De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




GENT - DE STADSPOORTEN


(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)




Op deze prent van Sanderus wordt ons een panoramisch zicht verschaft van de stad Gent, gelegen in de huidige provincie Oost-Vlaanderen.

We focussen hier op de verschillende stadspoorten die Gent gedurende haar bestaan heeft gekend.

Omstreeks 1640 waren er nog 7 van deze stadspoorten functioneel.

De Gentse stadspoorten waren stadspoorten in de omwalling van de stad Gent in de huidige provincie Oost-Vlaanderen.

De stad kende in de loop der eeuwen verschillende omwallingen, waarin stadspoorten werden opgenomen. De poorten zelf zijn ondertussen allemaal verdwenen. Verschillende straatnamen en namen van kruispunten en buurten herinneren in Gent nog aan het bestaan van deze poorten.

De oudste omwalling van wat we nu de Portus aan de Reep noemen, werd gebouwd eind 9e, begin 10e eeuw. Deze omwalling liep rond een gebied bij de toenmalige Sint-Janskerk (nu Sint-Baafskathedraal) en de Nederschelde (Reep). Het traject liep van de Schelde aan de Jodenstraat, langs de Borreputsteeg, de Kalandeberg, de Lange Kruisstraat over het Sint-Baafsplein langs de (nu verdwenen) Regnessestraat tot aan de Schelde bij de Nederpolder/Bisdomkaai.

In de 12e en 13e eeuw was het historisch centrum omsloten door een eerste verdedigingsgordel van natuurlijke en gegraven waterlopen, namelijk de Schelde, de Ottogracht, de Leie, de Houtlei en de Ketelvest. Het geheel werd door stadspoorten versterkt.

De stad groeide verder en nieuwe buitenwijken werden bij de stad gevoegd in de loop van de 13e eeuw. De volgende jaren werd dit nieuwe grondgebied door nieuwe vestingen beschermd. Deze vormden geen ononderbroken omheining, maar maakten soms ook gebruik van de drassige landen rond de stad. De plaats van deze vroegere omwalling wordt nu op veel plaatsen ingenomen door de Gentse stadsring R40. In die 13e-eeuwse omwalling werden op de toegangswegen nieuwe stadspoorten opgetrokken. Op de plaats van verschillende van die poorten bevinden zich nu kruispunten op de stadsring.

Langsheen de Schepenenvijver werd een walvest opgetrokken met twee poorten namelijk de Koepoort op ‘t Stuk en de Steenpoort nabij de Hooi aan de Brabantdam.

De Vijfwindgatenpoort en walmuur aan het Klein Scheldeken kwam er bij de toevoeging van de Hooie en na de uitbreiding met het Zand en de heerlijkheid van Ravenschoot verschenen ook de Keizerpoort en de Sint-Lievenspoort.

De Koepoort en de Steenpoort deden aanvankelijk dienst als buitenpoorten in plaats van de Brabantpoort die meer richting centrum lag. Echter, door de oprichting van de Vijfwindgatenpoort verloren zij hun functie.

Rond het Zand en de heerlijkheid wordt ook nog de Keizervest gegraven, als een bijkomende verdediging.

Vanaf 1578 werd de grens van stad Gent bepaald door de Rietgracht. De volgende eeuwen waren grote aanpassingen aan de omwallingen niet nodig. In de 16e eeuw werden echter op verschillende plaatsen veranderingen doorgevoerd. De binnenpoorten verdwenen en de omwalling van het Sint-Baafsdorp verdween. Op die plaats werd het Spanjaardenkasteel opgericht. De vestingen werden op verschillende plaatsen versterkt en enkele nieuwe vesten werden gegraven. In het oosten kwam het geheel wat dichter bij de stad te liggen en werden de Heirnis en Muide van het centrum gescheiden.

De poorten van Gent hadden niet alleen de bedoeling bescherming te bieden aan de stad. Het waren ook de plaatsen waar tol betaald werd door de handelaren om hun koopwaren te kunnen invoeren in Gent. Door de uitbreidingen binnen Gent in de middeleeuwen was het mogelijk dat bestaande poorten hun functie verloren en verplaatst werden naar verder afgelegen en nieuw gebouwde poorten.

Sommige poorten, zoals bijvoorbeeld de Brabantpoort, had naast een poortfunctie ook de functie van opvang, zoals bij de Brabantpoort van melaatsen.

