De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




GROOT-BIJGAARDEN - SINT-WIVINA-ABDIJ


(Antonius Sanderus – Chorographia Sacra Brabantiae 1659 - Herwerkte editie 1726-1727)





Op deze prent van Sanderus is de herwerkte versie te zien van een prent van de voormalige Sint-Wivina-abdij in Groot-Bijgaarden.

Deze prent werd gepubliceerd in de heruitgave in 1726-1727 van de Chorographia Sacra Brabantiae van Sanderus (1659).

Deze abdij bevond zich op het grondgebied van Groot-Bijgaarden, thans een deelgemeente van Dilbeek in de provincie Vlaams-Brabant. Op deze plaats bevindt zich thans nog het Wivinaklooster, langs de Hendrik Placestraat.

In de 12e eeuw trok de heilige Wivina zich terug bij een bron in het bos ten westen van Brussel, samen met haar vriendin Emwara. Andere vrouwen voegden zich bij hen en zij vormden een gemeenschap onder de regel van de heilige Benedictus. Zo ontstond een priorij, die door Godfried I van Brabant onder de bescherming van de abdij van Affligem werd geplaatst. De opeenvolgende Brabantse hertogen breidden de rechten van de gemeenschap verder uit. De priorij verwierf op verschillende plaatsen bezittingen.

In 1245 kwam Groot-Bijgaarden los van Affligem maar pas in 1548 werd het een volwaardige abdij met Kathelijne van der Straeten als abdis.

In 1578, tijdens de Nederlandse Opstand, vluchtten de vrouwen naar Dendermonde en later naar Brussel. Zij keerden pas in 1598 terug om aan een volledige heropbouw te beginnen.

Toen aartsbisschop Matthias Hovius in conflict geraakte met benedictines Joanna Boisot, excommuniceerde hij haar. Zij kreeg het gedaan om deze straf te laten annuleren door paus Paulus V.

De abdij kende een slechts langzame en moeilijke ontwikkeling bij gebrek aan machtige beschermheren.
Pas in het begin van de 17e eeuw kwam er een geleidelijk herstel. In deze periode werd onder meer een nieuwe infirmerie gebouwd (1632).

In 1697 wordt een gedeelte van de gebouwen vernield tijdens de oorlog onder Lodewijk XIV.

Tijdens de 18e eeuw kende de abdij een hernieuwde bloei en welvaart, wat tot uiting komt in de bouw van een nieuw poortgebouw (1729), priesterhuis (1756) en pachthof (1775). Belangrijke wijzigingen werden verwezenlijkt onder abdis Filippina d’Ennetières de la Plaigne (1735-1761).

In 1794 werd de abdij opgeheven en in 1797 verkocht aan Jean-Claude de Bourbon uit Parijs en Lupart Belval uit Brussel.

De nieuwe eigenaars sloopten een groot gedeelte van de gebouwen waarbij enkel het poortgebouw, het priesterhuis, het pachthof, de infirmerie en de omheiningsmuur bewaard bleven. De bouwmaterialen van de sloop werden verkocht.

In 1815 werd het abdijdomein doorverkocht aan de familie Dansaert-Kreins: het pachthof werd een cichoreibranderij en het priesterhuis een particuliere woning.

In 1897 werd het volledige gebouwencomplex eigendom van de Broeders van de Christelijke Scholen. De broeders breidden kort hierna hun provinciaal huis aanzienlijk uit met een kapel, een noviciaat, een rusthuis en een secretariaat op de locatie van de voormalige moestuin (tussen 1897 en 1900).

In 1923 volgde nog het retraitehuis, in de jaren 1940 gevolgd door de grote centrale toren en een nieuwe vleugel tussen de kapel en het rusthuis. Een deel van de voormalige hoeve werd ingericht als school en in de jaren 1960 bouwde men een extra vleugel aan de lagere Heilig Hartschool (vandaag Broederschool).

In de jaren 1990 werd er tussen de hoeve en de school een nieuwe vleugel gebouwd. De gebouwen van het klooster werden nog verschillende malen aangepast gedurende heel de 20e eeuw en in de tuin in landschappelijke stijl werden verschillende heiligenbeelden en een Lourdesgrot geplaatst door de broeders.

Van de historische bebouwing die vanaf de 18e eeuw werd opgetrokken, resten momenteel het poortgebouw, het priesterhuis, het pachthof en de infirmerie. Ook de afbakening van het domein met park, moestuin, boomgaard en vijver, door een hoge met steunberen gestutte bakstenen omheiningsmuur bleef intact.

Midden in het domein liggen de funderingsresten van de begin 16e-eeuwse abdijkerk en het kloosterpand, tijdens opgravingen in 1900-1929 blootgelegd en een 40-tal centimeter boven het maaiveld hoger opgetrokken met recuperatiemateriaal.

Opgravingen vanaf 1946 verschaften informatie over de romaanse kerk. De opgravingen hebben uitgewezen dat de abdij maar liefst 5 opeenvolgende kerken heeft gekend.

Het abdijdomein wordt grotendeels omsloten door een 640 meter lange bakstenen omheiningsmuur, met verwerking van natuursteen in de onderste zone. Deze muur met steunberen is door middel van drie verschillende jaarstenen in 1636, 1641 en 1676 gedateerd.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)