De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)
MENU
Terug naar HOMEPAGINA
Terug naar INHOUDSOPGAVE
DENDERMONDE - PANORAMA
(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)
Op deze prent is een panoramische plattegrond te zien van de stad Dendermonde, zoals deze er uitzag omstreeks 1640.
Dendermonde is een stad in de provincie Oost-Vlaanderen.
We schetsen hier in een kort bestek de historiek van deze mooie stad aan de hand van 12 herkenningspunten in de skyline van Dendermonde, die Sanderus heeft opgenomen in zijn Flandria Illustrata. We hebben deze herkenningspunten ook in de tekst voorzien van nummers.
Uiteindelijk is deze tekst een reis geworden doorheen de boeiende geschiedenis van deze stad.
Het ontstaan en de historische evolutie van de stad Dendermonde wordt voor een groot deel bepaald door haar ligging bij twee rivieren, namelijk de Schelde en de Dender.
In Dendermonde bestaan er vondsten van steentijdmateriaal en archaeologica uit de brons- en ijzertijd. In de bronstijd werd op het Hoogveld een tumulus (cirkelvormige grafheuvel) opgericht.
Als gevolg van de volksverhuizingen werd de geromaniseerde Scheldevallei geleidelijk bewoond door Germaanse nieuwkomers. Het christelijk geloof en de Germaanse religie bestonden zo gelijktijdig.
Ter hoogte van de Zwijvekekouter lag er een Merovingisch grafveld (uit de late 5e tot vroege 8e eeuw). In de omgeving van deze vindplaats werden eveneens twee Romeinse brandrestengraven aangetroffen.
In 843 plaatste het Verdrag van Verdun Dendermonde in Lotharingen, het middenrijk dat aan keizer Lotharius I toekwam tussen het gebied van diens broers Karel de Kale en het Oost-Frankische rijk van Lodewijk de Duitser.
Omstreeks het jaar 950 werd een houten burcht gebouwd, in opdracht van keizer Otto II, zoon van Otto de Grote.
Omringd door Dender en Visgracht, bevond ze zich op de plaats waar thans het gerechtsgebouw staat en vormde de burcht de bestuurlijke zetel van het Land van Dendermonde. Deze heerlijkheid bestond reeds voor het begin van de 12e eeuw.
De oudste verwijzing naar de stad gaat terug tot 1087 in de naam van de toenmalige heer, Rainghotus de Thenremonde.
In oorsprong zijn er twee kernen te onderscheiden van waaruit de stad zijn groei zou kennen. Een eerste situeert zich ter hoogte van de vroegere Koornaard, thans Vlasmarkt geheten, met in het zuidwestelijk deel van dit marktplein de Sint-Janskapel.
De tweede kern situeerde zich langs de Dender waar de door de Vis- of Borchtgracht omsloten burcht van Dendermonde gelegen was. Ten westen van het burchtareaal situeerde zich het voorhof dat thans de Grote Markt van Dendermonde vormt. Beide kernen waren door een brug over de Dender met elkaar verbonden.
Bij de burcht kwam in de 11e eeuw een burchtkapel.
Ten westen van het burchtareaal liet de heer van Dendermonde in de 11e eeuw ook een kerk oprichten die aan Onze-Lieve-Vrouw toegewijd was, de
Onze-Lieve-Vrouwekerk (3)
.
Op de huidige Grote Markt was er in de 11e eeuw een begraafplaats.
De heren van Dendermonde, die ook voogd waren van de Gentse Sint-Baafsabdij, zorgden voor de uitbouw van deze prestedelijke nederzetting.
De eerste verwijzing naar verdedigingswerken van Dendermonde was een oorkonde uit 1190, waarin gewag werd gemaakt van een waterpoort over de Dender.
De verdedigingswerken werden in de loop van de 13e eeuw uitgebreid, vooral in oostelijke richting.
Volgens de legende werd het
Sint-Blasiusgasthuis (2)
rond 1202 door Machteld I, vrouwe van Dendermonde en echtgenote van Willem II van Bethune, opgericht. Zij gaf hiermee gehoor aan de oproep van Boudewijn, graaf van Vlaanderen die na zijn terugkeer van de kruistochten (circa 1171) pleitte voor opvang en onderhoud van het gekwetste krijgsvolk. Zo was ook het gasthuis te Dendermonde bestemd als pleisterplaats voor arme of zieke reizigers.
