De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)
MENU
Terug naar HOMEPAGINA
Terug naar INHOUDSOPGAVE
GENT - PANORAMA - DEEL 4
(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)
Klooster Rijke Klaren
Dit gebouwencomplex wordt in de legende aangeduid als het « Rijke Klaren Klooster ».
In 1286 verkreeg de Heilige Clara van paus Gregorius IX "Het Privilegie der Armoede", waarin de clarissen werden opgedragen zich van elke vorm van persoonlijk bezit te ontzien. Vandaar trouwens de naam "Arme Claren". Aan het einde van de 13e eeuw (1286) echter werd door paus Urbanus IV aan de clarissen een verzachtende regel opgelegd, waardoor het hen voortaan was toegestaan eigen goederen te bezitten en de opbrengst ervan te innen. Hun naam werd toen veranderd in "rijke claren" of "urbanisten".
Het initiatief voor de bouw van het klooster, dat onder de hoede van de minderbroeders werd geplaatst, werd genomen door Avezoete van den Ameede, die tevens begijn was in het Klein Begijnhof. De eerste bewoonsters van het nieuwe klooster waren afkomstig uit Brugge en Ieper. In 1288 verleende de geestelijkheid van Sint-Baafs aan de clarissen de toelating om een kerk en een kerkhof te bezitten.
Twee jaar later werd het klooster getransfereerd naar de Guldenmeers, gelegen in de buurt van de Keizerpoort, maar dan buiten de stadsmuren. De reden waarom de transfer zo vroeg werd voltrokken kon volgens Simons eventueel gelegen zijn in het feit dat de eerste vestingsplaats te geïsoleerd lag en dat er gevaar voor wateroverlast van de nabijgelegen Schelde dreigde.
Door talrijke schenkingen en door aankoop van gronden kon de clarissenabdij in de 13e en 14e eeuw haar bezittingen aanzienlijk uitbreiden.
In de tweede helft van de 15e eeuw dienden de kloosterlingen als gevolg van verscheidene oorlogen een onderkomen te zoeken binnen de veiligere stadsmuren. In de loop van de 17e eeuw verhuisden zij definitief intra muros.
Langs de huidige Sint-Lievenspoortstraat werd een nieuw klooster opgetrokken, waarschijnlijk rond een refugiehuis dat ze in de Gentse binnenstad reeds in de 16e eeuw bezaten.
Een restant van het klooster is het voormelde refugiehuis. Het is een breedhuis van 3 traveeën en twee bouwlagen met een kern uit de 16e eeuw. De oorspronkelijke vleugel van dit klooster had 7 traveeën.
In 1839 en 1916 werd dit klooster gedeeltelijk afgebroken.
(Bronvermelding : tekst deels gebaseerd op info uit «
De relatie vrouw-ruimte in religieuze en caritatieve instellingen te Gent in de veertiende en vijftiende eeuw. Een onderzoek naar verschillende aspecten van de geografisch-stedelijke, architecturale, sociale en rituele ruimte bij een twintigtal instellingen
, Els De Paermentier en op info van Onroerenderfgoed.be)
Sint-Joriskapel
Op de hoek van de huidige Lange Violettestraat met de huidige Vijfwindgatenstraat lag eertijds het Sint-Jorishof, met een hospitaal en de bijhorende Sint-Joriskapel.
Deze gronden werden vanaf het eerste kwart van de 14e eeuw gehuurd door de Sint-Jorisgilde. Zij stichtten er een klooster, een kapel en bijhorend hospitaal. In 1381 reeds verhuisde de gilde naar de Hoogpoort maar de Sint-Joriskapel en het hospitaal bleven bestaan.
Het klooster werd herbouwd in de 17e eeuw. De kapel werd waarschijnlijk in 1636 herbouwd en in het begin van de 18e eeuw voorzien van een nieuwe barokgevel.
Er huisden achtereenvolgens verscheidene religieuzen in, tot het klooster van Sint-Joris in 1796 onder het Franse bewind opgeheven werd.
Vanaf het begin van de 19e eeuw werd in het kloosterdomein een spinnerij en weverij ingericht.
