De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




GRIMBERGEN - ABDIJ


(Antonius Sanderus – Chorographia Sacra Brabantiae 1659)




Op deze prent van Sanderus van omstreeks 1659 is de Abdij van Grimbergen te zien. Deze abdij is ook bekend als de Norbertijnenabdij van Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen. Deze abdij bestaat nog en is gelegen langs de abdijstraat in de gemeente Grimbergen.

Oorspronkelijk was de kerk van Grimbergen een "vrije" kerk, rechtstreeks afhankelijk van de bisschop van Kamerijk. Ze kwam in bezit van Wouter Berthout die ze circa 1110 terug aan de bisschop schonk op voorwaarde dat hij er een kloostergemeenschap zou stichten. Dit mislukte tot twee maal toe, en bij de dood van Wouter Berthout circa 1121 was de kerk die opgedragen was aan Onze-Lieve-Vrouw en de Heilige Petrus, geheel verlaten en vervallen.

Zijn zonen, Gerard en Arnout, verzochten Norbertus enkele broeders van zijn orde in de kerk te plaatsen onder bescherming van zijn abdij te Prémonstré. Deze derde stichtingspoging lukte dankzij het rijke dotatiegoed geschonken door de Berthouts die toen op het toppunt van hun macht stonden. In 1128 werd de stichting bekrachtigd en in 1132 vernieuwd; de oudste statuten dateren van 1133 of 1143.

De Abdij van Grimbergen werd gesticht als een dubbelklooster, maar reeds in 1140 verhuisden de norbertinessen naar Nieuwenrode waar het klooster in 1270 werd opgeheven. Van bij de stichting waren klooster- en parochiekerk één, aan de binnenzijde gescheiden door een muur. Om een duidelijk onderscheid te maken, werd vanaf 1280 de klooster- of binnenkerk toegewijd aan de apostelen Petrus en Paulus en de parochiekerk aan het Heilig Kruis en Sint-Servatius waaraan later Onze-Lieve-Vrouw werd toegevoegd. Ook hun wijdingsfeesten werden op verschillende dagen gevierd.

Na de Grimbergse oorlog (1142-1159) werd het klooster heropgebouwd, aanvankelijk met hulp van de Berthouts, later ook met de steun van de hertogen van Brabant. In de loop van 12e en 13e eeuw groeide het patrimonium en samen met Affligem en Dielegem werd zij één van de drie morele machten in West-Brabant.

De romaanse kerk, opgetrokken na de Grimbergse oorlog, was een kruiskerk, opgetrokken uit witte natuursteen onder een leien bedaking en met een vierkante toren op de viering. De abdij- en parochiekerk waren van elkaar gescheiden door een muur, aanvankelijk tot halverwege opgetrokken, later volledig.

In 1566 had de abdij zwaar te lijden van de beeldenstormers en in 1584 werd ze samen met de kerk, door een “verkeerde” politieke keuze van de abt, door Filips II in de as gelegd.

Bij de brand van 1584 werd de kerk gedeeltelijk beschadigd en de abdijgebouwen, de bakkerij, de brouwerij en alle huizen van het klooster volledig verwoest.

In 1600 keerden de norbertijnen naar Grimbergen terug. De abdij herstelde zich geleidelijk, wat gepaard ging met een wederopbouw.

Het kloosterpand van 1426 werd in 1628 met de bouw van twee gaanderijen in witte steen vervolledigd. In 1634 werden een nieuwe abdijhoeve en brouwerij opgetrokken.

Vanaf 1660 werd een nieuwe kerk gebouwd.

Deze prent van Sanderus uit 1659 toont de abdijsite dus met de nog te bouwen kerk.

In 1726-27 werd een herwerkte editie van de "Chorographia Sacra Brabantiae" uitgegeven in Den Haag. In de herwerkte editie verschenen bewerkte, min of meer geactualiseerde prenten die dus enigszins afweken van de originele prenten.

De originele versie was nog niet voorzien van de 2 kleinere afbeeldingen die op deze prent te zien zijn.

In 1665 waren het hoofdkoor en de twee zijkapellen en een stuk van het schip voltooid. De oosttoren was in 1664 tot op 18 meter en in 1668 tot op 35 meter opgetrokken. De vierde geleding was klaar in 1686. Omstreeks 1692 werd de toren gestabiliseerd. In 1699 werden het transept, de vieringskoepel en twee traveeën van het schip voltooid. De twee volgende traveeën, waardoor het schip even lang als het koor moest worden, werden nooit gerealiseerd.

In 1700 werden de gewelven van het schip en de zijbeuken geplaatst en de kerk in gebruik genomen.

De Abdij van Grimbergen kwam tot volle bloei in de 18e eeuw. In het begin van de 18e eeuw werd de titel "Onbevlekte Ontvangenis" aan de oude Mariatitel toegevoegd.

De vernieuwing van de abdijgebouwen werd verder gezet in de 18e eeuw met belangrijke realisaties: de oprichting van een nieuw prelaatskwartier (1710-1726) en conventsgebouw (1714), de bouw van het dormitorium (1717), het gastenkwartier en de prelaatskapel (1725),

In 1725 werd de kerk pas gewijd. Ook nu was er een afsluiting tussen koor en kerk die samen met de twee er tegen geplaatste altaren, kort na de Franse bezetting verdween.