Enkele poortgebouwen werden gedeeltelijk verhuurd als woning.

Onder keizer Jozef II werden de vestingen vanaf 1781 geleidelijk en gedeeltelijk ontmanteld en enkele poorten verdwenen. Sommige poorten werden onder Frans bewind nog vervangen door ijzeren hekken en fungeerden nog een tijd als tolpoort. Na de afschaffing van het octrooirecht in 1860 verdwenen uiteindelijk alle stadswallen en poorten.

We geven hieronder een overzicht van de stadspoorten die ooit in Gent hebben bestaan.

We maken hierbij een onderscheid tussen de poorten die bij het opmaken van de prent van Sanderus, omstreeks 1640, reeds verdwenen waren of niet meer functioneel waren en deze die wel nog effectief fungeerden als een stadspoort van de stad Gent. Deze laatsten bespreken we verder hieronder.


Brabantpoort

De Brabantpoort of Braempoort was de zuidoostelijke toegangspoort vanuit Brabant. De poort lag op de huidige Brabantdam en verdween in 1779.

Ze werd voor het eerst vermeld in een oorkonde uit 1199 en werd ook Braempoort genoemd naar een belangrijke familie die dichtbij woonde.

De Braemgaten verwijzen naar de nog steeds bestaande watermolenbrug over de Schelde, vlak bij de poort. Eind dertiende eeuw werd een stadswatermolen gebouwd om de waterstand  te regelen met een stuw. De stuw bevond zich ter hoogte van de brug, die met de Brabantpoort een geheel vormde. Ze bestond uit schotbalken en zorgde voor een kunstmatig hoogteverschil. Dat werd gebruikt om de in 1298 gebouwde houten watermolen aan te drijven. De watermolen brak men in 1884 af.

De Brabantpoort gaf toegang tot Gent vanaf Brabant in het zuidoosten. Keizer Karel gaf, na het beteugelen van de Gentse Opstand in 1540 het bevel om de poort af te breken. De poort had toen de taak om tol te heffen verloren door de uitbreiding van de stad. Ze verdween gedeeltelijk in 1562, maar pas volledig in 1779.

Bij de uitbreiding van Gent verplaatste de functie van poortgebouw zich naar de Vijfwindgatenpoort (rond 1300) en later naar de Sint-Lievenspoort (rond 1350).

De Brabantpoort had naast zijn poortfunctie ook de functie van opvang van melaatsen. Dit gebeurde in één van zijn nevengebouwen. Men noemde dit het “Sieckhuuse voor ackersieke”.

De molen en brug bleven bestaan tot rond 1880.


Ketelpoort

De Ketelpoort is gebouwd  in de 12e eeuw en was een zuidwestelijke toegangspoort gelegen aan de Ketelvest. Zij werd ook wel de “Franse Poort” genoemd omdat de weg die onder de poort vertrok richting Frankrijk liep.

De Ketelpoort had een buiten- en een binnenpoort aan weerszijden van de vest en  deze torens waren verbonden door een brug.

Na het bouwen van de Heuvel- of Kortrijksepoort verloor de Ketelpoort haar functie als buitenpoort.

Tussen 1777 en 1780 werd de volledige versterking afgebroken.


Torenpoort

De Torenpoort of Turrepoort was de meest noordelijke poort op de Houtlei, aan De Poel. Ze werd gebouwd in de 12e eeuw.

De Torenpoort kreeg verschillende namen.  “Porta Turita” (Torenpoort) omdat deze toren een grote omvang had,  “Porta Trunchi” (Drongenpoort) , omdat ze naar Drongen leidde, en ook “Porta Turitana” (Torhoutpoort), omdat men in die richting een vermaarde jaarmarkt bereikte.

Deze toren was ook de westelijke toegangspoort gelegen aan de Houtlei, nu de Oude Houtlei. De Torenpoort stond op de plaats waar de Poel, de Oude Houtlei en Ramen samenkomen.

De Torenpoort was een dubbele poort in blauwe aardsteen en was één der grootste van de stad. Het was dus een echte vesting. Het was een dubbele poort met één been op de Houtlei (bestaande uit twee zware, ronde torens versierd met fraaie beelden). Het andere been stond op de Poel.  Tussen beide torens op het deel aan de Houtlei bevond zich één van de oudste bruggen van Gent: de Turrebrug.

