De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




DIKSMUIDE - PANORAMA


(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)




Op deze prent van Sanderus van omstreeks 1640 wordt een panoramisch zicht gegeven op de stad Diksmuide, gelegen in de huidige provincie West-Vlaanderen.

In Diksmuide zou mogelijk in de late 9e eeuw een ronde vluchtburcht opgericht zijn als een onderdeel van de verdedigingslinie tegen de invallen van de Noormannen.

In 958 zou Boudewijn III, graaf van Vlaanderen, toestemming gegeven hebben aan Diksmuide voor een jaarmarkt.

Na de grote overstromingen die de kustvlakte in de eerste helft van de 11e eeuw kende, ontwikkelde zich mogelijk op de rand van het overstromingsgebied te Diksmuide een kleine nederzetting.

Ten behoeve van de (groeiende) bevolking werd een kapel afhankelijk van de moederkerk te Esen opgericht. De bevolking vestigde zich aan de rand van het overstromingsgebied en begon met bosontginning.

In 1089 werd Diksmuide beschreven als "Dicasmutha".

Op het einde van de 11e eeuw kwamen de heren van Esen zich als burggraven in Diksmuide vestigen, wat op een toenemend belang van de nederzetting wijst. Deze 'verhuis' ligt in de lijn van de oprichting van de kasselrijen en de aanduiding van de burggraven onder de graven Boudewijn IV (988-1035) en Boudewijn V (1035-1067).

Diksmuide en de gebieden ten oosten van de IJzer behoorden tijdens het “ancien régime” tot de kasselrij van het Brugse
Vrije. Daarnaast vormde Diksmuide als leen van de graaf van Vlaanderen ook een gerechtelijke en administratieve eenheid met aan het hoofd een burggraaf.

Vanaf het einde van de 11e eeuw en in de 12e eeuw had Diksmuide een 'zeehaven' aan de IJzergolf. De monding van de IJzer drong toen immers heel diep in het binnenland door. Door inpoldering en verzanding werd de scheepvaart geleidelijk aan onmogelijk.

Het toenemend belang van Diksmuide in de loop van de 12e eeuw wordt geïllustreerd door de verschuiving van de term "oppidum" (versterking) in 1120 naar "portus" in de betekenis van 'stad' in 1127. De stadsrechten van midden 12e eeuw en de onafhankelijkheid van de parochie Diksmuide in 1144 wijzen in dezelfde richting.

Vermoedelijk voor 1163 verkreeg Diksmuide stadsrechten. Ondanks de verzanding van de IJzergolf en de teloorgang van de Diksmuidse haven bleef Diksmuide een belangrijke stad door de spectaculaire groei van de lakennijverheid.

De eerste heer van Beveren was Diederik (1120-1148). Diens zoon Jordaan werd burggraaf van Diksmuide en liet in Diksmuide waarschijnlijk in de loop van de 12e eeuw een motekasteel bouwen. Dit motekasteel bevond zich waarschijnlijk ten noorden van de Sint-Niklaaskerk. Het neerhof moet dan tussen de mote en de Handzamevaart worden gesitueerd. Het domein van de heren van Diksmuide zou zich toen aan de Noordstraat (nu De Breyne Peellaerstraat) en aan de
Handzamevaart hebben gesitueerd. Archeologisch onderzoek ontbreekt echter tot op vandaag.

De nederzetting zou van 1191 tot 1429 in handen zijn geweest van de familie van Beveren-Waas.

Tussen 1270-1299 werd de stad onder graaf Gewijde van Dampierre versterkt met aarden wallen en een verdedigingsgracht met vier poorten. Tegelijkertijd werd een versterkt kasteel gebouwd ter hoogte van de samenloop van de IJzer en de Handzamevaart (vandaar de huidige benaming Kasteelstraat).

In 1299 werd Diksmuide door de Fransen (Filips de Schone) ingenomen.

In de 14e eeuw vond een geleidelijke verstening van de stadspoorten plaats. De stadsmuur werd gebouwd en de stad werd in zuidelijke richting uitgebreid met een dambordvormig stratenpatroon. Tevens werden de natte broeken ten noorden en ten westen van de stad voor het verdedigingssysteem aangewend. Een latere stadsuitbreiding was dan ook enkel mogelijk in zuidelijke richting.

Diksmuide vormde tussen de 13e en 15e eeuw een belangrijk centrum voor de lakenproductie, gespecialiseerd in het oude luxueuze 'zware' laken.

De Honderdjarige Oorlog (1337–1453) en het opstarten van een eigen productie in Engeland betekende de ondergang van de lakennijverheid. De lakenhalle was overbodig en verviel.

Het Verdrag van Athis-sur-Orge (1305) verzoende de Franse koning en de Vlaamse graaf. De verzoening had zware financiële repercussies voor de Vlaamse boeren en middenklasse. Vanaf 1323 brak een opstand van Vlaamse boeren en ambachtslui uit tegen de Leliaertse adel die in 1328 tijdens de Slag bij Cassel beslecht werd in het nadeel van het opstandelingenleger van Nicolaas Zannekin. Vele landslieden uit het Diksmuidse lieten hun leven in deze slag.

In 1330 bevestigde graaf Lodewijk van Nevers de keuren en vrijheden van de stad Diksmuide.

In 1333 werden de kerk en het westelijk deel van de stad vernield door een grote brand.

