De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)
MENU
Terug naar HOMEPAGINA
Terug naar INHOUDSOPGAVE
GENT - SINT-PIETERSABDIJ
(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)
Op deze prent van Sanderus van omstreeks 1640 is de Sint-Pietersabdij te zien in Gent in de huidige provincie Oost-Vlaanderen.
Deze abdij is nog grotendeels aanwezig en is gelegen langs de Kantienberg en het Sint-Pietersplein.
De ontwikkeling van Gent werd in belangrijke mate bepaald door zijn uitzonderlijke geomorfologische ligging. De stad ontwikkelde zich rondom de samenloop van twee rivieren, de Schelde en de Leie. Van de hogere gronden nabij die samenvloeiing, vormt de Blandijnberg de hoogste top.
Waarschijnlijk in de loop van de 7e eeuw werd de abdij gesticht. De Blandijnberg of althans het gedeelte van de latere Sint-Pietersabdij en Aaigem (het gebied rond het huidige Sint-Pietersstation) kwamen in die periode in handen van de Merovingische koningen. Een gedeelte van die bezittingen, waaronder zeker de Blandijnberg, werden door Dagobert I aan Amandus, een zendeling uit Aquitantië geschonken, mogelijk om er een klooster te stichten.
Het Blandiniumklooster (de latere Sint-Pietersabdij) ontstond ongeveer gelijktijdig met het Gandaklooster, de latere Sint-Baafsabdij.
In het begin van de 8e eeuw was Blandinium nog een zogenaamd dubbelklooster, een kloostergemeenschap met zowel mannelijke als vrouwelijke religieuzen. De eerste kerk en het eerste klooster waren gewijd aan de heiligen Petrus en Paulus. In de loop van de 8e eeuw moet Blandinium zich tot een mannenklooster hebben ontwikkeld.
Onder het bewind van Karel de Grote kreeg het klooster verschillende schenkingen. Het klooster genoot een vorstelijke bescherming. De eerste helft van de 9e eeuw staat dan ook bekend als een bloeiperiode voor het klooster. Een zelfde lekenabt werd aangesteld voor het Blandiniumklooster en het Gandaklooster. Beide kloosters kwamen dus onder één bestuur terecht, maar tot een echte fusie kwam het niet. Beide kloosters wisten hun zelfstandigheid te behouden.
Bij de plundertochten van de Noormannen in de tweede helft van de 9e eeuw
kregen beide kloosters het hard te verduren, waardoor de kanunniken ervan moesten vluchten. Het Noormannengevaar zou pas omstreeks 883 volledig geweken zijn.
Kort daarna keerden de kanunniken terug naar Blandinium. De kanunniken van Ganda bleven nog veel langer weg. Dit had tot gevolg dat Blandinium gedurende enkele decennia het enige klooster was in Gent en dat het van deze situatie heeft geprofiteerd om zich snel terug te herstellen en de gunst van de grafelijke familie te winnen.
Het uiteenvallen van het Karolingische Rijk en de invallen van de Noormannen leidden tot de teloorgang van heel wat kloosters, maar niet tot dat van Blandinium. Dit klooster kon zich vrij snel herstellen, voornamelijk onder impuls van graaf Arnulf I van Vlaanderen, die aan de abdij tal van mogelijkheden bood om zich te ontplooien.
In 941 werden de kanunniken vervangen door monniken, aan wie de strikte naleving van de Regel van Benedictus werd voorgeschreven. Op die manier werd de abdij een benedictijnenabdij.
Graaf Arnulf I stond ook in voor het materiële herstel van de gebouwen. In 975 werd de nieuwe kerk reeds ingewijd.
De Sint-Pietersabdij groeide uit tot een belangrijk hervormingscentrum met een uitstraling tot ver buiten de grenzen van het graafschap.
In de 11e en de 12e eeuw kende de abdij een ware bloeiperiode. De abten hadden wereldlijke, geestelijke en rechterlijke macht in het zogenaamde 'Sint-Pietersdorp' dat onafhankelijk was van de stad Gent tot in 1796.
De verdere uitbreiding van bezittingen kon plaats vinden door middel van schenkingen, aankopen en ontginningen. Op die manier verwierf de abdij ook buiten Gent grote bezittingen, zoals talrijke parochies en heerlijkheden in Vlaanderen, bij Doornik en Rijsel, in Zeeuws-Vlaanderen en in Engeland.
Er kwam een nieuwe belangrijke kloosterhervorming volgens de regel van Cluny (een strenge terugkeer naar de regel van Benedictus). Naast de financieel-economische moeilijkheden eind 12e en begin 13e eeuw, kwam een religieuze crisis midden 13e eeuw de toestand van de abdij geenszins verbeteren. Er vond evenwel een economisch herstel plaats op het einde van de 13e eeuw en er was sprake van relatieve bloei in de 14e en 15e eeuw.
Ten gevolge van een brand in 1378 dienden in de abdijkerk wel verscheidene herstellingswerken uitgevoerd te worden.
