De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




GENT - PANORAMA - DEEL 3


(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)



Sint-Baafskathedraal

De Sint-Baafskathedraal was oorspronkelijk een parochiekerk gewijd aan Johannes de Doper. In 942 werd de kerk ingewijd.

In de genummerde legende bij deze prent van Sanderus wordt deze kerk onder nummer 1 aangeduid als de « Sint-Janskerk ».

Keizer Karel V wilde Gent onder de knoet houden door op de plaats van de Sint-Baafsabdij (gelegen vlak naast de samenvloeiing van de Leie en de Schelde) het Spanjaardenkasteel op te richten.

Hierdoor waren de kanunniken van Sint-Baafs verplicht uit te wijken naar een andere kapittelplaats, die zij in 1539 vonden in de Sint-Janskerk. De kerk werd een collegiale kerk en stond voortaan bekend als de Sint-Baafskerk.

Bij de bisschoppelijke herindeling van de Nederlanden in 1559 werd het bisdom Gent opgericht en werd de Sint-Baafskerk verheven tot kathedraal.

(Bronvermelding: Wikipedia)



Belfort

Het Belfort van Gent is een 95-meter hoge belforttoren in het centrum van de stad.

De toren is de middelste toren van de beroemde Gentse torenrij, samen met de Sint-Niklaaskerk en de Sint-Baafskathedraal. Tegen het belfort staat ook de Gentse lakenhal.

Men begon waarschijnlijk te bouwen aan het Belfort vóór 1313, het jaar waaruit de eerste rekeningen dateren. In 1323 waren reeds vier bouwlagen (van de zes geplande) klaar. Tussen 1377 en 1380 werd een voorlopige houten torenbekroning opgetrokken. Daarop werd de legendarische 'Draak van Gent' gehesen. De volgende eeuwen werd de torenspits herhaaldelijk aangepast.

Na verschillende houten spitsen, kreeg het Belfort in 1851 een neogotische gietijzeren spits. Een halve eeuw later was de staat van de spits echter te slecht geworden, en met de Wereldtentoonstelling van 1913 werd een nieuwe spits geplaatst.

In 1967 en 1980 werden restauratiewerken uitgevoerd.

Met de bouw van de lakenhal, die tegen het Belfort aanleunt, werd begonnen in 1425 en hij werd stopgezet in 1445. Van de elf geplande traveeën werden er slechts zeven gebouwd. In 1903 werden de vier ontbrekende traveeën bijgebouwd volgens de oorspronkelijke plannen.

De "Mammelokker" is een kleine annex, daterend van 1741, waar de bewakers van de stadsgevangenis verbleven. Die gevangenis besloeg een deel van de oude lakenhal van 1742 tot 1902.

Sinds 1613 maken de schermers van de Sint-Michielsgilde gebruik van de bovenste twee verdiepingen van de lakenhal.

De windwijzer op de torenspits is een vergulde roodkoperen draak. Deze draak zou dateren van 1377.

Volgens Sanderus liet men de draak bij feestelijkheden vuur braken langs de draaispil. In 2018, tijdens de Gentse Feesten, spuwde de draak op het belfort na 199 jaar opnieuw vuur. De stad Gent nam dit initiatief om de 175e verjaardag van de feesten te vieren.

Het exemplaar op de toren is in 1853 vervangen en in 1980 werd een derde draak naar boven gehesen.

(Bronvermelding: Wikipedia)



Sint-Niklaaskerk

De Sint-Niklaaskerk is gelegen aan de Korenmarkt in Gent. Het kerkgebouw is gewijd aan Nicolaas van Myra en een goed voorbeeld van de Scheldegotiek. Uniek is de vieringtoren, meer specifiek een lantaarntoren, die het transept verlicht en, voor de Lage Landen, de luchtbogen van het hoofdkoor.

De toren heeft een hoogte van 76 meter.

Oorspronkelijk stond hier een romaanse kerk uit omstreeks 1100. Het bouwen van deze kerk was een initiatief van de Sint-Pietersabdij. De Sint-Baafsabdij besloot daarop tot het bouwen van de Sint-Michielskerk op de rechteroever van de Leie. Een eerste gebouw brandde af in 1120, een tweede werd na 1200 afgebroken.

Vanaf de 13e eeuw werd de Sint-Niklaaskerk in stukjes verder opgebouwd en verbouwd. Haar toewijding aan Nicolaas van Myra, patroonheilige van de schippers, bakkers en handelaren (meerseniers) is symbolisch.

In de late middeleeuwen werden de zijkapellen toegevoegd en werd de oorspronkelijk vlakke koorafsluiting vervangen door laatgotische kranskapellen. De toren had oorspronkelijk een veel hogere spits, die bijdroeg tot de opvallende hoogtestreving van het gebouw.

Vanaf de 16e eeuw wordt de geschiedenis van de kerk eerder bepaald door verwaarlozing, aftakeling en verminking.

Na eerdere restauraties in 1912-1913 en 1939-1943 kwam het echte keerpunt pas in 1960 toen men besloot de kerk te sluiten en over te gaan tot een grondige en nauwgezette restauratie. De eerste opening kwam er pas in 1992 toen de toren, de dwarsbeuk en het koor werden heropend. Op 27 november 2010 ging ook het schip opnieuw open voor het publiek.

Sindsdien gebeuren er nog regelmatig bijkomende restauraties aan deze kerk.

(Bronvermelding: Wikipedia)



Sint-Michielskerk

Hier is op het stadspanorama de Sint-Michielskerk van omstreeks 1640 te zien. Reeds in 1105 stond op dezelfde plaats aan de Leie een kapel, opgericht door de Sint-Baafsabdij. Deze abdij was in die tijd in competitie met de Sint-Pietersabdij, de andere Gentse abdij die in het stadscentrum de toenmalige Sint-Janskerk (nu Sint-Baafskathedraal) en de Sint-Niklaaskerk had laten optrekken. De kapel was aanvankelijk verbonden aan de Sint-Martinuskerk te Ekkergem, maar werd in 1147 een zelfstandige parochiekerk.

