Halle (3).

Vanaf de 15e eeuw werden de eerste stenen huizen opgericht.

Naast de stadsversterkingen en de bouw van het kasteel moest de stad zelf eveneens grondig hersteld en vernieuwd worden. De werkzaamheden aan het Stadhuis (2) startten in 1418. Ook de Kleine Halle (3) werd hersteld en uitgebreid.

In 1389 werd begonnen met de herstellingswerken aan de Sint-Maartenskerk (1) en de restauratie van de Onze-Lieve-Vrouwekerk (7) met de Gravenkapel ving aan in 1410.

Op de plaats van het vroegere grafelijk domein werd werk gemaakt van een heuse stadsvernieuwing. Om de grote schuld in te lossen die hertog Jan Zonder Vrees had bij het kapittel van Kortrijk, schonk hij in 1411 de gronden en de ruïnes van de oude burcht aan de kanunniken. Gevolg was het aanleggen van nieuwe straten en de verkaveling van de erlangs gelegen gronden. Tevens werd de kasteelgracht gedempt en konden de bewoners achter hun huis een erf verwerven in cijnspacht.

Van 1418 tot 1421 werd de Onze-Lieve-Vrouwekapel ten noorden van de kooromgang van de Onze-Lieve-Vrouwekerk (7) gebouwd, die zowel een dekenkapel als een bibliotheek omvatte.

Tijdens het bewind van Filips de Goede (1419-1467) werd de stad tussen 1450 en 1455 andermaal uitgebreid, deze keer met de wijk Overbeke.

In 1524 waren er reeds een 20-tal huisjes in de Kleine Halle (3) gebouwd, waarvan enkele met een verdieping.

Het Stadhuis (2) werd omstreeks 1520 in een gotisch-renaissance overgangsstijl opgetrokken en aanzienlijk vergroot.

Net zoals in vele andere Vlaamse steden waren ook voor Kortrijk de wolbewerking en de lakennijverheid dé industrieën die het economische leven bepaalden. Kortrijk had zijn ontwikkeling voornamelijk te danken aan zijn gunstige ligging: aan de Leie en op een kruispunt van wegen.

Naar aanleiding van de crisistoestand van 1566, waarbij Kortrijk slechts met veel moeite had kunnen verhinderen dat de Beeldenstormers de stad konden binnendringen, en tevens omwille van de opstand van de Nederlanden tegen Spanje, werd uit veiligheidsoverwegingen beslist om de zwakkere wijken Overleie en Overbeke beter te beschermen. In 1572 gaf de Spaanse koning Filips II (1555-1598), de toestemming om beide wijken binnen de stad te brengen en een nieuwe vesting aan te leggen.

In 1578 werd Kortrijk door de Gentse Calvinisten onder de voet gelopen. Ze plunderden onder meer de Onze-Lieve-Vrouwekerk (7) en de Sint-Maartenskerk (1).

Tijdens hun kortstondig bestuur (1578-1580) werkten ze verder aan de uitbouw van de vesting. Nadat de opstandelingen verjaagd werden door de katholieke en Spaansgezinde Malcontenten, voltooiden de nieuwe machthebbers de verdedigingswerken van hun voorgangers. De nieuwe vesting, met vijfzijdige vooruitspringende bolwerken of bastions onderling verbonden via grachten en wallen, omsloot de wijken Overleie en Overbeke volledig.

Ten gevolge van de verdrijving van de Calvinisten weken honderden Kortrijkse textielarbeiders uit. De hevige pestepidemie van 1580-1583 richte grote verwoestingen aan onder de bevolking. Hierdoor onderging de Kortrijkse economie een zware inzinking.

Door de economische welvaart ten gevolge van de bloeiende linnenindustrie werd de eerste helft van de 16e eeuw gekenmerkt door een grote bouwactiviteit.

Zo werd onder meer het Stadhuis (2) uitgebreid in westelijke richting (1519-1526) en werd een nieuwe halle, de zogenaamde Grote Hallen (4) opgericht.

De Kleine Halle (3) op de Grote Markt werd namelijk te klein.