De binnenpoort verdween al in 1563.  In de buurt ligt nu nog de Turrepoortsteeg.

De volledige ontmanteling van deze poort gebeurde in 1852 en was een hele klus door de stevigheid van het bouwwerk.


Zandpoort

Voorbij de Posteernepoort lag de Zandpoort, reeds in het begin van de 13e eeuw vermeld als "Santporte". Ze ontleende haar naam aan de zandachtige grond waarop ze zich bevond. De Zandpoort was in vergelijking met andere poorten vrij hoog. Ze bezat ook twee ronde torens met een overwelfde doorgang en vormde een indrukwekkend geheel.

Deze poort werd in de 17e eeuw ook "Zottepoort" geheten omwille van de nabijheid van het « Simpelhuis », een gesticht voor geesteszieke vrouwen dat de schepenen er hadden opgericht in 1605.

Het is vrijwel zeker dat de Zandpoort of wat er toen nog van overbleef in 1862 werd afgebroken.

De Zandpoortstraat verwijst naar het bestaan van deze stadspoort en de ligging ervan aan de Oude Houtlei.


Posteernepoort

Van oudsher vormde de Leie vanaf de Henleykaai tot en met de Achterleie de grens tussen het Portus en de Villa Ekkergem. De linkeroever van de Leie gelegen tussen het Kuipgat en het Gravensteen noemde men Overleie.

In 1165 kwam dit gebied in handen van de Portus. Onmiddellijk werden de nieuwe grenzen versterkt door middel van een brede gracht, die weldra Houtlei zou genoemd worden. Men versterkte deze grens met een vestingmuur die op 3 plaatsen onderbroken werd door poorten.

In het zuiden lag de Zandpoort, in het midden lag de Posteernepoort en in het noorden lag de Torrepoort.

De Posteernepoort was een waterpoort. Door middel van een nabijgelegen sluis kon men de nabije omgeving onder water zetten.

De Posteernepoort werd ook wel Bestormpoort genoemd. Het woord posterne is oud-frans, en komt van het Latijnse woord « posterula », wat onderaardse gang betekent. Dit verwijst naar een geheime poort onder de eigenlijke grote poort.

Deze poort gaf toegang tot een gang die uitkwam achter de eventuele belegeraars. In oorlogsomstandigheden kon men zo de vijand in de rug aanvallen of ook vluchten. De poort zelf was een dikke ronde toren die later ook diende als bergplaats voor wapens of andere goederen.  De poort was eigendom van de stad.

Het verleggen van de stadsomheining in de 14e eeuw van de Houtlei naar de Brugse Poort maakte van de 3 genoemde poorten minder functionele binnenpoorten

De Posteernepoort werd in 1842 door de Jezuïeten afgebroken. Deze wilden een grotere kerk bouwen, als vervanging voor de te klein geworden kapel van de nonnen van Oost-Eeklo. Deze poort stond dus op de plaats van de voormalige Jezuïetenkerk (thans eigendom van Sint-Lucas), aan de Posteernestraat.

De Houtlei zelf werd in 1899 gedempt.


Sint-Jorispoort

In 1213 werd de Sint-Jorispoort gebouwd. Rond 1418 sprak men over de Gentse Joeris poerte. De Sint-Jorispoort werd ook wel de Sint-Baafspoort geheten daar de weg leidde naar de Sint-Baafsstede.

Het beeld van Sint-Joris kreeg er ook zijn plaats in 1424. De poort werd gesloopt in 1577.

Nabij liggen nu de Sint-Joriskaai en de Sint-Jorisbrug. De Sint Joriskaai werd aangelegd langs de Leie van Nieuwbrugkaai tot de Steendam, tussen 1893 en 1899. 


Steenpoort

De heerlijkheid Overschelde, eigen goed van de graven van Vlaanderen, werd in 1254 door de Gravin van Vlaanderen, Margaretha van Konstantinopel, en haar zoon Gwijde van Dampierre afgestaan aan het Gentse stadsbestuur, dat trouwens in die periode nog andere wijken toegewezen kreeg zoals onder meer de Muide.

Na toevoeging van de Brabantwijk (De heerlijkheid van Overschelde) in 1254 bij Gent werd de Steenpoort of Hooipoort geconstrueerd aan de Brabantdam ter hoogte van wat eertijds de Sint-Christoffelkapel van het godshuis der volders was, sinds 1816 gekend als de “Protestantse Tempel”.