Het gasthuis was binnen de stadsomwalling en vlakbij een stadspoort, de Steenpoort of
Gentse Poort (1)
, gevestigd.
Het hospitaal was afhankelijk van het stadsbestuur en werd de eerste eeuwen door een kleine lekengemeenschap van vijf zusters en een broeder bediend.
In de eerste helft van de 13e eeuw kwam een gedeelte van de plaats Sint-Gillis-Zwijveke binnen de stadsmuren van Dendermonde te liggen. Hierbij besloot men een nieuwe parochiekerk gewijd aan Sint-Egidius op te richten in de nabijheid van het vroegere Sint-Gillishospitaal, opgericht circa 1214 door Mathilde I, vrouwe van Dendermonde. In 1223 werd het hospitaal omgevormd tot de cisterciënzerinnenabdij en in 1228 overgeplaatst naar Zwijvekekouter.
Het verlaten Sint-Gillishospitaal werd de zetel van de nieuwe parochie, Sint-Gillis-Binnen of "intra muros" genaamd. De hospitaalkapel was vermoedelijk vrij vlug te klein voor de nieuwe parochie en waarschijnlijk in het midden van de 13e eeuw werd in de onmiddellijke omgeving de nieuwe
Sint-Egidiuskerk (10)
gebouwd.
Dendermonde ontwikkelde zich tot een belangrijk centrum dat in 1233 stadsrechten kreeg van Robrecht VII van Bethune.
De burcht bevond zich op een eiland dat in het oosten door de Dender begrensd werd en in het westen en noorden door de Visgracht of de Borchtgracht.
Op het marktplein, thans de Grote Markt genoemd, werden een aantal publieke gebouwen opgericht zoals het
Vleeshuis (4)
, de Lakenhalle en het Belfort.
Door de bevolkingstoename werd in de loop van de 13e eeuw de
Onze-Lieve-Vrouwekerk (3)
vervangen door een kerkgebouw in gotische stijl. Tot vandaag vormt ze de kerk van de Onze-Lieve-Vrouwparochie.
In 1223 werd in Dendermonde een cisterciënzerinnenabdij gesticht.
In de loop van de 13e eeuw werden de stadsomwallingen nog uitgebreid.
Het
Begijnhof (9)
, ook bekend als het Sint-Alexiusbegijnhof, was reeds het tweede begijnhof van Dendermonde. Een eerste begijnhof dateerde waarschijnlijk uit de peirode 1260-1272 en lag in de buurt van het gewezen Sint-Gillishospitaal in een zeer moerassig gebied.
In 1288 kregen de begijnen de toelating zich op een stuk braakliggende grond in het zuidelijke stadsgedeelte te vestigen en een nieuwe kapel te bouwen. In 1294 kregen ze van Robrecht van Bethune de toelating een kerkhof rond de kapel aan te leggen. Het begijnhof had de vorm van een pleinbegijnhof met een driehoekige aanleg en een centraal gelegen kapel met ommuurd kerkhof en was, met uitzondering van een toegangspoort die uitgaf op de Brusselsestraat, volledig met grachten en vesten van de buitenwereld afgesloten. Tot de godsdiensttroebelen kende het Dendermondse begijnhof op economisch en materieel vlak een gunstige ontwikkeling.
Van 1297 tot 1303 werd Dendermonde bezet door de troepen van koning Filips IV van Frankrijk (Filips de Schone).
De Lakenhalle, het latere
Stadhuis (5)
,
werd gebouwd in 1337 (pas later werd het Belfort gebouwd).
In de tweede helft van de 14e eeuw, toen de stad onder het rechtstreeks bestuur viel van de Vlaamse graaf Lodewijk van Male werden de stadswallen nog verder verstevigd en uitgebreid.
De
Molen (11)
was een korenwindmolen die dichtbij de zuidwestelijke vestingen op de Molenberg, tussen het Begijnhof en het Birgittinnessenklooster, stond. Hij werd voor het eerst vermeld in 1374.
In 1377 werd de Lakenhalle, het latere
Stadhuis (5),
uitgebreid met het Belfort.
De textielindustrie (het Dendermondse laken) veroorzaakte in de 14e eeuw gewapende conflicten met Gent, dat zich door de Dendermondse concurrentie bedreigd voelde. In 1380 werd de stad door de naijverige Gentenaars belegerd, ingenomen en leeggeplunderd.