Omstreeks 1519-1520 dreigde de toren van het Belfort (3) in te storten. Het bovendeel werd gesloopt. De toren werd gedeeltelijk afgebroken en vervangen door een kleine spits met vier hoektorentjes.

Na de ingebruikname van de Grote Hallen (4) in 1540, gebouwd op het huidige Schouwburgplein, werden het Belfort en de Kleine Halle enkel nog gebruikt voor de detailhandel van allerlei goederen tijdens de maandag- en de jaarmarkten.

De Sint-Michielskerk (9), die zich nog steeds bevindt op het huidige Sint-Michielsplein, werd tussen 1607 en 1611 gebouwd in opdracht van de jezuïeten, ter vervanging van de 14e-eeuwse Heilige-Geestkapel. Het klooster en het college van de paters reikte tot aan de Kasteelstraat. De diepte bedroeg bijna 100 meter. In 1611 werd de kerk ingewijd door de bisschop van Doornik.

Het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) bracht de Zuidelijke Nederlanden een korte periode van relatieve welstand. De bevolking groeide opnieuw aan en de linnenindustrie bloeide. Tijdens de relatieve rust van dit bestand werd het stadhuis opnieuw uitgebreid.

In 1616 werd het “Gildenhof der busseniers” aan de Bossetoren (10) opgericht. De bosseniers of busschieters bewaarden er hun munitie. De bewapende schuttersgilden zijn gesticht of bevestigd door een grondheer. De gilden waren pure mannengezelschappen. Hun taak bestond er in om te bewaken en te verdedigen. Verschillende huidige schuttersgilden zijn nog de uitlopers van de vroegere gilden. De Bossetoren was gelegen tussen de driehoek van de huidige Wijngaardstraat, Vlamingenstraat en Sint-Janslaan.

De zwaarste ramp die Kortrijk in deze periode trof was de pestepidemie van 1635-1637. De linnenindustrie kende een gestage opgang tot ze bruusk tot een einde kwam door de oorlogen die vanaf 1645 de streek teisterden.

Na een kortstondig beleg werd Kortrijk in 1646 door de Franse troepen ingenomen. Om de stad beter te kunnen verdedigen begonnen de Fransen met de bouw van een indrukwekkende citadel. Reeds in 1648 werd de stad echter opnieuw ingenomen door de Spanjaarden.

Op deze prent van Sanderus van omstreeks 1640 staat de Onze-Lieve-Vrouwekerk (7) afgebeeld met 2 spitse torens.

We zien op de prent ook de verschillende stadsversterkingen en -poorten.

In 1667 werd de stad wederom belegerd door het Franse leger, waarbij de Spaanse troepen zich gewonnen gaven. Met de Vrede van Aken in 1668 werd de overwinning ook diplomatiek bevestigd en werd Kortrijk Frans grondgebied. Vrijwel onmiddellijk na de verovering van de stad legde de Franse bezetter voor haar citadel een grote open ruimte aan om de vijand te zien naderen. Deze ruimte werd de Esplanade (huidig Plein) genoemd. Bij de aanleg ervan worden in het noordelijke deel van de wijk Overbeke circa 300 huizen gesloopt waaronder het Capucijnen- en Capucinessenklooster.

Met de Vrede van Nijmegen in 1678 kwam Kortrijk voor korte tijd opnieuw in Spaanse handen. Hoewel Franse troepen op 4 november de stad innamen, zagen ze zich door de wapenstilstand van Regensburg in 1684 verplicht Kortrijk opnieuw over te dragen aan de Spanjaarden. Bij de overdracht werden alle stadsversterkingen afgebroken zoals het nieuwe Kasteel (5), de citadel en praktisch alle muren en torens. Enkel de stadspoorten en de Broeltorens (6) bleven gespaard. Tevens werden een aantal grachten gedempt. Op een maand tijd worden de versterkingswerken met de grond gelijk gemaakt en werd Kortrijk een open stad. Ook het Begijnhof (8) werd in 1684 door de Fransen verwoest.

Tijdens de zeer bloedige Negenjarige Oorlog (1688-1697) werden zowel de bevolking als het landbouwareaal van de kasselrij Kortrijk met een vierde verminderd. Reeds in 1689 werd de stad door Franse legers ingenomen en bezet.