Na afbraak van een deel van het complex verdwenen de gebouwen om plaats te maken voor onder meer een appartementsblok.
De Sint-Joriskapel werd in 1936 afgebroken om het doorgaand verkeer op de Lange Violettestraat te vergemakkelijken.
(Bronvermelding: deze tekst is gebaseerd op info van Onroerenderfgoed.be en Gent-geprent.com)
Klein Begijnhof
Het Klein Begijnhof in Gent is ook bekend onder de naam « Begijnhof Ter Hoye », voluit « Begijnhof Onze-Lieve-Vrouw Ter Hoye Gent ». Het begijnhof en de kerk Onze-Lieve-Vrouw ter Hoyekerk hebben hun naam te danken aan een weiland dat men in de vroege middeleeuwen de ''Groene Hoye'' noemde.
Het begijnhof bestaat nog en bevindt zich langs de Lange Violettestraat.
Het Klein Begijnhof werd in 1234 door Johanna van Constantinopel, de gravin van Vlaanderen, gesticht na het Groot Begijnhof. De ommuring van de zuid- en westzijde van het begijnhof was in 1281 voltooid. Tegen het einde van de 14e eeuw onder Margaretha van Vlaanderen verwierf het begijnhof parochiale rechten.
Vanaf omstreeks 1600 werden de houten huizen systematisch vervangen door stenen huizen. De belangrijkste gebouwen van het begijnhof, waaronder de kerk, dateren uit de 17e eeuw. Het begijnhof ontwikkelde zich tot een bedevaartsoord voor de heilige Godelieve, waarvoor in 1638 de Sint-Godelievekapel gebouwd werd (verbouwd in 1723 en 1750). In 1655 werd de ziekenzaal gebouwd (ingrijpend verbouwd in 1782). De Heilig Grafkapel dateert uit 1662.
De Hertog van Arenberg kocht gans het Klein Begijnhof in 1862 op voorwaarde dat de oorspronkelijke functie zou behouden blijven.
Vanuit de Lange Violettestraat is naast de toegangspoort enkel een deel van de westelijke begijnhofmuur te zien. De rest van het begijnhof ligt verborgen achter de Rijbaan Adjudant Van Vletingen (sinds de restauratie van eind van de 20e eeuw beter bekend als de Arena Van Vletingen) dat in de plaats kwam van het vroegere Pesthuis Sint-Macharius.
Aan de zuidzijde werd het begijnhof vanaf de stichting begrensd door de derde stadsomwalling.
In het begijnhof liggen de Onze-Lieve-Vrouw ter Hoyekerk (1658, met een barokke voorgevel uit 1720) en de weide (voorheen kerkhof) centraal. Hier rondom liggen enkele kapellen. Ooit werd het begijnhof door een driehonderdtal begijnen bewoond. De laatste begijn stierf in 2008.
(Bronvermelding: Wikipedia; Sint-pietersdorp.be)
Sint-Catharinakapel
Langs de huidige Lange Violettestraat (ter hoogte van het huidige huisnummer 63) werd in 1644 de oude Sint-Catharinakapel herbouwd en sindsdien aan Sint-Anna gewijd.
Deze kapel werd opgeheven in 1797 en werd in 1865 gesloopt.
Er werd in 1865 een herenhuis gebouwd op de plaats van de kapel.
Grondvesten van de oude Sint-Annakerk werden in 1953 blootgelegd in de tuin van dit herenhuis.
(Bronvermelding : Onroerenderfgoed.be)
Abdij Nieuwen-Bosch
Op het stadspanorama van Sanderus is ook de voormalige cisterciënzerinnenabdij "Nieuwen-Bosch" te zien. Heden is dit het klooster en Instituut van de zusters van Onze-Lieve-Vrouw van Namen, gelegen langs de Tweebruggenstraat in Gent.
In 1204 werd een gemeenschap van religieuzen opgericht door Geertrui en Fulco van de befaamde Gentse patriciërsfamilie Utenhove. Hun klooster te Lokeren, genoemd naar de plaats zogenaamd "den Oudenbosch" werd in 1215 als cisterciënzerinnenabdij erkend. Het klooster stond ook bekend onder de namen « Onze-Lieve-Vrouw ten Bosch », « Sancta Maria de Bosco » en ook « Nonnenbosch ».