De verdedigingswerken werden sterk beschadigd bij de inname van de stad door de Gentenaars in 1380 tijdens de Gentse Opstand tegen Graaf Lodewijk van Male.
Het duurde jaren voor een nieuwe verdedigingsgordel tot stand kwam die nu bakstenen stadsmuren met torens en stadspoorten kreeg. Er waren vier stadspoorten: de
Gentse Poort (1)
of Steenpoort, de Scheldepoort, de Brusselse Poort en de Mechelse Poort.
De nieuwe stadsomwalling had bakstenen stadsmuren die op regelmatige afstand voorzien waren van torens en stadspoorten ter hoogte van de invalswegen.
Vanaf 1384 werd Dendermonde opgenomen in de bezittingen van de hertogen van Bourgondië.
Filips de Goede, hertog van Bourgondië en graaf van Vlaanderen bracht in 1465 een bezoek aan Dendermonde.
Hij gaf bij die gelegenheid de toestemming om een nieuw
Vleeshuis (4)
te bouwen.
De Lakenhalle kreeg in de loop van de 15e eeuw de functie van
Stadhuis (5)
.
Het
Vleeshuis (4)
werd gebouwd tussen 1460 en 1462 op dezelfde plaats van een vroeger gebouw (uit 1293). Op de gelijkvloerse verdieping bevond zich de hal voor de lokale slagers. Het Vleeshuis werd gebruikt als vlees- en lakenhal, schepenhuis, vierschaar, gevangenis, gildekamer, rederijkerskamer, toneelzaal en wachtlokaal.
In 1466 werd het
Birgittinessenklooster (12)
gebouwd. Het bevond zich dicht bij de Brusselsepoort. De Birgittinessen met hun typische ‘birgittijnse kroon’ (een zwarte sluier met een kruis van witte banden over het hoofd, op de knooppunten voorzien van rode stippen die de vijf wonden van Christus voorstellen), werden gesticht door de 14e-eeuwse Birgitta van Zweden. Deze mystica legde grote nadruk op de deelname van de kloosterlingen aan het lijden van Christus.
Het Birgittinessenklooster in Dendermonde werd gesteund door Isabella van Portugal en door twee broeders van het klooster van Marienkrone te Stralsund.
Het klooster stond ook bekend onder de naam “Klooster Maria Troon”.
Aanvankelijk was dit klooster een zogenaamd “dubbelklooster”, met dus zowel mannen als vrouwen.
De
Sint-Rochuskapel (8)
was de kapel van de rederijkerskamer “De Distelieren” of “Rochussenaers”. Deze kapel werd in 1489 opgericht in de Sint-Rochusstraat.
Ondanks de strategische ligging, raakte Dendermonde in de 15e eeuw langzamerhand in economisch verval.
De
Sint-Rochuskapel (8)
werd herbouwd in 1555-1556. Het was een éénbeukige kapel met een dakruiter op het zadeldak. Een dwarsgebouw met puntgevel op de straatzijde, dat dienst deed als vergaderlokaal van de rederijkerskamer, was tegen de westgevel van de kapel aangebouwd.
De Spaanse inquisitie was ook in Dendermonde actief. Tijdens de Beeldenstorm van 1566 werd het interieur van de
Onze-Lieve-Vrouwekerk (3)
volledig vernield. Terwijl de stad in handen was van de beeldenstormers werd deze kerk zelfs als stal voor dieren gebruikt.
De Tachtigjarige Oorlog, ook wel de Nederlandse Opstand genoemd, was een conflict tussen de noordelijke Nederlanden en Spanje (dat duurde van 1568 tot 1648). De oorlog begon als een opstand tegen de Spaanse koning Filips II, die over de Nederlanden heerste. De oorlog leidde tot de vorming van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en een onafhankelijk Nederland.
De Tachtigjarige Oorlog deed het bevolkingsaantal in het Land van Dendermonde bijna halveren.
Na diverse andere epidemieën, brak in 1569 de pest uit, waardoor de verering van de Heilige Rochus ook in Dendermonde een heropleving kende.
In september 1572 werd Dendermonde veroverd door troepen van Willem van Oranje, maar een maand daarna ontvluchtten zij de stad en werd Dendermonde door de Spaanse troepen ingenomen en geplunderd.