Opnieuw ging het leger van start met de aanleg van verdedigingswerken. In 1697 maakte de Vrede van Rijswijk een einde aan de oorlog. De Fransen moesten de stad verlaten. Bij hun vertrek vernielden ze wederom de versterkingen.

Na de dood van de Spaanse koning Karel II brak in 1702 de Spaanse Successieoorlog uit die beëindigd werd in 1713 door de Vrede van Utrecht. Naar aanleiding van dit verdrag kwamen de Zuidelijke Nederlanden onder het bewind van de Oostenrijkse Habsburgers terecht. De daaruit voortvloeiende periode van voorspoed ging in Kortrijk gepaard met een aantal belangrijke openbare werken.

Tussen 1714 en 1717 werden heel wat vervallen, houten huizen afgebroken en vervangen door stenen exemplaren, waardoor het uitzicht van de stad sterk wijzigde. Eens de handelsbelemmeringen door de oorlogen vervielen, konden handel en nijverheid herleven.

In 1717 waren de huizen rond het Belfort (3) dermate bouwvallig dat ze gesloopt en heropgebouwd werden in Lodewijk XIV-stijl. Enkele jaren later werd de zogenaamde "Hoge Wacht", met monumentale trap, rondoverspannen hoofdingang en driehoekig fronton, er aangebouwd.

In 1720 werd de Sint-Michielskerk (9) met een barokgevel en -interieur getooid.

De dood van keizer Karel VI in 1740 deed een nieuwe oorlog uitbreken, de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748). Kortrijk werd wederom een tijdlang door Franse troepen bezet. In 1748 maakte de Vrede van Aken een einde aan de vijandigheden, en brak voor de Zuidelijke Nederlanden onder het bewind van Maria Theresia (1740-1780) een lange periode van voorspoed aan.

De Oostenrijkse regering nam onder invloed van de Verlichting tal van maatregelen ter bevordering van de leefbaarheid van de steden, zo ook in Kortrijk. Alle oude vestingen worden gesloopt, en de vrijgemaakte gronden verkocht. Om de stad afgesloten te houden van het omliggende platteland behield men de oude hoofdgrachten en bleven ook verschillende vijf van de zes stadspoorten bewaard; enkel de Leiepoort werd afgebroken.

In 1773 werd het klooster bij de Sint-Michielskerk (9) opgeheven en de gebouwen werden aan particulieren verkocht.

Tegelijkertijd werd dwars door de voormalige gebouwen de Heilige Geeststraat aangelegd. De Sint-Michielskerk zelf bleef bewaard.

In 1780 werd keizerin Maria Theresia opgevolgd door haar zoon Jozef II (1780-1790) die geïnspireerd door de ideeën van de Verlichting talrijke hervormingen, zowel op godsdienstig als op administratief gebied, trachtte te realiseren.

Deze radicale hervormingspolitiek lokte een stroom van protest uit, resulterend in de zogenaamd "Brabantse Revolutie", die erin slaagde het Oostenrijks regime tijdelijk te verdrijven. In 1792 verklaarden de Franse revolutionairen de oorlog aan Oostenrijk. Kortrijk werd in dat jaar enkele dagen bezet. Bij hun aftocht legden de Fransen heel wat huizen buiten de poorten in de as. Enkele maanden later werden de Oostenrijkse troepen opnieuw uit de Zuidelijke Nederlanden verjaagd, en werd Kortrijk een bezette stad. Hoewel de Fransen verslagen worden in de slag bij Neerwinden in 1793, behaalden zij in 1794 de grote overwinning. In 1795 annexeerde de Franse bezetter onze gewesten.

Het navolgende jaar werden alle kloosters gesloten en werden hun roerende en onroerende bezittingen onder sekwester geplaatst. In 1797 gebeurde hetzelfde met de andere religieuze instellingen en de kloosters die instonden voor onderwijs en ziekenzorg. Tussen 1796 en 1813 worden vele aangeslagen goederen, voornamelijk van kerkelijke origine, verkocht.

De niet-parochiale Onze-Lieve-Vrouwekerk (7) werd eveneens openbaar verkocht, maar via stromannen opnieuw door de geestelijkheid aangekocht. Deze kerk fungeerde vanaf 1797 als een parochiekerk.