In 1380 werd de stad geplunderd door de Engelsen en de Gentenaars die samen tegen de graaf Lodewijk van Male streden. Daarna volgde slechts geleidelijk een herstel van de stadsversterking.

In 1404-1415 manifesteerde zich opnieuw een Engelse dreiging. Op initiatief van Thierri van Beveren, heer van Diksmuide, worden werken gestart voor een nieuwe verdedigingsgordel. Ondanks de slechte economische toestand werd de stad met deze nieuwe verdedigingsgordel met een derde in zuidelijke richting uitgebreid, in de vorm van een rechthoek aansluitend op de oost- en westkant van de stad. Deze verdedigingsgordel werd echter omwille van een lege stadskas niet afgewerkt: vanaf 1414 repareerde en consolideerde men enkel nog de omwalling van 1359.

Tussen 1430 en 1507 verwierf de familie Van der Beerst door overerving de titel van 'heer van Diksmuide'.

In 1472 ging door aanverwantschap de heerlijkheid Diksmuide over naar de familie Van Haveskerke.

Door de concurrentie van Hondschote in de 16e eeuw kwijnde de Diksmuidse lakenhandel weg.

De titel 'Heer van Diksmuide' werd in 1508 overgeërfd door de familie Sacquespeé die ze behield tot in 1607.

Door een grote brand in 1513 verdween de stadsuitbreiding van het begin van de 15e eeuw.

Op 17 augustus 1566 stonden de beeldenstormers voor de stadspoorten.

Tussen 1598 en 1620 zorgde de regering van de aartshertogen Albrecht en Isabella voor voorspoed in de kasselrij Veurne-Ambacht.

In 1671 werden de stadswallen uitgebreid.

De titel 'Heer van Diksmuide' ging door aankoop in 1608 over op de familie Van (den) Bergh. Deze familie behield de titel tot aan de Franse Revolutie.

Tijdens de bloeiperiode van de 17e eeuw, werden de huizen grotendeels vernieuwd.

In 1647 werd Diksmuide herhaaldelijk door de Fransen ingenomen en door de Spanjaarden heroverd. De Vrede van Munster (1648) bracht even wat rust.

Door de imperialistische ambities van Lodewijk XIV leed de kasselrij Veurne-Ambacht zwaar onder het krijgsgewoel. In 1658 werd Diksmuide ingenomen door de Fransen, in 1660 door de Spanjaarden, in 1683 opnieuw door de Fransen en het daaropvolgende jaar terug door de Spanjaarden. De Fransen namen de stad opnieuw in in 1688 (waarbij nadien wellicht de versterkingen gesloopt worden). Het Verdrag van Rijswyck (1697) voegde Diksmuide opnieuw bij de Spaanse Nederlanden.

In 1678 werd het 13e-eeuwse kasteel van Diksmuide aan de samenvloeiing van de IJzer en de Handzamevaart afgebroken.

Na de vrede van Utrecht (1713) heerste er een relatieve rust.

Bij de dood van Jan-Baptist, heer van Diksmuide in 1782 erfde zijn zuster Johanna, prinses van Hohenzollern-Sigmaringen Diksmuide.

Antoon van Hohenzollern-Sigmaringen was de laatste heer van Diksmuide in 1787.

Het kerkhof van de Sint-Niklaaskerk werd in 1784 ontruimd en overgebracht naar de Woumenweg. Deze begraafplaats wordt in 1856 aanzienlijk uitgebreid.

Tussen 1792 en 1794 vielen Franse troepen de Zuidelijke Nederlanden binnen en versloegen in oktober de Oostenrijkers.

Met de slag van Neerwinden (1793) werden de Fransen evenwel opnieuw verslagen. Met de Slag van Fleurus (26 juni 1794) worden de Zuidelijke Nederlanden definitief bij Frankrijk ingelijfd. Voor de komende 20 jaar behoorde Diksmuide tot het Franse Departement van de Leie.

In 1796 werden de religieuze gebouwen (onder meer deze van de recolletten, zwartzusters, grauwzusters en begijnen) nationaal goed en nadien verkocht. Een gedeelte van het begijnhof werd gebruikt voor militaire doeleinden.

In de 19e eeuw vond een gedeeltelijke slechting van de vestingen, en wellicht ook van de stadspoorten, plaats.

In 1846 werd een gemeenteschool gebouwd. In 1868 werd de school uitgebreid met een grotere jongensschool en in 1884 met een kleuterschool. In 1856 werd een meisjesschool gebouwd. De schoolgebouwen in Diksmuide werden in de loop van de 19e eeuw sterk uitgebreid. Zo ontwikkelde Diksmuide zich tot een heuse onderwijsstad.

In 1858 werd in Diksmuide een treinstation ingehuldigd.

Tijdens de "Slag om Diksmuide" in oktober-november 1914 werd de stad voortdurend beschoten door de Duitsers. De stad wordt verdedigd door 6000 Franse en 5000 Belgische soldaten. Uiteindelijk viel de stad op 10 november 1914 in Duitse handen. De meeste van de inwoners waren de stad reeds ontvlucht. De volgende vier jaar krijgt de stad diverse Frans-Belgische beschietingen te verduren, waardoor ze herleid wordt tot een puin- en kraterlandschap. Ook alle restanten van de vroegere vestingen werden uitgewist.

Pas op 29 september 1918 viel Diksmuide opnieuw in Belgische handen.