Omstreeks 1573-1574 namen de ziekenzusters van het
Sint-Blasiusgasthuis (2)
de geloofsregel van Sint-Augustinus aan en in 1603 werd de gemeenschap tot klooster omgevormd en werden de eerste kloostergebouwen opgericht.
Na de Spaanse Furie in Antwerpen (november 1576) slaagde François van Ryhove erin om het Spaanse garnizoen in Dendermonde af te kopen en te doen vertrekken; als beloning werd hij hoogbaljuw van Dendermonde.
In de periode 1577-1578 werd omwille van de evoluties in de toenmalige artillerie (gebruik van buskruit) door het stadsbestuur beslist om de middeleeuwse stad te moderniseren tot een gebastioneerde versterking.
Er werden verschillende wallen en bastions aangelegd.
Op 4 augustus 1578 kwam de stad in handen van de Staten, op 12 maart 1579 vestigden radicale protestanten er de macht van de calvinistische Gentse Republiek, waarna de katholieke clerus uit de stad werd verbannen en alle geestelijke goederen werden geconfisqueerd.
Tussen 1578 en 1584 moesten de begijnen hun
Begijnhof (9)
verlaten. De kerk brandde uit en talrijke huizen werden vernield of verkocht aan particulieren.
De zusters van het
Birgittinessenklooster (12)
vluchtten in deze periode naar Aalst.
In augustus 1584 moest Dendermonde capituleren voor de Spaanse troepen van Alexander Farnese, hertog van Parma en Piacenza en bleef daarmee een overwegend katholieke stad. Vervolgens werd een nieuwe vesting gebouwd.
In 1584 kwamen de zusters van het
Birgittinessenklooster (12)
terug.
Ook de begijnen van het
Begijnhof (9)
konden in die periode terugkeren.
De geschiedenis van het
Kapucijnenklooster (7)
gaat terug tot het voormalige zogenaamde Prinsenhof waar, naar aangenomen wordt, ooit de verblijfplaats was van de heren van Dendermonde.
De zuidelijke vleugel van het Prinsenhof en de bijhorende gronden werden in het midden of derde kwart van de 16e eeuw gekocht door de benedictijnen van de Abdij van Affligem die er een grote refuge inrichtten. Tot in de eerste decennia van de 17e eeuw was deze door een voorplein met een ingangspoort afgesloten van de rest van de Vlasmarkt, de historische Koornaard.
De noordelijke vleugel van het voormalige Prinsenhof en de aanpalende gronden werden in 1596 aangekocht door de Spaanse plaatselijke bevelhebber de Idiaquez en aan de paters kapucijnen geschonken die zich enige tijd voordien in de stad hadden gevestigd in een voormalige brouwerij.
Na de schenking vingen de kapucijnen meteen aan met de bouw van een kloosterkerk die drie jaar later ingewijd werd.
De aartshertogen Albrecht en Isabella deden hun blijde intrede in Dendermonde op 27 januari 1600.
Omstreeks 1600 begon het herstel van het
Birgittinessenklooster (12)
.
In de loop van de 17e eeuw kende het
Begijnhof (9)
een bloeiperiode. De meeste huizen daarvan dateren uit de periode 1604-1660, deze aan de westzijde zijn opgericht tussen 1628 en 1638 of uit het begin van de 18e eeuw.
De
Molen (11)
werd herhaaldelijk herbouwd, onder meer in 1615.
De paters augustijnen kwamen zich in 1626 in Dendermonde vestigen en middelbaar onderwijs geven. Vanaf 1628 bewoonden ze het huis "Den Grooten Lombaert" op de hoek van de Dijkstraat en de Bogaerdstraat en bouwden er een klooster uit, het
Augustijnenklooster (6)
. Ze mochten de kapel van het gasthuis van Onze-Lieve-Vrouw-ter-Dijkpoort als kloosterkapel gebruiken.
Tussen 1626 en 1629 werden nieuwe kloostergebouwen en een nieuwe kerk van het
Kapucijnenklooster (7)
opgericht.
De prent van Sanderus van omstreeks 1640 geeft een mooi beeld van de stad in zijn 17e-eeuwse vorm.
Volgens deze prent had de
Sint-Egidiuskerk (10)
omstreeks 1640 een beuk met dwarskapellen, een vierkante kruisingstoren met een laag bijgebouwtje en een rechthoekig koor.