Een vroegste bron over deze oostelijke poort op de Brabantdam spreekt over “ter Hoyporten” omstreeks 1323.


Koepoort

De Koepoort werd opgericht als dienstpoort bij de Schelde na toevoeging van de Brabantwijk (Overschelde) bij de stad Gent door gravin Margareta van Constantinopel en haar zoon Gwijde in 1254.

Het gebied de Overschelde werd vanaf de 11e-12e eeuw gebruikt voor veeteelt. Hoogstwaarschijnlijk ontleent de Koepoort haar naam aan de koeien die door de poort naar hun weiland werden gebracht.

Deze poort werd in 1554 afgebroken.

De Koepoortbrug, soms ook kortweg Koebrug genoemd, was een stenen brugje over de gracht, gegraven in 1254 en Schepenvijver genoemd, welke van de Oude Schelde verbinding gaf met de Nederschelde, stroomafwaarts van de gewezen Sint-Baafsbrug.

Deze stenen, gewelfde brug, werd nog in 1810 verbreed om in 1846 te verdwijnen na de overwelving van de Schepenvijver.

De huidige Koepoortkaai kreeg haar naam van de afgebroken Koepoort.


Schaapbrugpoort

De Schaapbrugpoort was een noordwestelijke poort ter verdediging van de Oudburg.

De Schaapbrugpoort of “Poort ten Schaepenbrugghe” stond op de brug van de Schipgracht.

Samen met de Grauwpoort en Waterpoort hadden zij een verdedigende functie wat betreft het gebied rondom het Oudburg dat in 1274 bij Gent werd geannexeerd.

Deze poort deed ook dienst als bewaring van gijzelaars.

De poort werd reeds in de loop van de 16de eeuw afgebroken.


Grauwpoort

De Grauwpoort of Grijze Poort was een uit donkergrijze aardsteen gebouwde stadspoort. Er zijn vermoedens dat deze poort samen met de Waterpoort opgericht was ter verdediging van het Oudburg. Deze poort stond op de plaats waar nu de Sleepstraat begint.

Op de Schipgracht, op de gracht rond de Portus, die de Leertouwersgracht met de Leie verbond, bevond zich nog een andere poort, de Waterpoort. Deze beide poorten waren op de nu geheten Tichelrei, hoek Sleepstraat geplaatst. De buitenste poort, de Grauwpoort, was van beide de jongste.

Deze poort werd reeds in 1353 beschreven als “buten der Grauwer porten”.

Krachtens een bevel van Karel V in 1540 vond de afbraak van deze poort in 1558 plaats.

Ook de Grauwpoort leeft voort als straatnaam.


Waterpoort

Deze poort bevond zich aan de brug bij Oudburg. Het was een noordwestelijke poort die was opgetrokken ter verdediging van het Oudburg. Haar naam ontleende ze aan het water dat door de sluis liep.

Ook deze poort werd waarschijnlijk afgebroken omstreeks 1540 krachtens een bevel van Karel V.


Vijfwindgatenpoort

Door de uitbreiding van het woongebied langs de Nederschelde zag de stad zich verplicht de verdedigingslijn langs de Schepenvijvergracht meer zuidwaarts te verplaatsen.

Men voorzag een brug met sluisdeuren die een gracht op het einde van de Sparik (nu Lange Violettenstraat) zou overspannen. Het duurde tot 1325 vooraleer de nieuwe defensielijn klaar was. De gracht was volledig afgezet met hoge muren en torens en voorzien van twee poorten.

De Windgatenpoort, op de weg naar Brussel en een waterpoort, die moest toelaten de sluizen gemakkelijk te bedienen en te verdedigen. De gracht, spoedig "Klein Scheldeken" genaamd, verbond zoals zijn voorganger de Schepenvijver, met de Nederschelde.

Daar het peil van de Oude Schelde merkelijk hoger lag dan dit van de Nederschelde had men zijn toevlucht moeten nemen tot sluizen. Het waterverval nodigde uit tot het bouwen van molens wat dan ook gebeurde.

Tussen 1352 en 1551 kwamen drie waterraderen de boorden van het Klein Scheldeken tussen de brug en de uitmonding in de Nederschelde versieren.