In het interbellum werd alles in het werk gesteld voor een wederopbouw van de stad.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de stad opnieuw zwaar geteisterd. Verschillende huizen en onder meer ook de Sint-Niklaaskerk brandden volledig uit.

De gemeente vervult thans een centrumfunctie in dienstverlening en nijverheid. Niet enkel voor de deelgemeenten, maar ook voor andere landelijke gemeenten in de Westhoek oefent Diksmuide als centrumstad een zekere invloed uit.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be; Wikipedia)


Hieronder tonen we de markante plaatsen van omstreeks 1640 die op de prent van Sanderus werden afgebeeld:






Recollettenklooster (1)

Op de hoek van de huidige Koning Albertstraat met de Maria Doolaeghestraat bevond zich het Recollettenklooster van de paters recolletten of minderbroeders franciscanen.

In 1452 stichtte de franciscaan Zegher Hunslare een klooster zogenaamd "Onze-Lieve-Vrouw ter Engelen" ten noordoosten buiten de stad, ter vervanging van een kapel zogenaamd "Noorduut". De kapel en bijhorende grond werd hem geschonken door Isabella van Dixmude en haar zoon Roeland. In 1453 erkende paus Nicolaas V de nieuwe stichting van Hunslare.

In 1566 werd dit klooster tijdens de godsdiensttroebelen vernietigd.

Jan de Trasignies schonk in 1584 de kloosterlingen een gebouw met bijhorende grond binnen de stadsmuren, langs de huidige Koning Albertstraat, alwaar de kloosterlingen een nieuw klooster, het zogenaamde "Nazareth", het Recollettenklooster, bouwden.

In 1637 werd aanpalende grond aangekocht om het klooster uit te breiden, onder meer met een nieuwe ziekenkamer (1647) en een brouwerij (1653).

In 1680 werd de kerk uitgebreid.

Tussen 1751 en 1753 werd een nieuwe kerk gebouwd, ter vervanging van de oude bouwvallige kerk.

In 1796 werd het Recollettenklooster nationaal goed. In 1797 werd het klooster opgekocht door Antoine Bortier.

In 1843 werd de kerk door Antoine Bortier geschonken aan de kerkfabriek van de Sint-Niklaasparochie. Diens zoon Pieter Bortier (1805-1879) kocht ze echter terug en schonk het gebouw aan de stad. Het gebouw deed vanaf dan onder meer dienst als stadshalle (1871) en magazijn.

In 1910 keerden de recolletten of minderbroeders franciscanen na meer dan 100 jaar terug naar Diksmuide. Ze kochten hun kerk en enkele aangrenzende percelen terug van de stad en bouwden er een nieuw klooster.

De kerk en het klooster worden echter volledig verwoest tijdens de Eerste Wereldoorlog.

In 1921 was er een wederopbouw van het klooster en de kerk op de vooroorlogse locatie. Deze kerk werd door de bevolking de "Paterskerk" genoemd.

Het gebouw werd later aangekocht en als cultureel centrum ingericht, onder meer met in 1986 een herbestemming van de kerk tot Plaatselijke Openbare Bibliotheek.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)



Grauwzustersklooster (2)

De grauwzusters – ook grauwe zusters genoemd – waren godsvruchtige vrouwen die leefden volgens de derde regel van Sint-Franciscus. Hun stichtend voorbeeld was Elisabeth van Thüringen, die ondanks alle tegenkantingen, de armen en zieken terzijde bleef staan tijdens de hongersnood van 1226.

Anders dan reguliere kloosterordes, die van bij hun ontstaan centraal bestuurd werden, stonden her en der grauwzusters op in onafhankelijke stichtingen. Deze zusters verplichtten zich tot een aantal vaste gebeden per dag, tot werken van naastenliefde en barmhartigheid, het geven van aalmoezen en tot een sobere levenswijze.

In 1432 vestigden de grauwzusters zich te Diksmuide. Het Grauwzustersklooster was gesitueerd op de hoek van de huidige Admiraal Ronarchstraat en de Maria Doolaeghestraat.

In 1796 werd het Grauwzustersklooster nationaal goed en nadien verkocht.

Omstreeks 1840 liet Pieter Bortier (1805-1879), die het klooster had gekocht, op de gronden van het voormalige Grauwzustersklooster een tuin aanleggen.

In 1879 schonk Pierre Bortier de tuin aan de stad. Dit stadspark werd na de Eerste Wereldoorlog echter bebouwd en ter hoogte van de Oostvesten heropgericht.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)



Zwartzustersklooster (3)

De Congregatie van de Zwartzusters van de Heilige Augustinus, ook wel cellezusters, celzusters, zwarte zusters of zusters alexianen genoemd, is een rooms-katholieke orde die in de veertiende eeuw is ontstaan in de Zuidelijke Nederlanden. De hiertoe behorende gemeenschappen worden tot de religieuze congregaties gerekend.

De zwartzusters van Bethel, die gevestigd waren in Brugge (“Den Kastanjeboom”), stichtten in 1479 een kloostergemeenschap in Diksmuide. De zusters vestigden zich in Diksmuide op verzoek van de stedelijke overheid om de pestlijders te verzorgen. In 1468 was immers de pest uitgebroken in Diksmuide.

De kloosterzusters bezochten ook de mensen thuis.

De stadsmagistraat zorgde voor een behoorlijk onderkomen voor de zusters. De vier zwartzusters, die vanuit het Brugse klooster van Bethel naar de door pest getroffen stad Diksmuide overkwamen, kregen de beschikking over het leegstaande Sint-Andrieshuis. Dit was een godshuis, dat voorheen reeds was bewoond door cellebroeders (ook Alexianen genoemd) ofwel door cellezusters.