In 1643 bepaalde het contrareformatorische Concilie van Trente dat er geen nieuwe dubbelkloosters meer mochten worden opgestart of voortgezet. De mannelijke bewoners van het
Birgittinessenklooster (12)
moesten vertrekken en het klooster werd dus een vrouwenklooster.
Lodewijk XIV, koning van Frankrijk, belegerde de stad in 1667, maar ontsnapte nipt aan de dood en moest zijn leger terugtrekken toen Dendermonde de polders liet overstromen.
Rond 1667-1668 werden de kloostergebouwen van het
Augustijnenklooster (6)
vernieuwd.
In 1705 waaide de
Molen (11)
om, maar hij werd heropgebouwd.
Tijdens de Spaanse Successieoorlog werd, in 1706, de stad goeddeels verwoest en ook de vestingwerken liepen grote schade op. In 1708 werden nieuwe versterkingen gebouwd.
Op de Vredesconferentie in Utrecht (1712-1713) werd beslist dat de Spaanse Nederlanden voortaan door de Oostenrijkse Habsburgers zouden bestuurd worden. Er kwam echter een reeks garnizoenen met soldaten uit de Republiek (Verenigde Provinciën) in de Zuidelijke Nederlanden, wat door de Oostenrijkers als een vernedering ervaren werd.
Het tweede Barrièretraktaat van 1717 had als gevolg dat de Dendermondse kazernes bemand werden door Nederlanders en Oostenrijkers, die met de troepen in de andere barrièresteden een bescherming tegen een eventuele Franse agressie, moesten garanderen. Door de aanwezigheid van soldaten uit de Verenigde Provinciën had de stad opnieuw een protestantse gemeente.
Toch viel Frankrijk de Nederlanden opnieuw aan. De Franse koning Lodewijk XV zocht zoveel mogelijk gebieden te annexeren om Frankrijk sterker te maken.
Van 1745 tot 1749 werd Dendermonde bezet door het Franse leger.
Na 1750 kon de stad zich herstellen en nieuwe initiatieven nemen.
Het
Sint-Blasiusgasthuis (2)
werd in 1758 uitgebreid.
In 1768 werd begonnen de Dender tussen Aalst en Dendermonde te kanaliseren.
In 1779 werd de te klein geworden
Sint-Egidiuskerk (10)
vergroot door de benedenkerk af te breken en te vervangen door een driebeukige ruimte met aansluitend een driezijdig afgesloten koor dat niet meer in het verlengde van de toren en het oude koor lag.
Omstreeks 1780 werden de versterkingswallen verwijderd op bevel van Keizer Jozef II.
Economisch kende Dendermonde onder het Oostenrijks bestuur een nieuwe bloeiperiode die duurde tot 1794.
Het
Birgittinessenklooster (12)
werd in 1784 opgeheven op last van Keizer Jozef II. De Birgittinessen werden gedwongen het klooster te verlaten en het klooster werd gesloten.
Tot een heroprichting van het klooster is het hierna nooit meer gekomen.
In 1792 vond bij Dendermonde een gevecht plaats tussen Franse en Oostenrijkse troepen. Na de beslissende Franse overwinning in de Slag bij Fleurus (1794) op Oostenrijk werden de Oostenrijkse Nederlanden definitief door Frankrijk bezet.
In het Land van Dendermonde betekende dit verkrachtingen, opeisingen en afpersingen door de Franse soldaten.
Op het einde van de 18e eeuw liet Jozef II de versterking ontmantelen.
Na de Franse Revolutie kwam het
Sint-Blasiusgasthuis (2)
onder de bevoegdheid van het Bestuur der Burgerlijke Godshuizen, de voorlopers van de Commissie van Openbare Onderstand en het OCMW. Zij waren de eigenaars van de gebouwen maar besteedden de bediening uit aan de zusters Sint-Augustinus die het hospitaal daadwerkelijk leidden en er ook verbleven. De naam veranderde wel in Burgerlijk en later in Stedelijk Ziekenhuis.
Het
Begijnhof (9) werd
tijdens de Franse tijd officieel afgeschaft (1797).
Begin 1797 werden de paters van het
Augustijnenklooster (6)
door de Franse bezetter uit hun klooster gezet; een jaar later werden de gebouwen verkocht en gedeeltelijk afgebroken.
In 1797 werd ook het
Kapucijnenklooster (7)
afgeschaft. De kapucijnenorde werd opgeheven en de kapucijnen werden verdreven.