De verdedigingsfunktie van het Klein Scheldeken duurde maar een zestigtal jaren. Weer door de voortdurende groei van de stad zag men zich verplicht het nog verder zuidwaarts te zoeken. De Rietgracht, gegraven tussen 1378 en 1384 en voorzien van de Keizer- en Sint Lievenspoort (1409) moest voortaan de vijandelijke aanvallen afweren. De poort "ter Windgaten" was dus een alledaagse binnenpoort geworden. Ze werd nog gebruikt als opslagplaats, vooral voor de tenten en het krijgsmateriaal van de Gentse milities.

Omstreeks 1540 werd de poort afgebroken. De brug met de sluizen bleef behouden.

De Rietgracht zorgde er ondertussen voor dat de Oude Schelde en daarmede ook het Klein Scheldeken in onbruik raakten.

Niettegenstaande stadsvoorschriften die de aanliggende eigenaars tot baggeren verplichtte kon men de wildgroei en de aanvoer van slik niet meer de baas. De riviertjes werden dan ook langzaam onbevaarbare open afvoerkanalen.

De situatie bleef onveranderd tot het begin van de 19e eeuw. In 1836 werd een groot deel van de Oude Schelde overdekt voor het aanleggen van de spoorweg naar het Zuidstation. Het duurde juist honderd jaar tot men in 1936 het laatste stuk van die eens zo mooie rivier in riolen had verlegd.

Het stukje Klein Scheldeken tot aan de Vijfwindgaten werd terzelfdertijd tot afvoerpijp gedegradeerd. In 1939 werd ook het deel tussen de brug en de Nederschelde gedempt.


Hospitaalpoort

Het Sint-Annagodshuis of het Hospitaal van Sint-Baafs werd opgericht in 1206 aan de Rietgracht, in de omgeving van de Sint-Baafskouter en de Heernis.

De Hospitaalpoort of Spitaalpoort, gelegen vooraan op de Antwerpse Steenweg, werd in de loop van de 14e eeuw gebouwd. Het was een oostelijke toegangsweg vanuit de weg naar Dendermonde.

De Hospitaalstraat en de Spitaalpoortstraat herinneren ons aan het bestaan van dit verdedigingsgebouw.

In 1426 herbouwde men de poort waarna in 1488 een vesting werd aangelegd tot aan de Muidepoort. De poort verbond de stad met het Sint-Baafsdorp en was na de Dendermondse Poort eveneens gebouwd tot bescherming van dit dorp en zijn abdij.

In 1524 werd de poort opnieuw herbouwd.

De poort verdween volledig in 1577 en in de buurt bouwde men onmiddellijk de Dampoort of Antwerpsepoort die dichter bij de stad lag.


Dendermondse poort

In 1396 werd de Dendermondse poort opgericht over de oostelijke stadsgracht heen. Het was een vierkantig bolwerk met versterkte ophaalbrug en een vierkante voorpoort. Aan beide zijkanten bevonden zich flankeertorens met kantelen.

Samen met de Spitaelpoort en omgeven door de Rietgracht werd zo het St.-Baafsdorp,  waar nu de Dampoortwijk deel van uitmaakt, versterkt.

Schietgaten zowel in flankeertorens als in de voorpoort duiden op het gebruik van kanonnen. Boven de poort bevonden zich heiligenbeelden.

Uit de stadsrekeningen dd. 1419-1420 blijken de laatste uitbetalingen aan aannemers.

In 1541 liet Keizer Karel de poort slechten in het kader van de oprichting van de citadel, zoals in de Carolijnse Concessie was opgenomen.


Walpoort

De Walpoort werd gebouwd onder de regering van Margaretha van Constantinopel (1244-1280) en diende als verdediging van de Zuidflank van Gent.

Deze poort aan de Ketelvest bevond zich op de belangrijke invalsweg van het Sint-Pietersdorp naar het portus.
In 1765 verdween deze poort voorgoed.



Hieronder tonen we de stadspoorten van omstreeks 1640 die op de prent van Sanderus werden afgebeeld:




Brugsepoort (1)

Tijdens de uitbreiding van Gent naar het noordwesten toe werd, aan het einde van de 13e eeuw, grotendeels op de opgevulde stadsgracht, de Waaldam, een versterkte poort gebouwd: de Brugse Poort, ook de Waalpoort genoemd.

Het was een westelijke toegangspoort komende van de weg naar Brugge.