De kloostergemeenschap beschikte in Diksmuide over een “fermerye” (=ziekenzaal) met 6 bedden voor zieke vrouwen en voor jongens onder de 12 jaar. De mannen verzorgen was het werk van de zogenaamde “cellebroeders”.

Het Sint-Andrieshuis stond op de zogenaamde Paaphoek (“Paephoek“), waar de huidige Fuselierstraat en de IJzerlegerstraat (vanaf circa 1800 tot 1918 de Zwarte Nonnenstraat genoemd) samenkomen.

Tot halfweg de 16e eeuw kenden de zwartzusters, niettegenstaande hun zware en veelal weinig aantrekkelijke werk, een vrij gelukkig en voorspoedig leven in Diksmuide. In 1516 konden zij, met giften van weldoeners, een nieuwe eigen kapel bouwen, die in 1517 werd ingewijd, met Sint-Augustinus als patroonheilige. In de kapel bevonden zich wel nog een relikwie en een beeld van Sint-Andries (= de Heilige apostel Andreas), vanouds de schutspatroon van het klooster. Men noemde de kapel vanaf dan wel de Sint-Augustinuskapel.

De Beeldenstorm en de godsdiensttroebelen in de tweede helft van de 16e eeuw lieten Diksmuide niet onberoerd. Calvinistische benden trokken in de tweede helft van de 16e eeuw tijdens de Beeldenstorm door de stad en verwoestten kerken, kapellen en kloosters. De zwartzusters doorstonden echter de godsdienstschermutselingen behoorlijk goed. Ze kregen een speciale beschermingsbrief van het militaire hoofd van de protestanten, prins Willem van Oranje. De secretaris van prins Willem was François de Sacquespee, Heer van Baudemont en verwant met de burgheren van Diksmuide. Deze man had ongetwijfeld zijn persoonlijke invloed aangewend om de zwartzusters te beschermen, die ooit zijn zieke voorouders hadden verzorgd.

In 1577 zorgde een grote brand wel voor de vernieling van het klooster.

Het twaalfjarig bestand onder Albrecht en Isabella, in het begin van de 17e eeuw, luidde een periode in van relatieve rust.

Voor kerken en kloosters was het een tijd van wederopbloei. De zwartzusters maakten zich niet enkel verdienstelijk in de ziekenzorg. Ze namen tal van andere taken op zich, zoals naald- en borduurwerk, hosties bakken en onderhouden van het kerkinterieur.

De zwartzusters hadden hun eigen begraafplaats waar ook burgers (maar dan alleen vrouwen en kinderen), konden worden begraven.

In 1697 brak de pest opnieuw uit in Diksmuide. Dit was de laatste pestepidemie. Maar cholera en tyfus leidden nog lange tijd een taai bestaan (zelfs tot halverwege de 19e eeuw).

De Oostenrijkse keizerin Maria-Theresia en nadien haar zoon keizer Jozef II legden de kloosters aan banden: tientallen contemplatieve communiteiten in de Zuidelijke Nederlanden werden gesupprimeerd. De zwartzusters konden blijven bestaan omdat ze zich met ziekenzorg bezighielden.

Naar het einde van de 18e eeuw werden onze streken bezet door de troepen van de Franse Revolutionairen. In 1796 beslisten de machthebbers in Parijs alle religieuze congregaties af te schaffen en hun bezittingen openbaar te verkopen.

In 1797 werd beslist dat het klooster in Diksmuide voorlopig mocht blijven bestaan, maar de Diksmuidse zwartzusters moesten hun habijt afleggen en elders onderdak zoeken. Kort daarna werd hun klooster en de hele inboedel openbaar verkocht en kwam het in handen van een brouwer, die er opslagplaatsen en veestallen van maakte.

Na enige tijd ondergedoken te hebben geleefd in een paar private woningen in de stad, kwamen de zwartzusters in 1808 weer bijeen als communiteit in een huis aan de Breyne-Peellaertplaats (= de huidige Breyne Peelaertstraat).

Onder het Nederlandse Bewind (1814-1830) werden de statuten van de zwartzusters van Diksmuide goedgekeurd.

De zusters richtten in 1822 vervolgens in een tweetal huizen, die ze al bewoonden op de Appelmarkt (thans Vismarkt), een klooster in.

Vanaf de onafhankelijkheid van België (1830) bloeide het kloosterleven opnieuw.

In 1842 bouwden de zwartzusters een nieuwe kapel.

Het oude klooster op de Paaphoek, dat tijdens het Franse bewind was geconfisceerd, werd in 1861-62 verkocht. De gebouwen werden door de nieuwe eigenaar afgebroken en er werd een riante woning opgetrokken met een grote tuin. Bij de aanleg van een spoorlijn werd een deel van het domein onteigend.

In 1914 werd het klooster tijdens de Eerste Wereldoorlog door een bominslag zwaar beschadigd. De zwartzusters sloegen met hun patiënten op de vlucht naar verschillende plaatsen in de niet-bezette Westhoek. Zo raakte de gemeenschap tijdens de oorlogsjaren helemaal verspreid.