In 1247 werd het klooster overgeplaatst naar Heusden bij Gent. Vanaf 1307 werd dit klooster vermeld onder de naam Nieuwen-Bosch.
Tijdens de godsdiensttroebelen in 1578 werden de kloosterlingen verjaagd.
Ze vonden elkaar terug in 1584 in hun refugehuis te Gent.
Tussen 1584 en 1594 verwierf de abdis verscheidene huizen en stukken grond in een wijk de zogenaamd "Groene Hoye" tussen Nederschelde en Opperschelde, begrensd door het Klein Begijnhof en de Lange Violettestraat.
Ze namen in 1598 hun intrek op de "Groene Hoye" en begonnen aan de opbouw van de kloosterkerk die reeds in 1600 werd ingewijd.
In 1796 werden de cisterciënzerinnen verjaagd en hun klooster openbaar verkocht.
Kort nadien werd er onder meer een school in ondergebracht en een katoenfilature die in 1820 uitbrandde.
De congregatie van de zusters van Onze-Lieve-Vrouw van Namen, gesticht door de Heilige Julie Billiart, bezat sinds 1809 een armenschool in de Sint-Pietersnieuwstraat en richtte in 1809-1810 een tweede op in een gedeelte van de gebouwen van de Abdij Nieuwen-Bosch. Na verloop van tijd betrokken zij alle gebouwen van de voormalige abdij. Hun klooster en onderwijsinstelling bleef er tot op heden gevestigd.
De 17e-eeuwse gebouwen zijn grotendeels behouden gebleven, met uitzondering van het gesloopte kwartier van de abdis en de door brand vernielde gebouwen.
De oude kloostergang bestond uit rondom een niet volledig gesloten rechthoekig hof gerangschikte panden en een kapel met westtoren aan de noordelijke kant van de hof.
De kapel werd aanzienlijk verfraaid omstreeks 1650. In de 18e eeuw werden de overige kloostergebouwen vergroot en verbouwd. Vrij uitgestrekte hovingen bevonden zich aan de oostelijke en zuidelijke kant.
In 1751 ging een deel van de gronden aan de oostkant verloren bij het rechttrekken van een bocht aldaar in de Nederschelde.
Vanaf het begin van de 19e eeuw werden de gebouwen aan hun nieuwe functie aangepast. Er kwam een uitbreiding met nieuwe vleugels voor schoollokalen. Door het trekken van de spoorlijn en de aanleg van de Vander Bruggensteeg, later Tweebruggenstraat, in 1857, werd een gedeelte van het gebied van Nieuwen-Bosch afgescheiden. Een overdekte doorgang over de straat voorzag in een verbinding met de geïsoleerde gebouwen van de abdij.
Tegen de zuidmuur kwam in de 20e eeuw een bakstenen nieuwe bouw. Ook aan de westkant werden lokalen toegevoegd.
Eind 1977 kwam een nieuwe bouw aan de Lange Violettestraat klaar die het grootste gedeelte van de vroegere voortuin aldaar besloeg.
(Bronvermelding : Onroerenderfgoed.be)
Kapucijnenklooster
Na toevoeging van de Brabantwijk (Overschelde) in 1254 bij Gent werd de Steenpoort geconstrueerd aan de Brabantdam.
Ter hoogte van deze Brabantdam was het voormalige godshuis der volders gelegen, bestaande uit enkele huizen en een kapel, de Sint-Kristoffelkapel.
Dit godshuis werd reeds vóór 1324 opgericht. Het was één van de oudste godshuizen van Gent.
In 1589, vijf jaar na de calvinistische republiek (1577-1584), vestigden de paters kapucijnen zich in Gent.
Door de Hertog van Parma, Gouverneur-Generaal der Nederlanden, in 1589 verzocht een lokaal te zoeken voor de kapucijnen, huurden de Gentse schepenen voor hen de (reeds oude) Sint-Kristoffelkapel, met de aanpalende gebouwen, die afhingen van het « hospice der Volders ». De stad betaalde daar een huurgeld voor tot aan het einde van het "ancien régime".