De bouw van de huidige kerk in laatgotische stijl begon in 1440 en werd in feite slechts in 1825 volledig afgewerkt. Van de romaanse kerk, die hier ontstond aan het einde van de 11e eeuw, zijn er geen duidelijke overblijfselen meer.

De 13e eeuw was erg desastreus met verscheidene branden. Hierdoor werd de kerk meerdere keren herbouwd. In 1440 werd beslist om een volledig nieuwe kerk te bouwen, in een laatgotische stijl.

In het begin van de 16e eeuw waren het schip en het transept voltooid. In 1623 werd het vroeggotische koor vervangen door een Brabants gotisch exemplaar met kooromgang en vijf straalkapellen.

In 1566 onderbrak de beeldenstorm de bouw van de westertoren. Pas in 1658 werden de werken hervat.

Een ontwerp uit 1662 voorzag een 134 meter hoge toren in Brabantse gotiek. Deze toren moest rijkelijk versierd worden.

Om financiële redenen werd deze erg ambitieuze toren nooit afgewerkt.

Bij de aanleg van de Sint-Michielsbrug, circa 1905 werd een deel van de oude sacristie gesloopt.

In 1909 werd de westkant gerestaureerd. Men voegde ook de neobarokke sacristie toe.

(Bronvermelding: Wikipedia)



Gravensteen

Op deze prent is een wat verrassende weergave te zien van het Gravensteen. Het Gravensteen is een versterkte waterburcht met een vrijwel intact verdedigingssysteem. Het huidige kasteel dateert uit 1180 en was de residentie van de graven van Vlaanderen tot 1353. Het werd later herbestemd als rechtbank, gevangenis, muntdrukkerij en zelfs als
katoenfabriek. Het werd in 1893-1903 gerestaureerd.

Het is nu een museum en vormt een belangrijke toeristische trekpleister in de stad. Van de burcht zijn het poortgebouw, de walmuur, de donjon, de grafelijke residentie en de paardenstallen toegankelijk voor bezoekers.

Rond 879 was het Gravensteen een onderdeel van het legerkamp van waaruit de Scheldevikingen de omgeving plunderden. Graaf Arnulf I (889-965) liet de versterking drastisch verbouwen tot wat gezien kan worden als de eerste echte voorloper van de latere burcht.

Graaf Robrecht I de Fries (tussen 1029/1032-1093) liet de bestaande versterking drastisch ombouwen. De centrale houtbouw werd vervangen door een grote stenen donjon, die drie verdiepingen telde. Tijdens een volgende bouwfase ontstond een motekasteel, met een kenmerkend opperhof en neerhof. Rond de stenen donjon werd een motteheuvel gevormd met aarde afkomstig uit de rondom gegraven slotgracht. Een grote brand teisterde in 1176 het mottekasteel en de gebouwen op het opperhof.

Graaf Filips van de Elzas (1142-1191) liet op het bestaande kasteel een geheel nieuwe burcht optrekken (1180). De motteheuvel werd verhoogd en verbreed als basis voor een nieuwe reeks houten bijgebouwen. De poort kreeg een voorbouw en sloot aan bij een omheining met 24 uitkragende torens. Zo symboliseerde het kasteel een niet mis te verstaan teken van de grafelijke macht in het woelige Gent, en vormde het een tegenwicht tegen de hoge stenen huizen van de rijke patriciërs aan de overzijde van de Leie.

Graaf Lodewijk van Male (1330-1384) vond dat het Gravensteen hem te weinig comfort bood en verplaatste de residentiële functie naar het Hof ten Walle. Het kasteel behield wel zijn algemene bestuursfunctie in het graafschap Vlaanderen. Vanaf 1353 werd de Munt van Gent naar het kasteel overgebracht. Vanaf 1407 vond ook de Raad van Vlaanderen, het hoogste rechtscollege in het graafschap, er onderdak. De burcht werd vanaf dan ook als gevangenis gebruikt. Door de eeuwen heen slibden de grachten langs het Sint-Veerleplein en de Geldmunt dicht. Op deze opvullingen en langs een tot riool gereduceerde gracht bouwden tal van stadslieden huizen, die het grafelijk kasteel tot omstreeks 1900 grotendeels aan het zicht onttrokken, vandaar de wat vreemde weergave op de prent. 

De Raad bleef het kasteel gebruiken tot 1778, toen men startte met de verkoop ervan aan particulieren. Uiteindelijk was het Jean-Denis Brismaille die zich de voormalige opperhof van het Gravensteen aanschafte en liet ombouwen tot een industrieel complex. In 1807 werd een katoenspinnerij in de donjon ondergebracht, waarbij andere gebouwen dienden als huisvesting voor 50 arbeidersgezinnen. Deze omvorming van een groot complex als het Gravensteen is kenmerkend voor de eerste industriële ontplooiing in Gent.

Later verhuisden de bedrijven en de arbeiderswoningen naar de rand van de stad. Het zowat volledig vervallen Gravensteen was klaar voor de sloop. Voor het merendeel van de Gentse publieke opinie stond het kasteel symbool voor machtsmisbruik, feodale onderdrukking, gruwelijke foltermethodes en onverdraagzame inquisitie.

In de late 19e eeuw werd het Gravensteen geherwaardeerd. Het rijk en de stad kochten het complex in diverse etappes uit particulier bezit terug, en bij ontmantelingswerken werd zowat alles wat niet van Doornikse steen was verwijderd. Zo kwamen de imposante resten van het middeleeuwse kasteel tevoorschijn, en na jaren van administratieve problemen en discussies startte in 1894 een eerste grote restauratie. Heel wat details van het huidige Gravensteen, zoals de platte daken en de vensters van het oostelijke bijgebouw, gaan echter zeker niet terug op een reële middeleeuwse situatie.

Door de restauratie kreeg het Gravensteen echter een nieuwe betekenis: het verwierf wereldfaam als het meest bezochte toeristische monument van Gent. Helaas had men weinig aandacht voor de instandhouding ervan. Dit leidde tot stabiliteitsproblemen en nieuw verval. De nieuwe herwaardering ging definitief van start met de viering van 800 jaar Gravensteen in 1980. Een diagnose van de grootste problemen leidde tot een restauratieprogramma in diverse fasen.