In 1757 werd het ziekenhuis gebouwd; in 1767 een westelijke toegangspoort en in 1768 een pastorie.

In 1796 werd het klooster door de Fransen geconfisqueerd en in 1798 als nationaal goed openbaar verkocht aan de gebroeders la Palièrre die onmiddellijk met de sloop begonnen. De pastorie, de kerk, de grote en de kleine sacristie werden omwille van hun "openbaar nut" buiten de verkoop gehouden.

De abdijsite strekte zich op het einde van de 18e eeuw uit van het huidige Kerkplein en de Hogesteenweg ten zuiden, tot de Abdijstraat ten westen, tot over de Maalbeek ten noorden en de Rijkenhoekstraat met in het verlengde de Vorststraat ten oosten. De site was tot aan de beek volledig ommuurd.

Een westelijke en oostelijke toegangspoort leidde naar het prelaatsplein. Dit plein werd aan de westzijde afgesloten door paardenstallen; aan de noordzijde door koets- en karrenhuizen die het zicht op de achterliggende gebouwen, zijnde pachthof, schuur, stallen, brouwerij, bakkerij en smidse, belemmerde en ten oosten door een houtopslagplaats. De zuidzijde werd afgesloten door een lange classicistische vleugel waarin het gasten-, provisoren- en abtskwartier gelegen waren.

In het verlengde hiervan lagen de bibliotheek en de refter die door middel van het haaks geplaatste dormitorium met het noordelijke transept van de kerk verbonden werden. Ten westen van het dormitorium en palend aan de noordelijke zijbeuk van de kerk lag het eigenlijke convent opgetrokken volgens een vierkant. In het verlengde van de zuidelijke pandgang en uitkijkend over het Kerkplein (toen kerkhof) bevond zich de pastorie. Ten oosten van de kerk lag het geïsoleerde ziekenhuis. Ten zuiden van de Maalbeek besloeg de reusachtige visvijver de volledige breedte van het terrein; aan de overzijde van de beek lagen omgrachte spaarbekkens en een bos. De overige terreinen werden ingenomen door landschappelijke en geometrisch aangelegde tuinen en een boomgaard.

Enkel de kerk, de pastorie, het westelijk poortgebouw met portierswoning, de aanpalende stallen en een stuk van de ommuring tussen de poort en de pastorie bleven tot op heden bewaard.

Onder impuls van de parochiepriester herstelde de abdij zich langzaam en in 1833 keerden de kloosterlingen terug. Zeven jaar later verkreeg de norbertijnengemeenschap haar canonieke instelling terug.

Begin jaren 1820 werd de abdijsite diagonaal doorsneden door de nieuwe provinciale steenweg Aalst - Vilvoorde, waardoor de visvijvers aan de overkant van de steenweg kwamen te liggen.

Op de zuid-oostelijke hoek na, werd het gehele gebied beneden de steenweg in 1831 en 1854 terug aangekocht en circa 1860 ommuurd.

Het convent werd volgens een vierkantstructuur heropgetrokken in de periode 1833 tot 1901. In 1873 bouwde men naast het pachthof de "Vrije school".

In 1913 en 1914 werden de twee oudste vleugels van het convent gesloopt en vervangen door nieuwe; de werken duurden tot 1919. De toegang tot de abdij werd toen verplaatst naar de zuidvleugel.

In 1965 bouwde men het cultuurcentrum "Fenikshof" op de plaats van de "Vrije School" en werd een nieuwe school opgetrokken op de hoek Abdijstraat – Wolvertemsesteenweg.

In 1967 werd Mira, de eerste volkssterrenwacht van ons land, in het Feniksgebouw ondergebracht en in 1999 uitgebreid.

Met de heraanleg van het Kerkplein in 1990 verplaatste men de ingang van de abdij terug naar het voormalige oostelijk paviljoen van de pastorie waar een nieuwe inkomhal werd gecreëerd.

De V.Z.W. “De Vrienden van de Abdij van Grimbergen” werd opgericht in 1986 met als doelstelling “de geschiedenis en de oudheidkunde van de Abdij van Grimbergen te doen kennen en bij te dragen tot de vrijwaring, het herstel en de uitbreiding van haar kunstpatrimonium”.

In 1993 brak er een korte maar hevige brand uit in de abdijkerk.

In 1997 werd het eerste abdijbiermuseum van België geopend in de 17e-eeuwse boerderij van de abdij.

In 1999 verleende paus Johannes Paulus II de eretitel van basiliek aan de abdijkerk. De kerk van de Abdij van Grimbergen, ook gekend als de Sint-Servaasbasiliek, doet nog steeds dienst als parochiekerk. In 1999, op het hoogfeest van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria, werd aan de kerk de eretitel van basiliek verleend.

Het abdijbier Grimbergen wordt sinds 1958 gebrouwen door de firma Alken-Maes. Deze opende in mei 2021 samen met de abdij en de Carlsberg Group een moderne minibrouwerij in het abdijcomplex, waarmee de bierproductie daar na tweehonderd jaar weer terug was.

(Bronvermelding : Onroerenderfgoed.be; Wikipedia)