In de eerste helft van de 15e eeuw werden de meeste abdijgebouwen grondig aangepast. Vooral de bibliotheek, het scriptorium en de bewaring van de privileges stonden samen met de verfraaiing van de kerk en enkele andere abdijgebouwen centraal.
Het abdijleven stond onder leiding van een abt, die samen met zijn monniken beslissingen nam. Alle leef- en werkruimten van de monniken bevonden zich binnen een claustrum, een gesloten gemeenschap die van de buitenwereld was afgezonderd. Een omheiningmuur omsloot daartoe de hele abdij. De oorspronkelijke toegang tot het klooster bevond zich ter hoogte van het huidige Kramersplein. Aan het zuiden was dit de enige verbinding met de buitenwereld.
De abdij omvatte een een abdijkerk, een mortuarium of dodenkapel van de monniken, een kapittelzaal waar de abt en de monniken dagelijks vergaderden, een gemeenschappelijk dormitorium, een refter, een keuken voor de monniken, een keuken voor de gasten, een lavatorium om te handen te wassen voor men naar de refter ging, een infirmerie met een apotheek, een medicinale kruidentuin, graanzolders, werkhuizen, opslagplaatsen, een bakkerij, een rosmolen, een brouwerij en een gastenverblijf.
De abdijkerk was reeds in de 15e-16e eeuw uitzonderlijk groot. Op dat ogenblik was het gebouw immers reeds het resultaat van een ontwikkeling die op zijn minst terugging tot de Karolingische tijd en in verschillende campagnes verliep.
In 1566 werd de Sint-Pietersabdij zwaar beschadigd door de beeldenstorm. Ook in 1578-1579 viel de abdij ten prooi aan een nieuwe, goed georganiseerde beeldenstorm. De monniken sloegen op de vlucht naar Douai. De kerk werd nagenoeg volledige afgebroken.
De winst van Alexander Farnese in 1584 betekende het einde van de Calvinistische Republiek. De abdijgemeenschap kreeg haar (vernielde) bezittingen terug. De monniken keerden terug en men begon aan de wederopbouw. De infirmerie, die de minste schade had opgelopen, werd als tijdelijk verblijf voor de religieuzen ingericht. De refter, op de bovenverdieping van de zuidvleugel, kon als voorlopige bidplaats dienen. De meeste andere gebouwen waren zo goed als onbruikbaar.
De abdijkerk werd in de 17e-18e eeuw door de nog steeds bestaande barokkerk vervangen. Uit verschillende bronnen blijkt namelijk dat de abdij na de godsdiensttroebelen van de 16e eeuw nog slechts gedeeltelijk overeind stond.
Gedurende de 17e eeuw werd er verwoed gewerkt aan het herstel van de abdij. De werken waren beëindigd in 1636. Ook werd in 1629 de eerste steen gelegd van de nieuwe kerk die slechts een eeuw later voltooid zou zijn.
Rondom het monastieke areaal van de Sint-Pietersabdij ontwikkelde zich een hele nederzettingskern die in grote mate van de abdij afhankelijk was. Het zogenaamde Sint-Pietersdorp had ook een parochiekerk, toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw.
Deze werd opgetrokken net buiten de abdijmuur, op enkele stappen van de abdijkerk.
Deze kerk staat op deze prent van Sanderus ook afgebeeld (helemaal bovenaan).
Mogelijk dateerde deze Onze-Lieve-Vrouwekerk van omstreeks 1140.
De laatste periode van het ancien regime was voor de Sint-Pietersabdij een periode van grote materiële welstand. In 1727 werd het abtskwartier nog uitgebreid en in 1734 werd de proosdij gebouwd.
In 1796 schafte het Directoire alle kloosterorden af. Door het opheffingsdecreet konden de gebouwen en bezittingen van kloosters en abdijen worden verkocht. Ook de Sint-Pietersabdij zou hier niet aan ontsnappen. De monniken moesten de abdij verlaten. Het hele complex werd als nationaal goed aangeslagen.
De kerk kon onder meer gered worden en werd een departementaal museum voor schilderkunst tot 1810, de datum waarop ze aan de eredienst werd teruggegeven.
Ten tijde van de Franse Revolutie werd de Onze-Lieve-Vrouwekerk verkocht en gesloopt in 1799. De naam van de kerk werd overgedragen naar de nabijgelegen abdijkerk die van dan af parochiekerk werd en de naam kreeg van Onze-Lieve-Vrouw Sint-Pieterskerk.
In 1810 werden de kloostergebouwen aangekocht door de stad. Er werd een kazerne ondergebracht in het oostelijke complex, terwijl het westelijke complex gesloopt werd om plaats te maken voor een marsveld, het huidige Sint-Pietersplein.
Rond 1950 werden de voormalige kloostergebouwen verlaten door de militairen en besliste de stad om de Sint-Pietersabdij te restaureren en een culturele functie te geven.
Ook in de jaren 1990 gebeurden er restauratiewerken aan de abdij.
(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)