De poort en de dam bleven tot in de 19e eeuw bestaan. Ondertussen werd de Brugse poort in de 15e, 16e en 17e eeuw gerestaureerd of herbouwd.

Toen de calvinisten in 1577 meester van de stad waren geworden, werd nog een tweede Brugsepoort gebouwd. Opgericht aan het nu bestaande kruispunt van de Brugsepoortstraat-Noordstraat en de Contributiestraat-Begijnhoflaan, stond deze poort op de as van haar naamgenote.

In de 17e eeuw werd de poort, waarschijnlijk uit noodzaak, breder en monumentaler opgetrokken.

In het begin van de 18e eeuw was de Brugsepoort aan herstelling toe en ongeveer honderd jaar later, tijdens de Franse bezetting, werd er een wachthuis in empirestijl aan toegevoegd.

De oude Brugsepoort bevond zich ongeveer middenin de huidige Noordstraat.

Gezien de miserabele toestand waarin de tweede poort verkeerde, werd deze reeds in 1782, op bevel van keizer Jozef II gesloopt.

Met de afschaffing in 1860 van de octrooirechten werden de stadspoorten overbodige monumenten. Zo ook de
Brugsepoort die tijdens de volgende maanden werd gesloopt.

De naam leeft verder in de Brugsepoortstraat en de wijk Brugse Poort.



Muidepoort (2)

Een eerste Muidepoort kwam tot stand in 1323 en bevond zich in het noorden van Gent in de buurt van de huidige Vorkstraat.

Na in 1426 te zijn heropgebouwd werd deze “buitenpoort” tijdens de periode 1782-1784 afgebroken.

Een tweede Muidepoort werd opgericht, mede door de godsdiensttroebelen, in de nabijheid van de stad aan de Sleepstraat. Door haar ligging vanuit de stad gezien verkreeg zij de naam van “eerste Muidepoort”, ook nog “Sassepoort” genoemd.

De eerst opgerichte Muidepoort uit 1323 werd zo de “tweede Muidepoort” of “Buyten Muyde Poorte” genoemd.

De Sassepoort werd na afbraak op bevel van keizer Jozef II herbouwd aan de Sassevaartstraat in 1789-1791 tijdens de periode van de Brabantse Omwenteling. De bouw van een school aan de Voormuide luidde het einde in van deze poort om definitief te verdwijnen in 1860 na afschaffing van de octrooirechten.



Dampoort (3)

In de middeleeuwen maakte de (huidige) Dampoort oorspronkelijk deel uit van de Sint-Baafsabdij.

In de late middeleeuwen werden de gronden bij het stedelijke Gent gevoegd en binnen de derde stadsomwalling opgenomen. Behalve door de Rietgracht werd het gebied sinds de 14e eeuw ook verdedigd door de Spitaalpoort en de Dendermondse Poort.

Met de aanleg van een nieuwe stadsvesting in de tweede helft van de 16e eeuw werd de stad aan de oostzijde ingekrompen en kwam een gedeelte van de wijk Dampoort buiten de omwalling te liggen.

Op het nieuwe tracé werd de Dampoort of Antwerpse Poort opgetrokken.

De Dampoort verving in 1577 de meer oostwaarts gelegen Hospitaalpoort.

Nadat ze was herbouwd in 1782 verdween de Dampoort bij de aanleg van het dok in 1828.

Rond 1830 verrees er een nieuwe Dampoort die bij het afschaffen van  het octrooi in 1860 definitief werd gesloopt.

Vanaf de 17e eeuw groeide het stadsdeel rond de Dampoort uit als een typisch voorstedelijk gebied.



Brusselsepoort (4)

De oorspronkelijke omheining van de stad Gent telde vier poorten, namelijk de Steenpoort, de Torenpoort, de Brabantpoort en de Ketelpoort.

Het kwartier voorbij de Brabantpoort, Overschelde genoemd, werd door gravin Margaretha van Konstantinopel bij de stad ingelijfd in 1254. De versterkingen werden verplaatst tot op het einde van de Brabantdam tot ongeveer aan de protestantse tempel, waar een gracht werd gegraven, de Schepenvijver.

De nieuwe poort kreeg de naam Steenpoort; een tweede poort was de Koepoort aan de Schelde.