Er werd tussen 1610 en 1613 een vernieuwd complex opgetrokken met financiële steun van het stadsbestuur gebouwd.
De kapucijnen betrokken dit nieuwe kloostercomplex.
Aangezien de kapel in puin dreigde te vallen werd in 1632 een nieuwe grotere kerk gebouwd. Vanaf 1632 kregen de kapucijnen ook de beschikking over deze nieuwe Sint-Kristoffelkerk.
De kerk deed tijdens het Franse bewind (1794-1814) dienst als wapenarsenaal en was niet langer in gebruik.
De Protestantse gemeenschap kreeg het kerkgebouw aan de Brabantdam tijdens het bewind van Koning Willem I in 1815.
In het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden werd een amalgaampolitiek gevoerd. Dit betekende concreet dat de katholieke minderheid in het noorden en de protestantse minderheid in het zuiden door de overheid werden gesteund.
De kerk werd in 1816 omgevormd tot de zogenaamde « Protestantse Tempel ».
In 1817 werd het gebouw officieel in gebruik genomen voor de Protestantse eredienst.
Bij de onafhankelijkheid van België en onder impuls van de liberale grondwet die vrijheid van godsdienst voorschreef, erkende koning Leopold I de Protestantse Kerk naast de Rooms-Katholieke Kerk.
In 1832 werd de kerk tijdelijk geconfisceerd om er een cholerahospitaal in onder te brengen.
In 1841 werd de Sint-Kristoffelstraat aangelegd.
In 1844 werd naast de Protestantse Tempel nog een school opgericht.
Op de plaats van het voormalig kapucijnenklooster bouwde men in 1867-1868 een stadsschool (langs de Abeelstraat).
De Sint-Christoffelkerk staat in Gent ook bekend onder de benaming Brabantdamkerk.
(Bronvermelding : Onroerenderfgoed.be ; Wikipedia ; Gent-geprent.com)
Spanjaardenkasteel
Toen Keizer Karel V de Gentse rebellie in het jaar 1540 aan banden legde, verplichtte bij de Gentenaars grote delen van de Sint-Baafsabdij en het Sint-Baafsdorp in Gent af te breken voor de aanleg van het “Castrum Novume (Nieuw Kasteel), het latere Spanjaardenkasteel.
De toren van de abdij werd afgebroken. Duizenden arbeiders gingen aan de slag. Het immense kasteel was klaar in 1545 en herbergde ongeveer 2500 man. Het Spanjaardenkasteel was het eerste vierkante fort met bastions in deze gewesten.
Een klein deel van de niet afgebroken abdijgebouwen werd in gebruik genomen door de militairen en aangevuld met kazematten. Het fort was omgeven door brede verdedigingsgrachten en werd goed onderhouden. Ook in de 17
e
eeuw werd het uitsluitend door Spanjaarden bewaakt.
De oudste delen van het gebouw stammen uit de 12
e
of 13
e
eeuw; de voorgevel is classicistcih, uit de tijd van keizerin Maria Theresia of keizer Jozef II.
De Gentenaren veroverden het kasteel op 10 november 1576, twee dagen nadat de Pacificatie was gesloten, en begonnen met het ontmantelen van de wallen aan de stadszijde. De Spaanse landvoogd Alexander Farnese verstrekte het opnieuw in 1584 toen hij een einde maakte aan de Gentse Republiek.
Keizer Jozef II begon in 1781 opnieuw met de ontmanteling. In 1789 beschoten de Oostenrijkse troepen vanuit het kasteel de oostzijde van de stad tijdens de Vier Dagen van Gent. Toen zij het kasteel verlieten was de militaire rol uitgespeeld en begon het verval.
In de 19
e
eeuw werd de Citadel in het huidige Citadelpark in gebruik genomen. Van 1827 tot 1834 werd het Spanjaardenkasteel gesloopt.
Van het Spanjaardenkasteel is alleen de basis van het bastion Sint-Jacob bewaard gebleven. De plaats van het bastion wordt aangeduid door een gedenksteen die zichtbaar is in de kaaimuur van de Napoleon de Pauwvertakking aan de Napoleon de Pauwbrug.
(Bronvermelding: Wikipedia)