Begin 2009 stond de burcht opnieuw in de steigers. Vooral de omwallingsmuur was dringend aan restauratie toe. De typerende klimopbegroeiingen verdwenen toen omdat die het gebouw te veel aantastten. Sinds juni 2016 staat het Gravensteen opnieuw voor twee derden in water.

(Bronvermelding : Wikipedia)



Wenemaersgodshuis.

Het Wenemaersgodshuis draagt de naam van zijn stichter Willem Wenemaer, een Gents poorter die ook schepen was in 1312 en 1315. In 1323 kocht hij het huis Het Paradijs op het Veerleplein en bestemde het voor een godshuis.

Willem Wenemaer sneuvelde in een gevecht te Deinze in 1325.  Hij werd begraven in de kapel van het Wenemaersgodshuis. Zijn vrouw nam toen het bestuur van het godshuis over. In 1330 trad ze in het klooster en wat later schonk ze al haar bezittingen aan het godshuis. Ze overleed in 1352 en werd naast haar echtgenoot in de kapel begraven.

De Sint Laurentiuskapel ontsnapte niet aan de woede van de beeldstormerij, maar in 1589 was de kapel hersteld en werd ze opnieuw ingewijd.

Toen onder het Frans bewind het Bestuur der Burgerlijke Godshuizen werd opgericht werd het Wenemaersgodshuis bezit van de Burgerlijke Godshuizen.

Om opgenomen te worden in het godshuis moesten de vrouwen tenminste zestig jaar oud zijn, in Gent zijn geboren en behoeftig of gebrekkig zijn. Het bestuur was toevertrouwd aan vier zusters. Elke provenierster bewoonde een klein huisje en mocht de gemeenschappelijke tuin gebruiken. De  zieke  proveniersters werden verpleegd in de infirmerie. Sommige vrouwtjes verdienden nog wat met naai- en breiwerk.

In 1850 bleken de gebouwen in een bouwvallige toestand te verkeren. In 1866 werd het Wenemaersgodshuis gesloten. De nabijgelegen Vismarkt, die gebouwd was in 1689, was te klein geworden. Deze Vismarkt werd vergroot door de inname van de gronden van het Wenemaersgodshuis. De gevel van de Vismarkt, die uitgeeft in de Rekelingestraat, werd herbouwd in 1912.

Op het Sint-Veerleplein zien we nog het poortje van het godshuis versierd met het beeld van de H. Laurentius. De koperen grafmonumenten uit de kapel werden overgebracht naar het Bijlokemuseum.

(Bronvermelding: tekst gebaseerd op "Het Wenemaersgodshuis" geschreven door M. Van Bergen)



Alexianenklooster

Op deze afbeelding is het voormalig klooster der alexianen te zien. Sinds het eerste kwart van de 14e eeuw verbleven de alexianen, een broedergemeenschap die in Gent ook gekend was onder de naam « schokkebroeders » en « cellebroeders ». Zij namen hun intrek in enkele bastions, torens en verdedigingswerken behorend tot de Sint-Michielsvesten en gelegen aan de Houtlei tussen de Torrepoort (Poel) en de Posteernepoort. Alexianen waren belast met de verzorging van zieken buitenshuis, van mentaal zieken binnenshuis en het begraven van doden; het laatste werd van 1663 af een privilegie van de orde. Een eerste kapel opgetrokken circa 1480 werd in 1566 verwoest door de beeldenstormers.

Op het einde van de 16e eeuw, begin 17e eeuw werd de kapel heropgericht en hoogst waarschijnlijk toegewijd aan de Heilige Alexius.

De kloosterorde werd in 1798 opgeheven en de broeders verjaagd. De gebouwen werden gedurende de 19e eeuw gebruikt als militaire gevangenis en nadien, van 1828 af, als krankzinnigengesticht tot het Guislaininstituut in 1857 voltooid was.

Tot in 1863 behield het kloostercomplex nagenoeg zijn oorspronkelijke vorm: twee rechthoekige binnenplaatsen omringd met kloostergangen en -vleugels en naast elkaar gelegen tussen de Houtlei en het Schokkebroedersvestje (smal straatje parallel aan de Houtlei en leidend van de Sint-Michielsstraat naar de Watergraafstraat); de kapel bevindt zich op de tweede verdieping (voorheen lange vleugel van volledig met kloostergangen omringde binnenplaats) met een beukmuur langsheen het Schokkebroedersvestje en een naar het noorden georiënteerd koor. Op de begane grond was er een monumentale barokke poort welke zich thans bevindt in de museumtuin van het Sint-Lucasinstituut. De tweede binnenplaats zag uit op een tuin die zich uitstrekte tot de Zwartezustersstraat. Met uitzondering van enkele sterk gewijzigde vleugels in het verlengde of haaks op de kapel, bleef enkel de kapel min of meer in haar oorspronkelijke vorm bewaard.

Van 1863 af was het complex in handen van de broeders van de Christelijke scholen die er het Sint-Amanduscollege (later Sint-Amandusinstituut) uitbouwden. In 1900 en 1912 werden er nieuwe, neogotische gebouwen opgetrokken. In 1959 werd het complex nog verder uitgebreid.

De neogotische vleugel uit 1912, dwars op de Oude Houtlei, werd verhoogd en een nieuwe aansluitende vleugel werd gebouwd aan Ingelandgat, inclusief de sloop van vier huizen.

Na de opheffing van het Sint-Amandusinstituut werden de gebouwen begin 21e eeuw overgenomen door het aanpalende Sint-Lucasinstituut.  

(Bronvermelding : Onroerenderfgoed.be)



Stadhuis

Het stadhuis bestaat uit een vierzijdig complex van gebouwen, waarvan de gevels palen aan de huidige Botermarkt, de Hoogpoort, de Stadhuissteeg en de Poeljemarkt in Gent (Oost-Vlaanderen).