De Sint-Michielskerk (9) fungeerde als parochiekerk van 1785 tot 1802. Nadien had ze alleen nog maar het statuut van openbare bidplaats.

De Grote Hallen (4), de Broeltorens (6) en de Begijnhofkerk (8) werden door de Franse overheid voor diverse doeleinden aangewend.

Onder Napoleons Consulaat trad reeds een eerste versoepeling op en in 1799 werden de niet-verkochte kerken opnieuw overgedragen. Na het Concordaat van Napoleon en paus Pius VII in 1802 luwde de godsdienstvervolging nog verder.

Wegens een conflict tussen de bisschop van Gent en de rector in Kortrijk werd de Sint-Michielskerk (9) in december 1810 gesloten.

In december 1813 deed ze dienst als militair hospitaal. Op 29 december 1813 werd ze voor de eredienst heropend.

De Gilde der busseniers aan de Bossetoren (10) werd in 1813 ontbonden.

In 1814 konden Russische en Pruisische legereenheden Kortrijk bevrijden.

In 1820 werden in het Verdrag van Kortrijk de definitieve grenzen tussen Frankrijk en het Koninkrijk der Nederlanden vastgelegd.

In de loop van de 19e eeuw nam de bebouwing in Kortrijk verder toe.

Met het Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830) brak voor Kortrijk een economisch gunstige periode aan, vertaald in een aanzienlijke bevolkingsstijging. Argwaan op godsdienstig gebied en een stijging van de graanprijzen leiden in 1818 evenwel tot de eerste woelige opstandjes tegen het gezag, in 1830 culminerend in de onafhankelijkheidsverklaring van het Koninkrijk België.

Door de overgang naar mechanisch gesponnen garens en de belemmering van de invoer van Belgisch linnen door de Franse en Nederlandse overheid, beleefde de streek rond Kortrijk tijdens de Belgische Omwenteling een eerste zware nijverheidscrisis.

Na de terugkeer van de jezuïeten in 1843 in een deel van de voormalige kloostergebouwen werd de Sint-Michielskerk (9) opnieuw hun kloosterkerk.

Het middenhoogkoor, de twee zijkoren en de Sint-Annakapel van de Sint-Maartenskerk (1) werden na een brand (door een blikseminslag) in 1862 neogotisch heropgebouwd. De houten torenspits brandde af, samen met zowat alle daken. De torenspits werd in de daaropvolgende decennia volledig in ere hersteld. De vier koren werden gesloopt en in een neogotische stijl heropgebouwd.

Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw, ontstond uiteindelijk in de door de economische depressie zwaar getroffen Kortrijkse textielnijverheid een beweging tot industrialisering.

In 1886 werden de barokgevel en het barok-interieur van de Sint-Michielskerk (9) gesloopt en vervangen door een neogotische gevel en interieur.

In 1899 werd het ganse huizenblok bij het Belfort en de Kleine Halle (3) onteigend. De Belforttoren zelf werd (terecht) tot op heden behouden.

Vanaf het einde van de 19e eeuw ontwikkelde zich een andere belangrijke tak binnen de textielindustrie, de katoennijverheid.

Op het einde van de 19e eeuw groeiden de steen- en pannenbakkerijen uit tot een andere belangrijke industrietak in de omgeving van Kortrijk.

Omstreeks 1905 werd het portaal van de Onze-Lieve-Vrouwekerk (7) gesloopt. Ook enkele opslagplaatsen bij de kerk werden afgebroken.

De Bossetoren (10) werd in 1907 (na stevig protest) gesloopt om plaats te maken voor de feestzaal van het Christelijk Werkersverbond, die de naam “De Bosse” kreeg.

In het begin van de 20e eeuw, na een grondige restauratie, nam het museum voor oudheidkunde en sierkunst van Kortrijk zijn intrek op de eerste verdieping van de Grote Hallen (4).

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog maakte een einde aan de economische bloei en leidde een vierjarige periode van bevolkingsafname, werkloosheid en voedingsproblemen in. De Grote Hallen (4) fungeerden in deze oorlog als militair hospitaal.