In 1918 konden de zwartzusters niet terugkeren naar hun totaal vernielde en geplunderde klooster. Ze waren dakloos en compleet geruïneerd. Na bemiddeling van de paters benedictijnen mochten ze tijdelijk een villa (Witte Huis) betrekken in Loppem. De villa werd ingericht als nood-bijhuis en als noviciaat voor 3 kandidaat-religieuzen.

In 1923 keerden de zusters terug naar hun nieuwe klooster in Diksmuide, dat met de oorlogsschadevergoeding op de puinen van het oude klooster was opgetrokken. In 1931 werd de nieuwe kapel ingewijd. Tussen 1933 en 1946 werden nog 2 bijhuizen opgestart. Enkele zusters namen de zorg over van het Sint-Paulus Rustoord in Langemark; andere zusters werkten in het Sint-Andreas Ziekenhuis in Beernem.

Vanaf de jaren 1920 was het belang van de ziekenverpleging aan huis stilaan afgenomen door de oprichting van zieken- en bejaardentehuizen in de steden. De zwartzusters in Diksmuide openden daarom een eigen St.-Andriesmaterniteit bij hun klooster aan de Vismarkt.

Tijdens een Duits luchtbombardement in 1940, bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werden het klooster en een deel van de materniteit zwaar beschadigd, maar spijts de oorlogsomstandigheden werd nog datzelfde jaar de materniteit uitgebreid langs de Kwadestraat.

In 1949 werd de kloosterkapel helemaal hersteld.

In de jaren 1950 werd de materniteit verder uitgebreid.

In 1954 gebeurde er een fusie van de zelfstandige gemeenschap van de Diksmuidse zwartzusters met het moederklooster van de zwartzusters van Bethel in Brugge.

In 1969 werd een kleine polikliniek opgestart in de Kwadestraat. In 1974 sloot de Sint Andriesmaterniteit haar deuren.

Het leegstaande gebouw werd geïntegreerd in de nieuwe polikliniek.

In 1978 werd aan de kant van de Handzamedijk een algemeen “Gezondheidscentrum van Diksmuide en Omliggende” opgericht. De bouwheer was de “VZW Zwartzusters van Brugge“, die de grond in 1957 had aangekocht.

In 2007 viel de beslissing om het kloosterpand te sluiten en er een andere bestemming aan te geven. Door de toenemende vergrijzing en de ontvolking van de te grote gebouwen drong zich een grotere centralisatie op van de overblijvende zusters.

In 2008 verlieten de laatste drie zwartzusters hun geliefde klooster op de Vismarkt. Het lijdt geen twijfel dat de zwartzusters kunnen terugkijken op een rijk verleden.

In 2009 werd de VZW KBW eigenaar van de gronden langs de Vismarkt en Handzamevaart en richtte er vanaf 2011 de assistentiewoningen van residentie “Sint-Andries” op.

In 2009 kocht woonmaatschappij IJzer en Zee het klooster op de Vismarkt en de polikliniek in de Kwadestraat voor 13 huurappartementen voor senioren in residentie “Zwartzusters” in de Kwadestraat en koopappartementen langs de Vismarkt. De werken werden in 2018 opgeleverd.

(Bronvermelding: Info grotendeels gebaseerd op Zwartzusters-bethel-brugge.be/onze-instellingen-diksmuide1 en Onroerenderfgoed.be)



Klooster van Hemelsdaele (4)

Langs de huidige Predikboomstraat in Esen (thans een deelgemeente van Diksmuide) werd vanuit de abdij van Marquette-lez-Lille in 1237 een cisterciënzerinnenabdij gesticht. Op de plaats waar zich vroeger deze abdij bevond ligt thans nog de grote Hemelsdaelehoeve.

Elisabeth van Steenvoorde had haar landgoed (toen “De Heide” genoemd) te Esen in 1237 geschonken aan de Abdis van Marquette zodat ze er een vrouwenklooster kon onderbrengen. Het klooster kreeg de naam “Hemelsdaele”.

In 1242 kreeg de abdis Machteld van de bisschop van Terwanen toelating om in haar klooster goddelijke diensten te laten celebreren. De toenmalige pastoor Diederick zag met lede ogen aan dat er bij het klooster een kerkje zou worden opgericht. Hij spande een proces in om zijn rechten te verdedigen. In 1242 werd de zaak gevonnist en het verdict maakte uit dat geen enkele parochiaan van Esen in het klooster mocht begraven worden, zonder dat het stoffelijk overschot eerst naar de parochiekerk was gedragen. Al de offerdiensten, offers en jaargetijden moesten de pastoor ten goede komen. De abdis werd tevens verplicht jaarlijks 40 shilling in Vlaamse munt aan de pastoor te betalen. Het klooster bleef slechts tot in 1270 in Esen.

In 1270 verhuisde de abdij naar Zillebeke bij Ieper, waar veel goederen aan haar waren overgedragen. In 1295 verhuisde ze naar Werken bij Diksmuide, waar ze de pas opgerichte gebouwen overnam van een clarissengemeenschap die naar Petegem-aan-de-Schelde was verhuisd.

In 1578 werd het klooster van Werken vernield door de Geuzen en de zusters vluchtten naar de Oranjeboomstraat in Brugge en naar Torhout. In 1592 verenigden ze zich opnieuw in Nieuwpoort en verbleven er tot in 1607 in een refugehuis van de Abdij Onze-Lieve-Vrouw Ten Duinen.

In 1607 vertrokken ze naar Diksmuide en bouwden er aan de rand van de stad, in een huis aan de westzijde van de Zuidstraat (nu Woumenweg), een nieuwe abdij onder abdis Maria de Ville.