De bouwgeschiedenis van het Gentse stadhuis werd van meet af aan sterk geconditioneerd door het feit dat van 1301 af (Ordonnantie van Senlis), 2 verschillende soorten schepenen bestonden, die elk een eigen schepenhuis betrokken.

Het Schepenhuis van de Keure besliste over het bestuur, het financiële beleid en de strafrechtelijke zaken.

Het stadhuis bestaat uit een vierzijdig complex van gebouwen, waarvan de gevels palen aan de huidige Botermarkt, de Hoogpoort, de Stadhuissteeg en de Poeljemarkt in Gent (Oost-Vlaanderen).

Op de hoek van de Hoogpoort en de Botermarkt werd het oude, nu verdwenen schepenhuis van de Keure opgericht. Het oudste, bovengronds bewaarde gedeelte ligt midden in het stadhuiscomplex.

Op 4 juni 1482 werd de eerste steen gelegd van dit rechthoekige gebouw, opgericht voor de schepenen van de Keure.

Tegen dit laatgotische gebouw, dat in 1484 voltooid was, bouwde men in 1500 een klein tussengedeelte, waarin kleinere kamertjes als keuken of als griffie dienst deden. In dit gedeelte werd een kwarteeuw later de binnentrap van het nieuwe laatgotische schepenhuis ondergebracht.

Tussen 1519 en 1539 kwam dit nieuwe schepenhuis van de Keure tot stand. De gevel behoort tot de laatgotische flamboyante stijl en vertoont een zeer rijk uitgevoerde gevelordonnantie. De overdadige sculpturale versiering is vooral geconcentreerd op de gevelnissen, die bedoeld waren om de beelden van de graven van Vlaanderen te bevatten. De negentien beelden die men er nu aantreft, dagtekenen uit einde 19e, begin 20e eeuw. Het schepenhuis van de Keure werd nog verder uitgebreid in 1563-1564, toen een nieuwe eetkamer gebouwd werd voor de schepenen van de Keure. Het gebouw werd voortgezet naar de Hoogpoort toe in 1580-1582. In 1700-1701 werd een nieuwe woning voor de conciërge van de Keure op de hoek van de Hoogpoort en de Stadhuissteeg opgericht.

Het Schepenhuis van Gedele was bevoegd voor het regelen van voogdijen en erfeniskwesties.

Tussen 1595 en 1618 werd een volledig nieuw schepenhuis van Gedele in renaissancestijl opgetrokken. De bouwwerkzaamheden verliepen op een vrij onregelmatige wijze. De werken waren gevorderd tot het begin van de tweede verdieping, toen deze door gebrek aan geld opgeschort werden. In 1614-1615 startte een nieuwe bouwfase, waarbij beslist werd een derde verdieping aan het gebouw toe te voegen. In 1618 eindigde de ruwbouw.

In de 17e en de eerste helft van de 18e eeuw kwamen nog een aantal kleine kantoren tot stand aan de westzijde van het stadhuiscomplex. Circa 1870 werden restauratiewerken uitgevoerd aan het stadhuis. In 1880-1881 verrees langs de zijde van de Poeljemarkt een nieuw tussengedeelte.

In de 20e eeuw gebeurden nog enkele verbouwingen aan de westzijde van het complex en werden een aantal restauratieplannen voorgesteld en deels uitgevoerd. De belangrijkste gevels ondergingen in 1974 en 1975 een reinigingsbeurt.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)



Prinsenhof

Het Prinsenhof is een historische buurt in Gent (Oost-Vlaanderen), ontstaan door bebouwing rond het vroegere Hof ten Walle, de residentie van de burggraaf van Gent.

In 1340 bouwde Lodewijk van Male het hof uit tot een vorstelijke residentie voor de graven van Vlaanderen. Filips de Schone, hertog van Bourgondië, ommuurde het domein.

Er werd ook een slotgracht rond het opperhof gegraven om het domein beter te kunnen verdedigen.

Het Hof ten Walle was de geboorteplaats van keizer Karel V (24 februari 1500) en werd vanaf dan Prinsenhof genoemd.

Het Hof is nagenoeg geheel verdwenen, behalve de noordpoort (nu het Donkere Poortje genoemd).

Van het oorspronkelijke domein rest er bijna niets meer: de buurt werd geleidelijk door de stad opgeslorpt en doet dienst als woonwijk.

(Bronvermelding: Wikipedia)



Vrouwenbroedersklooster

De Vrouwenbroeders of Geschoeide Karmelieten vestigden zich in Gent in 1272 en kochten in 1287 het refugium en het erf van de abdij van Cambron in de Lange Steenstraat waar ze hun klooster en kerk bouwden.

Zoals de meeste kloosterlingen werden de Karmelieten ten tijde van de Calvinistische Republiek van 1578 tot 1584 uit hun klooster verjaagd.

Bij hun terugkeer werden de gebouwen gerestaureerd maar tegen het einde van de 17e eeuw was het complex terug vervallen zodat men omstreeks 1720 de bouw van een nieuw klooster aanvatte.

De orde werd tijdens de Franse revolutie afgeschaft en haar bezittingen openbaar verkocht. Enkele broeders slaagden erin hun klooster terug te kopen maar zagen zich toch verplicht in 1814 definitief hun deuren te sluiten.

De gebouwen werden toen omgevormd tot fabriek en opslagplaats.

Het complex situeerde zich langs de huidige Lange Steenstraat en Vrouwebroersstraat en de grens werd tevens bepaald in het zuidoosten door de loop van de thans gedempte Leertouwersgracht. Deze gracht werd tussen 1870-1872 overwelfd.

Latere uitbreidingen werden gebouwd bovenop de gedempte Leertouwersgracht.

Van 1884 tot 1925 was het Oudheidkundig Museum en van 1925 tot 1962 het Museum van Folklore ondergebracht in de kloosterkerk, die thans dienst doet als stapelplaats voor de decors van de Opera. In het pand zelf zijn de ruimten ingericht tot kleine woningen.