In 1800 werd ook het
Begijnhof (9)
toegewezen aan de Burgerlijke Godshuizen.
De havenbedrijvigheid en de talrijke religieuze gebouwen typeerden in het begin van de 19e eeuw het centrum binnen de stadspoorten en omwalling, waarvan vandaag nog resten overblijven.
In 1800, onder het bewind van eerste consul Napoleon Bonaparte, bekwam Dendermonde, ondanks het feit dat het een relatief kleine stad was, een rechtbank van eerste aanleg.
Dendermonds burgemeester Pierre-François verwierf de gebouwen van het
Augustijnenklooster (6)
in 1805. In de eerste helft van de 19e eeuw werden ze omgevormd tot een gesticht voor ouderlingen.
Het college van de augustijnen van het
Augustijnenklooster (6)
werd in 1813 vervangen door een lyceum; nadien kwam er een kosteloze gemeenteschool, waartoe een poort de enige toegang vormde (deze poort in laatbarokstijl werd vermoedelijk gebouwd tegen het einde van de 17e eeuw).
Na Napoleon's nederlagen in Duitsland (1813) en zijn eerste abdicatie (1814) verdween alles wat herinnerde aan de Franse keizer. Bij het begin van het Congres van Wenen werden de Oostenrijkse Nederlanden toegewezen aan Nederland.
Onder het bewind van de Nederlandse koning Willem I (1815-1830) werd de militaire verdedigingsgordel rond het stadscentrum omgevormd. Er kwamen vanaf 1816 nieuwe stadspoorten, bastions, bunkers en arsenalen in het kader van
de Wellingtonbarrière tegen de Fransen, die tot op vandaag nog grotendeels bewaard zijn.
In 1815, onder het Hollandse gezag, kreeg men toch weer de toestemming om de kloosterkerk van het
Kapucijnenklooster (7)
tot een openbare bidplaats in te richten.
Tussen 1822 en 1830 kwam er een omwalling met elf saillanten en bastions, waaronder Bastion V. Ook werden in plaats van de vier middeleeuwse stadspoorten nu een viertal identieke stadspoorten opgericht.
De
Gentse Poort
werd in 1822 herbouwd onder dit Hollandse bewind.
Tijdens het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden werd van 1827 tot 1830 een infanteriekazerne gebouwd.
Het
Kapucijnenklooster (7)
omvatte in 1827 drie vleugels rondom een vierkant kloosterhof waarvan de vierde vleugel of zuidvleugel gevormd werd door de oostelijk georiënteerde Sint-Franciscuskerk.
De Sint-Franciscuskerk betrof een eenbeukig gebouw met twee aangebouwde zijkapellen en een twee traveeën tellend smaller koor.
In 1828 vestigden de zwartzusters zich op de Vlasmarkt en kochten een gedeelte van de refuge van Affligem.
Tijdens de Belgische Revolutie kon, ondanks de aanwezigheid van Nederlandse troepen de overgang naar een onafhankelijk België zonder geweld verlopen.
Het
Sint-Blasiusgasthuis (2)
werd in 1827 nogmaals uitgebreid. Dit gasthuis groeide in de 19e eeuw uit tot een volwaardig ziekenhuis met een aparte zaal voor de verzorging van besmettelijke ziekten, zoals cholera en tyfus.
In 1837 kwam er een houten stationsgebouw (dat in 1849 door een gebouw in baksteen vervangen werd).
Na de Belgische onafhankelijkheid en de herwonnen vrijheid van vereniging slaagde een benedictijn van de Abdij van Affligem er in 1837 in het voormalige kapucijnenklooster te Dendermonde te verwerven van het armenbestuur. De afgeschafte orde werd hersteld als de Abdij van Affligem te Dendermonde.
In 1837 werd in de gebouwen van het
Kapucijnenklooster (7)
dus de Abdij van Affligem, ook bekend als de Sint-Pieter en Paulusabdij, heropgericht.
In 1850 verkreeg de Congregatie van de Maricolen de terreinen van het afgeschafte
Birgittinessenklooster (12)
en vestigden de zusters Maricolen zich in dit huis. Deze Congregatie werd in 1663 gesticht in Dendermonde en hield zich onder meer bezig met de inzet van religieuzen in de zorg voor krankzinnigen.