Na uitbreiding van hun eigendommen (1615), waren in 1623 de kerk, de slaapzaal, de panden en een deel van de slotmuren voltooid. Barbara Casenbroot, voorheen priorin van Spermalie, voltooide het abdijcomplex.

In 1671 werd op bevel van de militaire overheid de abdij ontruimd en voor de aanleg van nieuwe stadsversterkingen volledig gesloopt. In 1673 waren de afbraakwerken nog steeds aan de gang.

De kloostergemeenschap trok vervolgens naar Brugge, logeerde voorlopig in een refugehuis van de abdij van Oudenburg en kocht gronden in de Sint-Clarastraat in Brugge. Zo begon ze in 1672 voor de vijfde maal aan de bouw van een nieuwe abdij. De gebouwen werden vanwege de geringe geldmiddelen met tussenpozen opgericht. De zusters voorzagen in inkomsten door het houden van een kostschool voor meisjes.

De goederen in Esen bleven in beheer van het klooster. Sommige stukken grond werden bewerkt door de knechten van de abdij.

De naam van het land werd lange tijd nadat het klooster weg was nog ‘Hemelsdaele’ genoemd. De naam ‘Hemelsdaele’ is ontstaan doordat de abdij tussen twee heuvelruggen lag van Esen en Klerken. De oude kloosters hadden een voorliefde voor een naam waar het woord ‘dal’ in voor kwam vandaar de naam ‘Hemelsdaele’.

(Bronvermelding: deze tekst is gebaseerd op info van Bezoekdiksmuide.be/ hemelsdaeleroute en Wikipedia)



Sint-Jansgasthuis (5)

Langs de huidige Gasthuisstraat in Diksmuide was het voormalige Sint-Jansgasthuis gelegen.

Sinds minstens 1480 palmde dit hospitaal het bouwblok in ten zuidwesten van de Gasthuisstraat en de Koning Albertstraat. In het hospitaal werden zieke reizigers en inwoners verpleegd. In de 17e eeuw namen kloosterorden als de grauwzusters en later de zwartzusters er de zorg waar.

Circa 1870 werd het oude complex vervangen door een nieuw "Hôpital St. Jean", een complex in een neoclassicistische stijl.

Het complex werd volledig vernield tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Na deze oorlog werd het Sint-Janshospitaal heropgebouwd in een historiserende neo-Brugse stijl om een nieuw hospitaal te worden voor zieken, bejaarden en wezen.  

Uiteindelijk bleef het oude gasthuis tot omstreeks 1970 in gebruik; daarna maakte het plaats voor nieuwere voorzieningen.

In de jaren 1970 werd het complex afgebroken om plaats te maken voor de serviceflats van het rusthuis "Yserheem" (IJzerheemlaan).

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)



Sint-Jorishof (6)

Langs de huidige Koning Albertstraat (die tot in 1924 Woumenstraat heette) in Diksmuide bevond zich " ‘t Groot Sint-Joorishof" waar zowel de Sint-Jorisgilde als de Sint-Sebastiaansgilde een onderkomen vonden.

Het gildehuis voor de schuttersgilde Sint-Joris werd gebouwd in 1616.

" 't Groot Sint-Joorishof" werd alsdusdanig niet heropgebouwd na de Eerste Wereldoorlog. Op een deel van het vrijgekomen perceel werd wel een Boterhalle gebouwd met aan de Grote Markt een reconstructie van de toren van het Sint-Jorishof.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)



Norbertijnencollege (7)

In Diksmuide was al in de late middeleeuwen een traditie van christelijk onderwijs. Zo bestond er langs de huidige Wilgendijk een college ingericht door de paters norbertijnen van Veurne, die dan ook bekend stond als het Norbertijnencollege.

In 1629 ging de "Latijnse school" over naar de paters recolletten, die zelfs reeds in Diksmuide waren gevestigd.

De paters recolletten (minderbroeders) namen in 1758 ook het middelbaar onderwijs over van de Norbertijnermonniken.

In 1798 tijdens de Franse Omwenteling werd deze school gesloten en niet meer heropend.

Het huidige Sint-Aloysiuscollege werd opgericht in 1859 door het Bisdom Brugge. Sinds 1841 was er reeds een basisschool en deze werd in 1859 uitgebreid met secundair onderwijs.

Vanaf 1871 werd ook Latijn aan het lessenpakket toegevoegd

Initieel gebruikte de school enkele aaneensluitende aangekochte huizen aan de Wilgendijk. Deze werden verwoest tijdens de Eerste Wereldoorlog.

In 1926 werd een nieuwbouw voor het college na drie jaar constructie afgewerkt.

In 1940 bombardeerden de Duitsers Diksmuide waarbij ook het college volledig uitbrandde.

Na de Tweede Wereldoorlog werd de school heropgebouwd en uitgebreid.

In 2020 fusioneerden het college en de voormalige Vrije Technische Scholen Sint-Aloysius-Diksmuide (VTI), in 1959 opgericht en sinds 1978 gevestigd aan de Cardijnlaan te Diksmuide tot 'T Saam, een school met twee vestigingsplaatsen of campussen: Aloysius en Cardijn.

(Bronvermelding: Wikipedia)



Gevangenis (8)

Waarschijnlijk in de eerste helft van de 15e eeuw werd in Diksmuide links van het schepenhuis een gevangenis opgetrokken. Er was alleszins reeds sprake van een “gevangenis” in 1422.