Na verschillende wijzigingen in de 19e eeuw onderging de kloosterkerk een restauratie in 1926 en 1936.

(Bronvermelding : Onroerenderfgoed.be)



Refugehuis Drongenhof

Het Refugehuis Drongenhof was een refugehuis van de Abdij van Drongen. Dit was eigenlijk volledig geïntegreerd in het complex van het Vrouwenbroedersklooster aan de Lange Steenstraat.

Men vermoedt dat het gedeelte dat toebehoorde aan de Abdij van Drongen, het Drongenhof genaamd, reeds sinds de 14e eeuw in het bezit was van de Abdij van Drongen.

De Drongenhofkapel (of Kapel Norbertijnen) van het Refugehuis van de Norbertijnerabdij te Drongen sluit in het oosten aan tegen het Vrouwenbroedersklooster. Het is een laatgotische kapel.

In 1136 stichtte Iwein, graaf van Aalst, heer van Waas, Drongen en Liedekerke, een abdij te Salegem (Vrasene, Beveren). Twee jaar later, in 1138, werd de abdij overgebracht naar Drongen, waar de kanunniken de regels van de Premonstratenzers of de Norbertijnen overnamen.

In opdracht van graaf Thomas van Savoye en zijn gemalin Johanna van Constantinopel werden in het Maldegemveld gronden aan de abdij van Drongen verkocht. In 1566 had de Abdij van Drongen te lijden onder de Beeldenstorm en in 1578, tijdens de Gentse Republiek, werden de paters verdreven naar dit Refugehuis Hof van Drongen te Gent.

Waarschijnlijk werd de kapel omstreeks 1607 gebouwd. In de voorgevel zitten boven de toegang geglazuurde bakstenen die het jaartal 1607 aangeven.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)



Augustijnenklooster

Het Augustijnenklooster werd in 1296 gesticht toen de augustijnen zich met de zegen van de bisschop van Doornik in Gent vestigden. Met het klooster is ook de Sint-Stefanuskerk verbonden.

Het klooster ligt tussen de Augustijnenkaai aan de Lieve en de Academiestraat.

De augustijnen hadden zich in 1295 in de stad Gent gevestigd in het huis "ter Capelle", dat hen was geschonken door de familie Borluut. Bij dit huis lag de Sint-Stefanuskapel die als eerste kloosterkerk in gebruik werd genomen. Ter Capelle bevond zich op de hoek van de huidige Lange Steenstraat en de straat die naar de Oudburg leidt. Kerkrechtelijk werd het klooster opgericht in 1296.

Het klooster werd geplunderd en vernield bij de Beeldenstorm in 1566 en een tweede en nog heviger maal op aansteken van het calvinistisch stadsbestuur van Gent in 1578. Het klooster werd verkocht in 1582. De orde werd evenwel in 1584 al terug hersteld en de kloostergebouwen werden herbouwd, op kosten van de stad Gent.

De kerk werd heropgebouwd in 1606, een college waar de augustijnen 2 eeuwen lang onderwijs zouden inrichten werd gebouwd in 1609 en het klooster zelf werd heropgebouwd van 1621 tot 1622.

De Fransen schaften de orde af in 1796, maar al een jaar later konden de paters de kloostergebouwen terugkopen. Van 1809 tot 1810 werd het klooster een militair hospitaal ; vanaf 1815 verhuurden de paters ruimte aan katoenfabrieken. Het klooster werd kanoniek heropgericht in 1834. In 1838 brandden het klooster en de kerk volledig uit. De herstelde kerk werd heropend in 1841.

Thans is de augustijnenorde nog actief in Gent, met weliswaar een deel van het klooster ingericht als studentenkamers en een deel ter beschikking voor congressen en andere evenementen.

(Bronvermelding : Wikipedia)



Victorienenklooster

Aanvankelijk was in de omgeving van de huidige Groenebriel in Gent het Victorienenklooster (Klooster Groene Briel) gevestigd. Dit klooster werd in 1372 opgericht aan de noordkant van het huidige Sint-Vincentiusplein.  In 1797 werd het klooster afgeschaft.

In het begin van de 19e eeuw was er een aankoop van de aangrenzende gronden en kloostergebouwen van het vroegere Victorienenklooster door de Abdij van Terhaegen (zusters van Liefde), gelegen langs de huidige Molenaarsstraat.

Ongeveer op de plaats van het vroegere Victorienenklooster bevindt zich nu de Sint-Vincentiuskliniek.

Een andere gemeenschap onderhield zich sinds 1678 in Gent met het spinnen en werd in 1835 omgevormd tot een religieuze orde onder de naam zusters van de Heilige Jozef (ook wel zusters Jozefienen genoemd).

In 1890 kochten deze een huis in de Palingstraat (thans Groenebriel), op een andere stuk grond dat vroeger ook behoorde tot het Victorienenklooster voor het inrichten van een bejaardentehuis. Rond 1890 heerste er grote armoede en sociale onrust in de textielnijverheid in Gent.

In 1900 werd een nieuw ziekenhuis met een neogotische kapel gebouwd. In de loop der hiernavolgende jaren werd het complex verschillende malen aangepast en uitgebreid.

In de eerste helft van de 20ste eeuw verwierf het ziekenhuis (Algemene Kliniek Heilige Familie) naam en faam op het
gebied van oogziekten, chirurgie, pediatrie en materniteit.

In 1964 werd een nieuwbouw opgetrokken, met een nieuw operatiekwartier, twee nieuwe verpleegafdelingen heelkunde en een nieuwe kinderafdeling voor interne pediatrie. In 1974 openden nieuwe verpleegafdelingen voor interne geneeskunde, intensieve zorg, en een uitbreiding van de kinderafdeling.

Thans zijn de Sint-Vincentiuskliniek en de Kliniek Heilige Familie beiden geïntegreerd in het AZ Sint-Lucas.

(Bronvermelding : Onroerenderfgoed.be ; Wikipedia)



Klooster Arme Klaren

De hoek in de huidige Goudstraat was van de Ottogracht tot De Beersteeg eertijds ingenomen door het klooster der Arme Klaren of Colettinnen. De huidige Goudstraat is gelegen in wat voorheen de Waterwijk genoemd werd, tussen de gedempte Ottogracht en de Leie.

