De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




KORTENBERG - ABDIJ


(Antonius Sanderus – Chorographia Sacra Brabantiae 1659 - Herwerkte editie 1726-1727)




Op deze prent van Sanderus is de herwerkte versie te zien van een prent van de Abdij van Kortenberg.

Deze prent werd gepubliceerd in de heruitgave in 1726-1727 van de Chorographia Sacra Brabantiae van Sanderus (1659).

Kortenberg is een gemeente in de huidige provincie Vlaams-Brabant.

De abdijsite bestaat nog en is gelegen langs de Abdijdreef in Kortenberg.

Het betreft thans een nog grotendeels binnen haar oorspronkelijke ommuring en omgrachting bewaarde voormalige benedictinessenabdij (1222-1797) waarvan verspreid over de site substantiële relicten van de 17e- en 18e-eeuwse abdijgebouwen bewaard zijn gebleven.

De abdij van Kortenberg ontstond op de zogenaamde “Curtenberch”, een circa 75 meter hoge steile heuvel, ook bekend als de Eikelenberg.

Algemeen wordt 1095, datum waarop bisschop Gualcherus van Kamerijk in aanwezigheid van Godfried I, hertog van Brabant, de akte ondertekende waarbij het "altare" van de kerk op de "Curtenberch" werd overgedragen aan de plaatselijke reclusae - een groepje van vrome vrouwen die er een kluizenaarsbestaan leidden - als stichtingsdatum beschouwd.

Dit kerkje was opgedragen aan God, de Heilige Maagd en Sint-Amandus en zou tot in 1771 als parochiekerk fungeren.

Wellicht speelden onder meer de bouwvalligheid van de gebouwen, de moeilijke bereikbaarheid en het gebrek aan water een rol bij de verhuizing van de religieuze gemeenschap, in 1222 of 1229, naar de 750 meter meer noordelijk gelegen vallei van de Aderbeek (of Harebeek), nabij de huidige dorpskern.

De regel van de Heilige Benedictus werd aangenomen en de eerste bevestingsbulle van paus Gregorius VIII van januari 1233 wijst er op dat de abdij op dat moment als dusdanig was geïnstalleerd.

De verdere uitbouw in de loop van de 13de eeuw tot een belangrijk religieus, economisch en sociaal centrum werd mogelijk gemaakt door aanvullende schenkingen van de Brabantse hertogen en andere vrome weldoeners. De verwerving van novale tienden wijst op ontginning van nieuwe gebieden terwijl er reeds vanaf 1246 sprake is van een Gasthuis voor opvang van armen, zieken en reizigers.

In 1312 werd in deze abdij er het beroemde Charter van Kortenberg getekend waarin hertog Jan II de rechten van adel en burgerij erkende en waarborgde.

Tijdens de godsdiensttroebelen respectievelijk in 1572 en 1584 werden de abdijgebouwen geplunderd en door brand vernield waarna ze in de loop van de 17e eeuw, vermoedelijk vanaf 1601, werden heropgebouwd en hersteld.

Deze prent geeft een vrij nauwkeurig beeld van de abdijsite in het begin van de 17e eeuw. Het rechthoekig ommuurd en volledig omgracht blok werd aan de noordzijde, ter hoogte van de huidige Minneveldstraat, ontsloten door een poortgebouw met rechts de abdijhoeve - een complex van in los verband rond een erf gegroepeerde en in grootte variërende volumes - omkaderd door een boomgaard en moestuinen. Een licht afbuigende dreef leidt naar een tweede poortgebouw dat toegang verleent tot een deels ommuurd en eveneens omgracht, rechthoekig binnenblok met links de abdijgebouwen - een vrij disparaat ensemble met dominante abdijkerk -, en rechts, verbonden door het complexe volume van het oude abdisverblijf met keuken en gastenkamers, de U-vormige structuur van het neerhof met de brouwerij en bakkerij aan de zuidzijde, het Veehof aan de westzijde en de varkensstallen aan de noordzijde.

Op de achtergrond is op de prent het oude kerkje op de berg te zien.

Vermoedelijk omstreeks 1779 werden ingrijpende renovatiewerken opgestart waarbij de verouderde, vrij los gegroepeerde kloostergebouwen werden vervangen door een strakke en elegante kwadraatstructuur waarvan de nieuwe abdijkerk de zuidvleugel vormde.