Het was zonder meer de meest geschuwde plek van de hele stad. De inwoners hadden het over ‘het kot’, gelegen aan de hoek van de Weststraat (thans Generaal Baron Jacquesstraat), waar later de herberg ‘De Concorde’ in het straatbeeld zou verschijnen.

In 1633 werd een nieuwe stedelijke gevangenis gebouwd (“het Kot”) dicht bij het stadhuis.

Na de Eerste Wereldoorlog werd afgezien van de heropbouw van deze gevangenis.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)



Sint-Niklaaskerk (9)

De Sint-Niklaaskerk is de kerk in het stadscentrum van Diksmuide. De huidige gotische kerk staat langs de Kiekenstraat, vlak bij de Grote Markt, achter het stadhuis. De Sint-Niklaaskerk is de decanale kerk voor het decanaat Diksmuide, dat thans 23 parochies omvat.

In 1144 werd Diksmuide kerkelijk van Esen afgescheiden. De oorspronkelijke kerk werd als zelfstandige kerk in 1144 gewijd door bisschop Milo van Terwaan en in de loop van de 13e eeuw geleidelijk aan uitgebreid.

De kerk werd onder de bescherming van Sint-Niklaas geplaatst.

In 1333 werd de kerk door brand in de as gelegd. Restanten van het oorspronkelijke gebouw worden in de nieuwe constructie verwerkt.

Bij de herindeling van de bisdommen in 1559 ging Diksmuide over van het bisdom Doornik naar dat van Brugge.

Ook in 1573 en 1672 werd de kerk door brand geteisterd, met de nodige restauratie- en herstellingswerken tot gevolg.

Vanaf 1801 ressorteerde Diksmuide onder het bisdom Gent.

Vanaf 1834 ressorteerde Diksmuide opnieuw onder het bisdom Brugge.

Bij de hervorming van het bisdom Brugge werd in 1839 de dekenij Diksmuide opgericht.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de kerk volledig verwoest. De Duitse artillerie, die opereerde vanuit Klerken, gebruikte de torenspits als oriëntatiepunt voor de beschieting van Diksmuide.

Tussen 1923 en 1925 werd de kerk heropgebouwd naar vooroorlogs model.

In 1940 werd de kerk opnieuw verwoest toen de Duitsers haar met brandbommen bestookten. De daaropvolgende restauratiewerken sleepten aan tot het begin van de jaren 1950.

(Bronvermelding: Wikipedia; Onroerenderfgoed.be)



Stadhuis (10)

Circa 1271 werd een lakenhalle gebouwd aan de oostzijde van de markt. De lakenhalle deed tevens dienst als schepenhuis.

De stad werd bestuurd door een schepenbank van aanvankelijk 13 schepenen (waaronder 1 burgemeester), 13 raadsleden (waaronder eveneens 1 burgemeester) en twee tresoriers.

In 1428 was er de bouw van "het nieuw huis ten berecke" of het schepenhuis ter hoogte van het huidige stadhuis (Grote Markt). Vóór die datum vergaderden de schepenbanken in de lakenhalle.

In 1567 werd het eerste schepenhuis afgebroken en vervangen door een nieuw.

Tussen 1875 en 1880 werd het oude stadhuis afgebroken. Het nieuwe en veel ruimere stadhuis met een bijhorend belfort werd in een neogotische stijl gebouwd. Behalve de gemeenteraad en de administratie vond ook het vredegerecht (dat later verhuisde naar de Koning Albertstraat) een onderkomen in het nieuwe gebouw.

De Eerste Wereldoorlog (1914-1918) leidde tot de totale vernietiging van het stadhuis. Tijdens de Slag om Diksmuide in 1914 fungeerde het stadhuis als hoofdkwartier van de Belgische soldaten. Onder meer hierdoor was het een doelwit voor Duitse beschietingen. Nadat Diksmuide ingenomen was door de Duitsers, vervolledigden Belgische beschietingen de vernietiging.

Tussen 1923 en 1925 werd het stadhuis heropgebouwd in een eclectische stijl met referenties aan de gotiek en de renaissance.

In 1940 ondervond het belfort beperkte schade bij een bombardement van de Duitsers.

In 1984 gebeurden er restauratiewerkzaamheden.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)



Begijnhof (11)

Het nog bestaande Begijnhof, gelegen langs de huidige Begijnhofstraat in Diksmuide, bevindt zich ten noorden van de historische stadskern en is ingeplant in de nabijheid van de Handzamevaart.

Dit Begijnhof bestond waarschijnlijk reeds in 1164. Een overlevering verhaalt immers dat Thomas Becket, aartsbisschop van Canterbury, circa 1164 in dit begijnhof verbleef na zijn verbanning uit Engeland.

Het Diksmuidse Begijnhof werd in 1273 vermeld in een schenkingsakte aan haar infirmerie door een zekere Marguerite Godscalc.

In 1359 was de nieuwe stadsomwalling met een uitbreiding naar het noorden afgewerkt waardoor het Begijnhof binnen de stad werd opgenomen.

De nabije Handzamevaart stelde de begijnen in staat de kost te verdienen met het wassen, bleken en bewerken van wol, laken en linnen. Ook zieken verzorgen en kantklossen behoorden tot hun activiteiten.

In 1434 werd de oorspronkelijke kapel aanzienlijk vergroot.