De kloosterorde der Arme Klaren werd gesticht in 1427. Het klooster in de Goudstraat werd gebouwd in 1442.

De kloosterorde werd afgeschaft en het klooster vernield onder Jozef II in 1783.

Een gedeelte van de kloostergebouwen werd in 1787 gesloopt voor de opbouw van een groot herenhuis.

De kloosterzusters vluchtten aanvankelijk naar Poligny maar keerden na de godsdienstmoeilijkheden terug, eerst in de abdij van Nieuwen-Bosch en vanaf 1801 in een huis van het Klein Begijnhof.

Vanaf 1814 vestigden zij zich op de Begijnhofdries in een voormalig refugiehuis van de abdij van Geraardsbergen.

Vanaf 1834 bewoonden ze een nieuw gebouwd klooster langs het Sint-Elisabethplein.

(Bronvermelding : Onroerenderfgoed.be)



Klooster van Onze-Lieve-Vrouw van Galilea

Het nonnenklooster van de orde der reguliere kanunnikessen van Sint-Augustinus werd gesticht circa 1433 door Jan Eggaert in de Koningstraat. Vanaf de jaren 1440 vestigde het klooster zich in de Hoogstraat.

In 1515 werd het klooster geteisterd door een brand.

De kloosterzusters werden verdreven tijdens het calvinistische bewind in 1578. Het klooster werd opgeheven tijdens de Franse revolutie (1783).

De kloostergebouwen werden nadien ingericht als een ursulinenklooster, dat op haar beurt werd afgeschaft in 1795. Het deed vervolgens gedeeltelijk dienst als woning van de familie de Montmorency.

In 1810 werd het klooster verdeeld in verschillende percelen en omgevormd tot burgerhuizen met tuin.

Het klooster besloeg oorspronkelijk de hele oppervlakte tussen de Hoogstraat, de Turrepoortsteeg, de Holstraat en de Schouwvagersstraat.

Het klooster was voorzien van een kloostergang rondom een vierhoekige binnenplaats en kapel. Thans vertonen de voorgevels van nummer 19 tot 29 nog sporen van de oude kloostergebouwen.

(Bronvermelding : Onroerenderfgoed.be)



Rijke Gasthuis

Het Rijke Gasthuis is één van de oudste liefdadige instellingen te Gent. Oorspronkelijk was het een leprozerie, ook wel Lazarusgasthuis genoemd, opgericht in 1146 door enkele poorters buiten de toenmalige stadsomheining. Tot 1591 werd de leprozerie beheerd door de broeders en zusters van het Gemene Leven.

In 1623, na het verdwijnen van de lepra in onze gewesten, werd de leprozerie bij besluit van aartshertogin Isabella afgeschaft en de gebouwen omgevormd tot de arme scholen van Kulders en Blauwe Meiskens en tot een benedictinessenabdij (sinds 1626-1630). Het complex bevond zich langs de huidige Holstraat.

Er volgden verschillende restauratiewerken vanaf 1617 en bouwcampagnes in 1626-29, 1630-31 (restauratie van de kerk), 1636-37 (voltooiing van de eerste twee vleugels), 1652 (vleugel tegenover de bibliotheek), 1659-61/65 (bouw van laatste vleugel en abdishuis) en een restauratiecampagne midden de 18e eeuw (onder meer nieuwe bedaking).

Het complex werd onder Jozef II in 1794 gesloten.

Van 1817 tot 1854 werden de gebouwen ingericht als een Liefdadigheidswerkhuis en kosteloze jongensschool, later ook meisjesschool.

Sinds 1228 waren de dominicanen aanwezig in Gent, meer bepaald in Het Pand in de Onderbergen. De Franse Revolutie (1796) betekende echter het einde voor het klooster. Ondanks het feit dat de paters Dominicanen dankzij een tussenpersoon hun klooster konden terugkopen op 4 januari 1797 zagen zij zich in 1823 verplicht hun klooster in
Onderbergen definitief van de hand te doen. De paters kochten in 1845 de voormalige abdij van het Rijke Gasthuis maar konden wegens een lopend huurcontract pas in 1854 hun nieuwe thuis betreden.

Het merendeel van de gebouwen werd hergebruikt maar er was nood aan een nieuwe kerk. De oorspronkelijke kerk van het Rijke Gasthuis bleek te klein en te bouwvallig. De paters dominicanen breidden hun terrein anno 1850 uit door de aankoop van drie huizen in de Holstraat met het oog op het optrekken van een nieuwe kerk. In 1854 werd de kerk ingewijd.

Negen jaar later (1863) werd de oude kerk van het Rijke Gasthuis gesloopt.

De nog bestaande pseudo-basilicale kerk langs de Holstraat was dus een volwaardig onderdeel van het Dominicanenklooster.

(Bronvermelding Onroerenderfgoed.be)



Groot Begijnhof

Het Groot Begijnhof, ook Oud Begijnhof Sint-Elisabeth genoemd, ligt in het noordwesten van de stadskern van Gent in de buurt van het Rabot, tussen de Burgstraat en de Begijnhoflaan.

Prominent aanwezig in het voormalig begijnhof is de Sint-Elisabethkerk.

Het begijnhof dankt zijn naam aan de Heilige Elisabeth van Thüringen, ook vaak Elisabeth van Hongarije genoemd.

In de 13e eeuw verhuisden de cisterciënzerinnen vanuit hun kloosterpand in Onderbergen, naast de Sint-Michielskerk, naar hun nieuwe klooster met infirmerie, genaamd "Haven van Maria" of nog "Toevlucht van Maria", vandaag beter bekend als de Bijloke.

Zij dankten hun nieuwe abdij aan de interventie van Gravin Johanna van Constantinopel, dochter van Boudewijn IX van Vlaanderen.