Rond 1325 werd de stad weer uitgebreid door de inlijving van het kwartier Hoye; een nieuwe gracht werd gegraven op het einde van de Lange Violettenstraat tussen de Oude Schelde in de Muinkmeersen en de Schelde. De nieuwe poort werd genaamd Vijfwindgatenpoort. Deze poort was in gebruik in 1326.

Tenslotte tussen 1378-1384 werd ook het Zand ingelijfd, waardoor nog eens een nieuwe gracht werd gegraven, de Keizersvest.

De Brabantpoort, de Steenpoort, de Koepoort en de Vijfwindgatenpoort, die versterkte binnenpoorten gebleven waren, werden in uitvoering van de ordonnantie van 1540 afgebroken.

De Brusselsepoort werd eerst Sint-Clarapoort genoemd omdat er te Gentbrugge een klooster lag van de Rijke Klaren. Dit klooster werd afgebroken in 1578 omdat het te dicht bij de versterkingen lag.

De Brusselsepoort werd ook wel de Keizerpoort genoemd.

De Brusselsepoort was een zuidoostelijke poort die aan het uiteinde lag van de huidige Brusselsepoortstraat en de Ketelvest.

Het was burgers toegestaan de gebouwen van de Brusselsepoort te bewonen mits de schepenen van de stad dit goedkeurden.

De Brusselsepoort werd volledig herbouwd in het begin van de 16e eeuw.

In 1527 werd er naast de poort ook een watermolen gebouwd. In 1563 kocht de stad Gent deze watermolen aan.

In 1608 werd de Brusselsepoort nogmaals herbouwd. In 1700 was de Brusselsepoort in een bouwvallige toestand.
Jozef II liet in 1781 de stadspoorten afbreken en de bolwerken nivelleren.

De Brusselsepoort bestond uit een rechthoekig hoofdgebouw geflankeerd door vier torens : twee grote torens langs de buitenzijde van de stad en twee kleinere torens achteraan. De poort werd langs buiten nog eens beschermd door een voorpoort bestaande uit een dikke muur en met vooraan twee kleine torens. Twee brugbogen lagen onder het voorgebouw; een houten vloer of een ophaalbrug gaf toegang tot de voorpoort.

Daar de Brusselsepoort nabij de Schelde lag, werd nog een aanvullend verdedigingswerk gebouwd bestaande uit twee muren, waarvan de eerste evenwijdig met de stadsgracht aan de grote toren aanleunde en de tweede muur evenwijdig was met de Schelde, beide muren werden verenigd door een toren.

De afgebroken poort werd na 1786 vervangen door een voorlopige afsluiting in hout.

In 1806 werd een nieuwe poort gebouwd. De nieuwe poort bestond uit twee vierkantige pilaren uit witte steen en een ijzeren hekken. Er was ook een kleine versterking, een wachthuis en een bureau voor de bedienden van het octrooi. Dit werd afgebroken omstreeks 1885 bij de bouw van een nieuwe Willemsbrug.

Toen in 1860 de octrooirechten werden afgeschaft, werden de ijzeren hekken reeds weggenomen.

De beide pilaren, die de laatste herinneringen waren aan de Brusselsepoort en de brug met drie bogen werden afgebroken in 1884.



Sint-Lievenspoort (5)

Nadat  de “Heerlijkheid van Raveschoot” (Muinkmeersen) en het “Zand” aan het grondgebied van Gent was toegevoegd werd tussen 1378 en 1384 de verdedigingswal “Keizersvest” gegraven. Deze stadsgracht verbond de Schelde bij het binnenvloeien en uitvloeien van de stad. Het nadeel was de onbevaarbaarheid van deze gracht. De schepen die de Schelde opvaarden zagen zich verplicht de ganse stad te doorkruisen.

‘t Zand zelf was een gebied gelegen tussen de Vijfwindgatenpoort, de Brusselsepoort en de St.-Lievenspoort.

De Sint-Lievenspoort was een zuidoostelijke poort. De poort werd gebouwd in het begin van de 14e eeuw in het verlengde van de huidige Sint-Lievensstraat.

In 1572 werden wachthuizen - sterke bouwwerken voorzien van een torentje - in de  nabijheid van de poort gebouwd.

De gebouwen van de poort werden verhuurd aan particulieren.

Na de afschaffing van de octrooirechten in 1860 viel de poort in onbruik.