De werken waren nog volop aan de gang toen de abdij in 1797 werd opgeheven. De siertuin met de 'triomfboog' bij de zuidelijke grachtarm had een nieuw paviljoen gekregen – het huidige Louis XV-paviljoen - op pijlers boven de zuidelijke grachtarm, dat nadien tot kapel werd omgebouwd.

Tussen de oostelijke grachtarm en de abdijgebouwen werd een landschappelijke tuin aangelegd.

Na de openbare verkoop kwam de Abdij van Cortenberg in het bezit van Cornelis van den Burggraaf, die ze kort nadien in twee helften afstaat aan respectievelijk zijn echtgenote Marie-Marthe Spruyt en aan Maximilien van Grave.

Enkele jaren later volgde een ruil van percelen tussen beide partijen waardoor de site grosso modo in een noordelijke en zuidelijke helft werd opgedeeld.

Kort daarop werd gestart met een grootse afbraakcampagne. Bij die gelegenheid verdween de pas opgerichte abdijkerk.

Van de kloostergebouwen bleef uiteindelijk enkel de abdisvleugel bewaard die tijdens het eerste kwart van de 19e eeuw werd verbouwd en ingericht tot buitengoed of abdijkasteel. Ook het voorliggend neerhof werd, met uitzondering van een deel van het Veehof en muurfragmenten van de brouwerij, met de grond gelijk gemaakt.

Na Joseph van Grave, die zijn vader als eigenaar van het abdijkasteel was opgevolgd kwam de site achtereenvolgens in het bezit van baron Albert d’Eesbeck Vanderhaeghen (vanaf 1829), J.A. Matthieu (vanaf circa 1832) en rechter Paul Salkin (vanaf 1897).

Met de familie Salkin onderging de zuidwestelijke rand van de abdijsite een ingrijpende gedaantewisseling, op termijn resulterend in een verkaveling en een uiteindelijke afsplitsing van het domein.

Rond 1905 werd vanaf de Kiewitstraat de Abdijdreef aangelegd die de oude vervoegde op circa 40 meter van de kasteeltuin. Er werden een drietal villa's bijgebouwd en een 'moderne' koestal en melkerij als onderkomen voor de 'Laiterie de l’Abbaye de Cortenberg' die in 1897 was opgestart en nadien ondergebracht in het Veehof. Na de sluiting in 1922 werden de bedrijfsgebouwen omgevormd tot een dubbelvilla.

In 1920 werd het voormalige poortgebouw en de inmiddels deels gesloopte abdijhoeve met aangrenzende gronden aangekocht door Fernand Lafosse die in 1922 in de vroegere boomgaard een fabriek voor houten plooimeters en schietloden 'Le Cygne' liet optrekken.

In 1933 verkochten de erfgenamen Salkin hun deel van de abdijsite aan kanunnik François Misonne (1892-1983) die er een retraitehuis in onderbracht.

Het verwaarloosde park werd met brede lanen heraangelegd terwijl de resterende gebouwen werden hersteld, verbouwd en uitgebreid met onder meer een ridderzaal en een kapel.

Vanaf 1952 stonden de zusters van Onze-Lieve-Vrouw van het Cenakel uit Brussel in voor het beheer (tot in 1978 was er ook een school voor sociale helpsters gevestigd).

Het abdijcomplex werd door Misonne overgedragen aan de huidige eigenaar, het aartsbisdom Mechelen, maar hij bleef zelf tot in 1968 het Veehof bewonen.

In 1976 werd het beheer overgenomen door de Paters Redemptoristen die het voormalige Veehof inrichten tot 'Sjaloom' bestemd voor catecheseweekends en vormingsdagen en eveneens een nieuwe paterswoning (1979) lieten optrekken.

Momenteel fungeert de abdij nog steeds als bezinningsoord.

De oudste nu nog resterende gedeeltes zijn het poortgebouw met de gotische spitsvormige toegangspoort uit het begin van de 17e eeuw, het Veehof uit 1650, het pachthof de Bouwerij uit 1732 en het abdijkasteel (gebouwd van 1779 tot 1783).

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)