Een aantal godvruchtig levende vrouwen die aanvankelijk leefden in de schaduw van het klooster in Onderbergen om er een bijdrage te leveren aan de ziekenzorg, verhuisden mee naar de nabijheid van de Bijloke. Maar weldra kregen ook zij, door tegemoetkoming van Gravin Johanna van Constantinopel, de beschikking over een stuk land, meer bepaald een moerassig gebied, omringd door natuurlijke waterlopen, aan het einde van de huidige Burgstraat.

Het begijnhof uit 1234 groeide in de loop der eeuwen uit tot een begijnhofstad bestaande uit een kerk, het huis van de grootjuffer, een infirmerie, een infirmeriekapel, 18 conventen en 103 begijnenhuizen, een bleekweide en een boomgaard.

Een samenloop van omstandigheden, zoals de Franse Revolutie (waardoor de kerkelijke goederen eigendom van de gemeenten werden), het aan de macht komen van een liberaal stadsbestuur in de stad Gent, de industriële revolutie (met de vraag naar goedkope arbeiderswoningen) en het idee van de stadsarchitecten om de stad Gent "open te gooien" door onder meer het Begijnhof af te breken, leidde er uiteindelijk toe dat de begijnen zich verplicht zagen te verhuizen naar een nieuwe opgebouwd Groot Begijnhof in Sint-Amandsberg, net ten oosten van het stadscentrum.

Mede door de (ook financiële) inzet van de Hertog van Arenberg was in twee jaar tijd dit nieuwe begijnhof in Sint-Amandsberg in recordtempo opgetrokken. In 1874 verhuisden meer dan 600 begijnen naar het nieuwe begijnhof.

Na het vertrek van de begijnen werden hun huizen en conventen door het OCMW verhuurd aan minder gegoede Gentenaars. Initieel investeerde de stad en het OCMW weinig in vernieuwing en modernisering waardoor de buurt ten prooi viel aan stedelijk verval, maar later heeft het Gentse stadsbestuur in het kader van de stadsvernieuwing gezorgd voor een tweede adem voor de buurt.

De vroegere kerk van het begijnhof, de Sint-Elisabethkerk, is thans een anglicaanse kerk.

(Bronvermelding : Wikipedia)



Rabot

Het Rabot is thans een nog bestaand monument in Gent en ook de naam van de wijk waar dit monument gelegen is.

Op de plaats van het gebouw bevond zich vroeger een rabot, maar de naam Rabot is in de loop der jaren overgedragen op de torens ter verdediging van deze waterbouwkundige constructie.

Tijdens de Vlaamse Opstand tegen Maximiliaan kwamen Habsburgse troepen in 1488 Gent belegeren, maar moesten na 40 dagen afdruipen. Op de plaats waar ze gelegerd waren bouwden de Gentenaren als triomf twee monumentale torens op het bestaande rabot in het kanaal de Lieve.

In 1491 was de bouw van het Rabot rond: een versterkte sluis op de kruising van de Lieve met de stadsgracht. De Lieve gaf op haar beurt de verbinding met het – nog niet verzande – Zwin en verder met de zee. Na de overwinning van
Maximiliaan in 1492 beval hij dat de Gentenaren de rabottorens als straf moesten afbreken en met de stenen een dwangburcht bouwen in het Prinsenhof. Ze weigerden dit en wisten de straf te heronderhandelen tot een zware boete.

In 1860 werd de bakstenen vleugel – richting stad – afgebroken. In 1872 werd de rijweg verhoogd en de Lieve afgesloten omdat het kanaal Gent-Brugge en het kanaal Gent-Terneuzen betere uitwegen boden naar zee.

(Bronvermelding : Wikipedia)



Kinderen Alijnshospitaal

In 1363 stichtte de familie Rijm in Gent, langs de huidige Kraanlei, het « Kinderen Alijnshospitaal » ten behoeve van onderdak en voedsel voor weduwen, armen, wezen en de laagsten van de maatschappij, als een zoenoffer na een twist met dodelijke afloop tussen de families Alijn en Rijm. Graaf Lodewijk van Male besliste dat de familie Rijm, na de moord op Hendrik Alijn door Simon Rijm, een aanzienlijke som aan de familie Alijn moest betalen. Rijm werd mede-initiatiefnemer en beschermheer van het hospitaal.

Bij opname in het hospitaal (godshuis) moest de patiënt zijn onroerende goederen afstaan, zijn roerende mocht hij behouden.

Tijdens de 16e eeuw werd het hospitaal gerestaureerd en kreeg het zijn huidige vorm: een toegangspoort en acht huisjes aan de straatkant en zestien driekamerwoningen rond het binnenplein.

Bij het hospitaal werd tussen 1543 en 1546 de Sint-Catharinakapel gebouwd.

Deze kapel was toegewijd aan Catharina van Alexandrië.

Sanderus noemt het complex in de legende bij deze prent het « S. Catharina Hospitael ».

Het in 1880 in een brand vernielde dak en hoektorentje van de kapel werden eerst in de jaren 1950 heropgebouwd.

In 1959 vertrokken de laatste bejaarde bewoners uit het godshuis en begon de restauratie naar een ontwerp van Valentin
Vaerwyck. Er verrees een volledig herbouwde kapel in nieuwe baksteen.

In 1962 verhuisde het Folkloremuseum (opgericht in 1932) van de Lange Steenstraat naar de gebouwen van het Kinderen Alijnshospitaal en werd het omgedoopt tot Museum voor Volkskunde.

In 2000 werd het Museum voor Volkskunde het « Huis van Alijn » genoemd.

Dit voormalig godshuis herbergt tevens een museumcafé.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be; Wikipedia)



Simpel Huis

Voorbij de Posteernepoort lag de Zandpoort, aan de Oude Houtlei. De Zandpoort was in vergelijking met andere poorten vrij hoog. Ze bezat ook twee ronde torens met een overwelfde doorgang en vormde een indrukwekkend geheel.

Deze poort werd in de 17e eeuw ook "Zottepoort" geheten omwille van de aanwezigheid in het poortgebouw van het zogenaamde « Simpelhuis », een gesticht voor geesteszieke vrouwen dat de schepenen er hadden opgericht in 1605.