Toen de stadsgracht verbreed werd tot een bevaarbare rivier werden in 1882 de grondvesten weggebroken.

De Sint-Lievenspoort is thans de naam van het kruispunt van de stadsring die hier Keizersvest wordt genoemd en de Sint-Lievenspoortstraat.



Overpoort (6)

De Overpoort werd ook wel Heuverpoort, Heuvelpoort of Sint-Pieterspoort genoemd. In de 15e eeuw noemde men ze Heuverpoorte. Het was een zuidelijke toegangspoort tot het Sint-Pietersdorp.

De Overpoort werd gebouwd in de tweede helft van de 13e en in het begin van  de 14e eeuw en was vermoedelijk niet zo sterk, want men begon ze te herbouwen in 1405.

De Overpoort zou vroeger ook hebben gediend om personen, die aan melaatsheid leden, op te sluiten.

De poort was gelegen aan het einde van de huidige Overpoortstraat, aan het kruispunt met de Gentse stadsring.

De Overpoort werd herbouwd tijdens de godsdiensttroebelen in de 16e eeuw. De werken begonnen in 1579.

In 1632 liet de stedelijke overheid nieuwe werken aan de versterkingen aan de Overpoort uitvoeren.

Om de stad beter te beschermen tegen de aanvallen van het Frans leger tijdens de Spaanse successie-oorlog werden nieuwe versterkingen gebouwd in de nabijheid van de Overpoort. Alzo werd een klein fort met torentje aan de oever van de Schelde aan ter Plaeten gebouwd, een torentje dat thans nog bestaat.

In 1662 werden muren gebouwd tussen de Overpoort en de Kortrijkse Poort. In 1676 werden deze muren versterkt.

Wanneer in 1678 de legers van Lodewijk XIV de stad Gent belegerden, vielen ze de Overpoort aan. Na de belegering werd de poort hersteld en bleef ze zonder grote veranderingen tot in 1827, het jaar waarin ze werd afgebroken.

In 1829 werd een nieuwe poort gebouwd, bestaande uit twee gemetselde kolommen verbonden met een ijzeren hek. De nieuwe poort werd afgebroken in 1860 na de afschaffing van de stedelijke octrooirechten.



Kortrijksepoort (7)

De Kortrijksepoort of Petercellepoort was gelegen aan de zuidelijke toegang naar het stadscentrum van Gent op de weg naar Kortrijk en was één der belangrijkste versterkingen van de tweede verdedigingsgordel. Deze poort lag op het einde van de huidige Kortrijksestraat, ter hoogte van het kruispunt met de stadsring.

Zij ontleent haar Latijnse naam aan de Sint-Pietersabdij : « Petri cella ».  Deze poort was reeds gebouwd omstreeks 1325

Tijdens de godsdienstonlusten in de tweede helft van de 16e eeuw werden  verdedigingsstellingen gebouwd rond de stad.

Enkele poorten werden versterkt of herbouwd. De Kortrijksepoort werd volledig herbouwd in 1579.

Deze poort werd nogmaals volledig herbouwd in 1675. Voor de vestingen en links van de Petercellepoort werd toen ook een bijkomend verdedigingswerk gebouwd, Fort Monterey genaamd (dit fort werd in 1783 verkocht en afgebroken).

De nieuwe versterkingen bleken echter niet in staat het leger van Lodewijk XIV tegen te houden in 1678.

In 1781 werden op bevel van keizer Jozef ll een aantal versterkte steden in de Nederlanden ontmanteld. Men behield slechts rond de stad de stadsgrachten en dit om de ontduiking van de stadsrechten (octrooien) te verhinderen.

De Kortrijksepoort werd als verdedigingswerk afgebroken en vervangen door een houten palissade tussen de twee muren.

In 1808 werd een nieuwe Kortrijksepoort gebouwd, genaamd Napoleonpoort. Het was een poort waarbij twee paviljoenen verbonden waren met een ijzeren hek aan twee kolommen met bovenop een stenen arend, waar tussen de poort.

Na 1815 kreeg de poort haar oude benaming Kortrijksepoort of Petercellepoort terug.

De Kortrijksepoort werd afgebroken in 1860, als gevolg van de afschaffing van de octrooirechten.



(Bronvermelding : deze teksten werden opgemaakt in 2025 en zijn gebaseerd op info van Gent-geprent.com, Onroerenderfgoed.be en Wikipedia)