Ook na de onafhankelijkheid van België (in 1830) bleven de versterkingen in Dendermonde bewaard en tussen 1857 en 1879 vonden er zelfs nog uitbreidingen plaats. Zo ontstonden een kruitmagazijn, een patronenfabriek en een laboratorium.
De
Molen (11)
brandde af in 1858 en werd nadien volledig afgebroken.
In 1862 verdwenen in het
Vleeshuis (4)
de laatste 'vleesbanken' en werd het een overdekte groentemarkt.
De toren, het koor en de sacristie van de
Sint-Egidiuskerk (10)
werden in 1866 gerestaureerd.
Toen het liberale stadsbestuur in 1866 aanstalten maakte om het
Begijnhof (9)
te verkopen en er straten door te trekken, werd het goed in zijn geheel opgekocht door baron Frederik van der Brugghen-de Naeyer.
Vanaf 1875 huisde in het
Vleeshuis (4)
de Stedelijke Muziekschool.
In 1884 werd op een deel van het voormalige klooster- en collegedomein van het
Augustijnenklooster (6)
een academie voor schone kunsten opgericht met daarnaast een stadslagere jongens- en meisjesschool.
Van 1898 tot 1899 werd het
Vleeshuis (4)
grondig gerestaureerd. Na de werken kreeg de muziekschool een plaats op het gelijkvloers. De andere verdiepingen werden toegewezen aan het oudheidkundig museum dat enkele jaren eerder, in 1895, was opgericht.
Gedurende het laatste kwart van de 19e eeuw werd het voormalige
Kapucijnenklooster (7)
dat door de heropgerichte orde van de benedictijnen van Affligem in 1837 verworven was, verbouwd en vergroot rond een rechthoekige pandhof.
Ook de kerk van dit klooster werd vergroot en tot kruiskerk verbouwd.
In 1901-1902 werd de te klein geworden kerk van het voormalige
Kapucijnenklooster (7)
afgebroken en vervangen door de huidige neogotische abdijkerk gewijd aan Sint-Petrus en Sint-Paulus.
De neogotische Sint-Egidiuskerk in Sint-Gillis-Dendermonde werd tussen 1903 en 1907 gebouwd met een hoge monumentale toren.
Geleidelijk aan verloren de vestingwerken hun militaire nut en in 1906 werden de vestingwerken gedeclasseerd. De kazerne bleef wel in gebruik.
In 1907-1908 werden nog enkele aanpassingen aan de gebouwen van het
Sint-Blasiusgasthuis (2)
uitgevoerd. Er werd onder meer een nieuwe kapel opgericht.
In 1912-1913 werd de
Sint-Egidiuskerk (10)
gerestaureerd en voorzien van een monumentale voorgevel in neobarokstijl met behoud van het 18e-eeuwse portaal.
De muziekschool bleef in het
Vleeshuis (4)
gehuisvest tot 1914.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden in 1914 bijna alle huizen in het centrum verwoest. Het
Vleeshuis (4)
op de Grote Markt, een aantal hoekwoningen en arbeidershuisjes bleven gespaard.
Het
Stadhuis (5)
brandde af, maar de buitenmuren bleven gespaard. Ook het Belfort brandde af.
Het
Sint-Blasiusgasthuis (2)
werd in 1914 door brand vernield met uitzondering van de kelders aan de straatzijde en enkele kloostergebouwen.
Na de brand van 1914 werd de school van het
Augustijnenklooster (6)
grotendeels herbouwd.
In de Eerste Wereldoorlog werd ook het
Birgittinessenklooster (12)
zwaar beschadigd.
In 1914 werd de kerk van het
Begijnhof (9)
vernield.
Ook de
Sint-Rochuskapel (8)
werd
sterk beschadigd tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Na de oorlogsschade van de Eerste Wereldoorlog werd de
Gentse Poort (1)
afgebroken.
Ook de gebouwen van het voormalige
Kapucijnenklooster (7)
gingen bijna volledig in de vlammen op in 1914. Van de abdijkerk werden enkel de torenspitsen en het dak vernield. Het kerkgebouw bleef gevrijwaard dankzij het sterke gewelf dat stand gehouden had.
In 1919 werd al gestart met de herstellingswerken aan het
Kapucijnenklooster (7)
.
In 1919 werd op de plaats van het
Birgittinessenklooster (12)
een rustoord opgericht onder de naam “Huize Mariatroon”.