Deze poort werd in de 17e eeuw daarom ook wel "Zottepoort" genoemd.

De ongelukkige vrouwen waren er in erbarmelijke omstandigheden ondergebracht en werden er op mensonwaardige wijze behandeld. Het oord werd ook "Simpelhuis" geheten. Niet alleen geesteszieken, ook wezen en bejaarde vrouwen werden er opgenomen.

Na 1584 had het huis eerst gediend als onderkomen voor de Grauwe Zusters of Penitenten, die na het Calvinistisch Bewind, de beschikking hadden gekregen over het gebouw. In 1578 was hun klooster in Nevele onbewoonbaar. Zij trokken toen naar Gent. Daar bezaten ze een huis dat ze verpachtten, maar waar ze een gereserveerde kamer hadden. De Gentse magistraat bezorgde de kloostergemeenschap een onderkomen in de Zandpoort. Maar tientallen jaren later verplichtte de stadsmagistraat de zusters het torengebouw in de Zandpoort te verlaten.

Het is vrijwel zeker dat de Zandpoort of wat er toen nog van overbleef in 1862 werd afgebroken.

De Zandpoortstraat verwijst naar het bestaan van deze stadspoort en de ligging ervan aan de Oude Houtlei.

(Bronvermelding : Onroerenderfgoed.be; Gent-geprent.com)



Klooster van Oosteeklo

In het begin van de 13e eeuw werd de Abdij van Oost-Eeklo gesticht, een abdij van cisterciënzerzusters in de Oost-Eeklose bossen. De abdij werd geplunderd en verwoest door de calvinisten in 1577, waarbij de zusters uitweken naar Gent.

In 1585 namen zij hun intrek in de Posteernepoort op de Houtlei en een gedeelte van het Hof van Posteerne waar vroeger de Graven van Vlaanderen verbleven. In 1598 werd een gedeelte van deze gebouwen afgekocht van de stad en ingericht als klooster, het Klooster Oost-Eeklo genoemd.

Aan de bouw van de kloosterkapel werd begonnen in 1607. Gedurende de gehele 17e eeuw werd het klooster uitgebreid.

Er werden verschillende nieuwe vleugels opgetrokken, onder meer langs de Houtlei.

In 1796 werd dit klooster afgeschaft en grotendeels verwoest. Enkele religieuzen verbleven er nog zonder kloosterkleed tot ongeveer 1850.

Van het oude Klooster Oost-Eeklo bleven behouden: gedeelten van de funderingen, overwelfde kelders en een ontvangstkamer met kruisgewelven op gesculpteerde consoles uit de 17e eeuw op de begane grond van een vleugel gesitueerd langs de gedempte Houtlei. Ook de kapel is bewaard gebleven.

Vanaf 1833 werden de resterende gebouwen van het Klooster van Oosteeklo ingenomen door de jezuïeten.

Op het voormalig kerkhof en enkele vleugels van het klooster werd een neobarokke kerk opgetrokken tussen 1840 en
1844 met de voorgevel in de Posteernestraat en de zijgevel en sacristie in de Struifstraat.

Na de demping van de Houtlei in 1899 en de verlenging van de Zwartezustersstraat kwam een belangrijke uitbreiding: de bestaande kloostergebouwen palend aan de gedempte Houtlei werden omgebouwd en drie dwarsvleugels tegen het bestaande complex opgetrokken op de gedempte wal in het eerste decennium van de 20e eeuw. Er was eveneens een uitbreiding langs de Zwartezustersstraat waar het klooster van een ommuurde voortuin met ronde hoektorens werd voorzien.

Tot 1956 behield dit gebouwencomplex zijn functie van jezuïetenresidentie; nadien werd het ingelijfd bij het Sint-Lucasinstituut dat sinds 1904 een zelfstandige school en communiteit in de neogotische gebouwen had opgetrokken.

De voormalige kapelruimte van het Klooster van Oosteeklo, met een rechthoekige plattegrond en een halfrond koor, ligt thans centraal in het gebouwencomplex van Sint-Lucas en is sinds 1958 van drie gedeeltelijke tussenverdiepingen voorzien.

De site situeert zich tussen de Oude Houtlei, het Alexianenplein, het Ingelandgat, de Struifstraat en de Posteernestraat.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)



Klooster Terhaegen

Op de plaats van het vroegere Klooster Terhaegen vinden we thans een complex van gebouwen geschikt rondom verscheidene grote en kleinere tuinen en begrensd door de oostkant van de Molenaarsstraat, de kliniek van de Heilige Familie (Groene Briel), het Sint-Vincentiusplein, de Sint-Margrietstraat en de Brandweerstraat.

In het begin van de 13e eeuw werd de cisterciënzerinnenabdij van de Heilige Maagd Maria, ook " Abdij Terhaegen" genoemd, opgericht te Zuytdorp bij Axel. Deze abdij werd op het einde van de 16e eeuw verwoest door de calvinisten. De zusters vluchtten naar Gent.

In 1606 kochten ze een terrein op de Vogelenzang nabij de Lieve voor de opbouw van een nieuw klooster.

De kloosterkapel, gesitueerd aan de huidige Molenaarsstraat, was klaar in 1614.

Het klooster was voltooid in 1636. Het klooster bestond uit een aantal panden gerangschikt rondom een rechthoekig en een vierkante kloosterhof.

Van deze gebouwen rest een vleugel van twee bouwlagen van 1631 die werd aangepast in het begin van de 19e eeuw.

Het Klooster Terhaegen werd in 1805 betrokken door de Zusters van Liefde. De oude gebouwen werden aangepast en nieuwe vleugels werden toegevoegd.

In het begin van de 19e eeuw werden aangrenzende gronden aangekocht van het in 1797 afgeschafte Victorienenklooster.

Thans zijn op deze plaats het Klooster van de Zusters van Liefde, de Sint-Vincentiuskliniek en -school en de Sint-Benedictusschool en -instituut gevestigd.

(Bronvermelding : Onroerenderfgoed.be)