In 1914 werd het Belfort (3) zwaar beschadigd maar kort nadien terug hersteld.

Na de Eerste Wereldoorlog herstelde de economie zich geleidelijk. De economische crisis van 1931-1935 maakte echter een einde aan deze korte bloeiperiode. Na de oorlog wordt snel met de wederopbouw van de stad gestart.

Ook in de Tweede Wereldoorlog liep de stad zware schade op. Vanaf 1943 werd Kortrijk door vele luchtbombardementen getroffen. In de zomer van 1944 werden de Grote Hallen (4) gebombardeerd. In 1948 besloot de gemeenteraad het historisch gebouw volledig te slopen en niet te restaureren. Daardoor was er nu geen plaats meer voor exposities. De restanten van de Grote Hallen bleven nog staan tot in 1951, waarna ze werden gesloopt en een nieuw plein werd aangelegd (pas in 1981 kreeg dit plein de naam Schouwburgplein).

In 1944 liep de Onze-Lieve-Vrouwekerk (7) ernstige schade op. Tussen 1949 en 1966 werd deze schade weer hersteld.
Tijdens de bombardementen van 1944 brandde ook de Sint-Michielskerk (9) uit. Op 29 juni 1952 werd de volledig gerestaureerde kerk opnieuw ingewijd.

Ook de rest van de stadskern werd na de oorlog grotendeels heropgebouwd.

In de jaren 1960 en 1970 verrezen er verschillende onderwijscentra in Kortrijk (Vormingsinstituut, Catho, Kulak).

Er werd ook een volledig nieuw beurzencomplex opgericht (de “hallen”, later herdoopt tot Kortrijk Xpo).

Bij de fusie in 1977 werd de stad Kortrijk uitgebreid met verschillende deelgemeenten.

De huidige vrij uitgebreide stadskern is het gevolg van de in de 19e eeuw ingezette verstedelijking door onder meer het dempen van de grachten en de steeds toenemende bevolking.

De stadsplattegrond wordt thans bepaald door de Grote Markt, die van het oudsher het economische en politieke centrum van de stad vormt en waarop de verschillende historische uitvalswegen op aansluiten.

De stadskern behield echter door de eeuwen heen grotendeels het middeleeuwse stratenpatroon dat we zien op deze prent van Sanderus.

In de loop van de 20e eeuw was er op de plaats van de vroegere Bossetoren (10) verschillende jaren de herberg “De Gilde” van het Christelijk Werkersverbond, met boven de feestzaal die men “de Bosse” noemde. Nu zijn het de gebouwen van de Christelijke Mutualiteiten in de Wijngaardstraat.

In 1993 vertrok de jezuïetengemeenschap en werd de Sint-Michielskerk (9) toevertrouwd aan de Sint-Michielsbeweging, die er haar hoofdhuis heeft.

De beide Broeltorens (6) vormen één van de belangrijkste iconen en  bezienswaardigheden van Kortrijk en zijn samen met de Artillerietoren de enige overblijfselen van de middeleeuwse stadswallen omheen de oude stad.

De Broeltorens zijn een overblijfsel van de middeleeuwse stadsomwalling. Ze beschermden de Broelbrug. Vandaag zijn deze Broeltorens, samen met de iets verder gelegen Artillerietoren, de enige overblijfselen van de oudste stadsvestingen.

Aan het eind van de 20e eeuw kende de stad een sterke heropleving doordat talrijke ingrijpende stadsvernieuwingsprojecten het licht zagen zoals de Leiewerken, de bouw van het woon- en winkelcentrum K in Kortrijk en de heraanleg van de openbare ruimte, zowel in de binnenstad als in diverse stadswijken. Deze projecten, vaak opgezet door het stadsbestuur of het stadsontwikkelingsbedrijf Kortrijk, moesten Kortrijk als een moderne stad de 21e eeuw inloodsen.

(Bronvermelding: tekst gebaseerd op info van Onroerenderfgoed.be; Wikipedia; Complexestadsprojecten.be/Documents/Kortrijk_Leiewerken/7.3_Kortrijk_Leiewerken_Boek%2020-jaar-Leiewerken-low.pdf)