Het
Sint-Blasiusgasthuis (2)
beschikte vanaf 1924 ook over een kraaminrichting.
Vanaf 1924 werd de Sint-Pieter en Paulusabdij op de locatie van het voormalige
Kapucijnenklooster (7)
heropgebouwd (in verschillende stappen).
In 1926 werd op dezelfde plaats een nieuw
Sint-Blasiusgasthuis (2) gebouwd.
Een langsgevel parallel aan de Kerkstraat met ten westen een zuidgeoriënteerde kapel in art-decostijl werden nieuw gebouwd.
De heropbouw van het
Stadhuis (5)
in 1925 en 1926 maakte meteen ook komaf met gebrekkige restauraties uit het verleden.
In 1926 werd de traptoren van het
Vleeshuis (4)
afgebroken omdat hij barsten vertoonde en daarna heropgebouwd.
De familie van der Brugghen-de Naeyer schonk in 1926 de kerk, het plein en 42 woningen van het vroegere
Begijnhof (9)
aan de vzw Begijnhof van Dendermonde. De rest werd openbaar verkocht en met een bakstenen muur van de rest van het plein afgescheiden. Zij behoren nu tot de Brusselsestraat en de Begijnhoflaan.
In 1927 werd de kerk van het
Begijnhof (9)
vervangen door de huidige kerk.
In 1928 werd de
Sint-Rochuskapel (8)
volledig gerestaureerd.
In de jaren 1930 werd een deel van de vestinggracht gedempt en werden delen van de aarden omwalling opgeruimd.
In 1939 kreeg de abdijkerk op de locatie van het voormalige
Kapucijnenklooster (7)
de eretitel van basiliek.
Vanaf de jaren 1940 werden delen van de vroegere vesting ingericht als een stadspark.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef de stad redelijk gespaard van grote vernielingen.
In de tweede helft van de 20e eeuw werden belangrijke openbare werken uitgevoerd, zoals het dempen van de Oude Vest (een middeleeuwse gracht) en het aanleggen van de Noordlaan.
In 1960 werd de
Sint-Egidiuskerk (10)
gerestaureerd.
Vanaf 1970 kwamen er meer en meer appartementsgebouwen in de stad.
“Huize Mariatroon”, op de voormalige locatie van het
Birgittinessenklooster (12)
, ontwikkelde zich vanaf 1970 tot een ‘bejaardentehuis met standing voor welstellende ongehuwde dames’. Later werden ook zorgbehoevenden, echtparen en alleenstaande mannen of vrouwen toegelaten.
Tussen 1984 en 1988 werd de
Sint-Egidiuskerk (10)
opnieuw gerestaureerd.
Bij de reorganisatie van het
Sint-Blasiusgasthuis (2)
in 1996 werden deze gebouwen gerenoveerd en herbestemd. De langsgevel aan de straatzijde werd omgevormd tot administratief centrum waar alle OCMW-diensten in werden gecentraliseerd. De voormalige kapel werd omgevormd tot een polyvalente ruimte en zaal (Steenpoort) voor CC Belgica.
Achterliggende gebouwen, die dateren uit de 20ste eeuw, doen nog steeds dienst als rusthuis en verpleeginrichting voor dementerende bejaarden.
De Oude Vest werd tegen het einde van de 20e eeuw omgevormd tot een aangename, shopvriendelijke winkelstraat.
Vanaf 2000 droegen de Zusters Maricolen op de voormalige locatie van het
Birgittinessenklooster (12)
het beheer over aan de Broeders van Liefde, waarna de gebouwen werden geëxploiteerd als rust- en verzorgingstehuis.
De
Sint-Rochuskapel (8)
werd omstreeks 2000 afgebroken voor de huidige moderne nieuwbouw (Residentie Margriet).
De poort van het vroegere
Augustijnenklooster (6)
verdween (na 2009) om plaats te maken voor nieuwbouw.
Het abdijdomein op de locatie van het vroegere
Kapucijnenklooster (7)
omvatte tevens een abdijschool die thans nog door het provinciaal onderwijs gebruikt wordt.
De burgerlijke en religieuze gebouwen, vooral het
Stadhuis (5)
en de
Onze-Lieve-Vrouwekerk (3)
worden 's zomers druk bezocht in Dendermonde.
(Bronvermelding: deze tekst is gebaseerd op info van Onroerenderfgoed.be en Wikipedia)