In 1503 teisterde een brand het Begijnhof. De heropbouw ging wellicht gepaard met een uitbreiding.

In 1643 was er de bouw van het "Groot Convent" of het huis van de grootjuffrouw.

In de 17e eeuw kende de begijnenbeweging in de Zuidelijke Nederlanden onder meer ten gevolge van de Contrareformatie een grote opgang. Ook het gebouwenbestand van het Diksmuidse Begijnhof werd grotendeels vernieuwd.

In 1796 werd het Begijnhof door de Franse overheid verbeurd verklaard. Ongeveer één derde van het Begijnhof werd aan de oostzijde door middel van een muur afgescheiden om er een 'gendarmerie-brigade' in onder te brengen. Het resterende begijnhofareaal werd geschonken aan het bestuur van de burgerlijke godshuizen, maar bleef tot aan de Eerste Wereldoorlog wel bewoond door begijnen.

Het Begijnhof wordt tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-18) volledig verwoest.

Tussen 1923 en 1933 werd het Begijnhof wederopgebouwd naar vooroorlogs model.

In 1946 werd het Begijnhof aangekocht door de "VZW Huis Godelieve", die het inrichtte als een rust- en bezinningshuis voor dames. In 1990 werd het verkocht aan "De Lovie" uit Proven (Poperinge), die het inrichtte als een verblijfscentrum voor volwassen mentaal gehandicapten.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be: Wikipedia)



Stadspoorten (12)

Tussen 1270-1299 werd de stad onder graaf Gewijde van Dampierre versterkt met aarden wallen en een verdedigingsgracht met vier poorten.

In 1380 werd de stad geplunderd door de Engelsen en de Gentenaars die samen tegen de graaf Lodewijk van Male streden. Daarna volgde slechts geleidelijk een herstel van de stadsversterking.

In de 14e eeuw vond een geleidelijke verstening van de stadspoorten plaats. De stadsmuur werd gebouwd en de stad werd in zuidelijke richting uitgebreid met een dambordvormig stratenpatroon. Tevens werden de natte broeken ten noorden en ten westen van de stad voor het verdedigingssysteem aangewend. Een latere stadsuitbreiding was dan ook enkel mogelijk in zuidelijke richting.

In 1404-1415 manifesteerde zich opnieuw een Engelse dreiging. Op initiatief van Thierri van Beveren, heer van Diksmuide, worden werken gestart voor een nieuwe verdedigingsgordel. Ondanks de slechte economische toestand werd de stad met deze nieuwe verdedigingsgordel met een derde in zuidelijke richting uitgebreid, in de vorm van een rechthoek aansluitend op de oost- en westkant van de stad. Deze verdedigingsgordel werd echter omwille van een lege stadskas niet afgewerkt: vanaf 1414 repareerde en consolideerde men enkel nog de omwalling van 1359.

In de 15e eeuw telde Diksmuide zes poorten: de "Noordpoorte" (overgang huidige De Breyne Peellaertstraat/ Oostendestraat), de "Westpoorte" (ongeveer hoek huidige Generaal Jacquesstraat-IJzerlaan), het "IJzerhekke Poortje" (huidige Stationsstraat, ter hoogte van de Montanusstraat-Oostvesten), de "Zuidpoorte" (huidige Woumenweg, aan de spoorwegbrug), de "Oostpoorte" of "Nieuwepoorte" (huidige Rozemarijnstraat, spoorwegbedding) en de "Grauwe Broedersvoetpoorte" (huidige Vestingwal/ Grauwe Broedersstraat).

Van deze 6 poorten zijn er 5 weergeven op deze panoramische prent van Sanderus.

Het "IJzerhekke Poortje" wordt op deze prent niet weergegeven. Het was omstreeks 1640 waarschijnlijk reeds verdwenen of niet meer in gebruik. Waarschijnlijk betrof het een kleine voetgangerspoort.

De huidige Grauwe Broedersstraat vertrok vanuit Diksmuide en leidde naar het klooster van de Grauwe Broeders.

Voorheen noemde deze weg "Leegweg" of "Legeweg" als aanduiding voor een zandige weg die uitgaf op de laaggelegen weides van het schependom.

Het convent van de Grauwe Broeders werd in 1453 gesticht door de Franciscaan Zegher Hunslare op de plaats van een reeds bestaande kapel "Noorduut".

Het klooster werd "Onze-Lieve-Vrouw ter Engelen" genoemd. De kapel en bijhorende grond wordt hem geschonken door Isabella van Dixmude en haar zoon Roeland. In 1453 erkende paus Nicolaas V de nieuwe stichting van Hunslare.

De weg naar het klooster was een voetweg met ter hoogte van de vesten een poortgebouw. De poort werd "Grauwe Broeders voetpoort" genoemd.

Deze poort situeerde zich ongeveer ter hoogte van de kruising van de huidige Grauwe Broedersstraat met de Oostvesten.

In 1566 werd dit klooster tijdens de godsdiensttroebelen vernietigd en kort nadien afgebroken.

Jan de Trasignies schonk in 1584 de kloosterlingen een gebouw met bijhorende grond binnen de stadsmuren, langs de huidige Koning Albertstraat, alwaar de kloosterlingen een nieuw klooster, het zogenaamde "Nazareth", het Recollettenklooster, bouwden.

In 1671 werden de stadswallen uitgebreid.

In de 19e eeuw vond een gedeeltelijke slechting van de vestingen, en wellicht ook van de stadspoorten, plaats.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)