De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




DEINZE - PANORAMA


(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)




Op deze prent van Sanderus is een panorama te zien van Deinze zoals deze stad er omstreeks 1640 uitzag.

Deinze is gelegen in de provincie Oost-Vlaanderen, langs de rivier de Leie.

Gevonden Gallo-Romeins materiaal uit de 1e tot de 3e eeuw kan mogelijk wijzen op een Romeinse nederzetting.

Op de plaats van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, gelegen aan de huidige Leiedam, stond omstreeks 840 reeds een eerste kerkgebouw.

De heilige Poppo, de abt van Stavelot, werd in 978 te Deinze geboren. Hij schonk later aan zijn geboortestad relieken, die hij van zijn bedevaarttochten van het Heilige Land meebracht. Deze relieken zitten thans ingemetseld in de muur van de Onze-Lieve-Vrouwekerk (1).

De oudste geschreven bron, een handschrift van de Vita Popponis uit het midden van de 11de eeuw vermeldde “Dunsa”.

Gevonden middeleeuws aardewerk laat een aanzienlijke bevolking en drukke handelsaktiviteiten aan de Leie vermoeden.

Vermoedelijk was een eerste nederzetting, gelegen op een kleine zandige verhevenheid bij de Leie, gegroeid uit een kern van hofsteden rondom een plein met ten noorden ervan gemeenschappelijke akkers op de kouterrug en omgevende
Leiemeersen. De Oostmeers, Westmeers en Koemeers deden dienst als gemeenschappelijke grasweiden en waren bereikbaar via 3 dreven die reeds enigszins de latere straten aangaven.

De ligging van deze nederzetting bij de Leie en het kruispunt van de heerbanen tussen Oudenaarde en-Brugge en tussen Gent en Kortrijk was zeer gunstig voor de verdere ontwikkeling van deze landelijke nederzetting tot een handelsstad.

Deinze had zeker reeds in de 13e eeuw het statuut van de stad met een eigen keure, privileges en omwallingsrecht.

Onder Johanna en Margaretha van Constantinopel (1211-1278) was er reeds sprake van versterkingen aan weerszijden van de Leie.

Onder graaf Gwijde van Dampiere (1278-1305) werd de stadsgracht of Kaandel gegraven met verschillende toegangsbruggen of poorten namelijk de Brugse Poort, Gentpoort en Oudenaardsepoort waardoor Deinze een gesloten stad werd.

Deinze bestond bestuurlijk uit twee delen: Deinze-Binnen (de stad binnen de vesten) en Deinze-Buiten, of het landelijk gebied errond.

Tijdens het “ancien régime” behoorde Deinze stad tot de heerlijkheid Deinze samen met de vrijheid Deinze, de vrijheid Petegem, een deel van Petegem-Buiten, Astene en Drongen. Het had een baljuw, eigen schepenbank en zeven schepenen en was tevens de hoofdplaats van de roede van Deinze, afhankelijk van de kasselrij Kortrijk. Deinze Buiten was bestuurlijk afhankelijk van het leenhof van Tielt, een andere roede van Kortrijk.

De eerst gekende heren van Deinze waren de graven van Aalst (in de 12e eeuw) die de heerlijkheid in leen hielden van de graven van Vlaanderen. Nadien behoorde de heerlijkheid achtereenvolgens toe aan de familie de Courtenay (1193), de graven van Luxemburg (1275), de graaf van Vlaanderen Robrecht van Bethune (1316), Robrecht van Kassel, de graven van Bar en Filips de Goede (1431). Onder Albrecht en Isabella werd het verpacht aan de dochters van Maarten della Faille (1602). In 1625 schonk Filips IV de heerlijkheid aan Diego Messia en verhief hij deze heerlijkheid tot een markizaat.

De familie de Merode kocht het markizaat in 1632 en zou het tot het einde van het “ancien régime” behouden. Op de plaats van het vroegere verblijf van de graven van Vlaanderen bij de Leiebrug, het zogenaamde "Prinsenhof" (circa 1300 tot het einde van de 15e eeuw) met een mote ter verdediging van de Leiebrug, bouwde de familie de Merode zijn residentie, het zogenaamde Markizaat van Deinze.

In de 12e eeuw werd het hospitaal op de Sint-Blasius-site (3) gesticht langs de huidige Kaaistraat in Deinze. In 1232 werd dit hospitaal voor het eerst vermeld als het “Onze-Lieve-Vrouwehospitaal”.

De Stadshal (2) van Deinze was gelegen op de Markt. Deze (eerste) hal werd gebouwd in de loop van de 13e eeuw.

Deze hal bestond waarschijnlijk uit hout.

In de 13e eeuw bestond er ook een begijnhof, ter ere van de heilige Margaretha van Antiochië. Dit moet in de nabijheid zijn geweest van de latere Sint-Blasius-site (3).

De huidige Onze-Lieve-Vrouwekerk (1) werd gebouwd na een brand, waarschijnlijk in 1327.

De Onze-Lieve-Vrouwekerk (1) werd ook na de stadsbranden van 1381 en 1382 heropgebouwd en waarschijnlijk ook vergroot.

In 1382 werd de Stadshal (2) verwoest door een brand.

In de 14de eeuw was Deinze een bloeiend economisch centrum geworden, door de bewerking van wol en vlas. Talrijke uitgeweken Gentse wevers vonden er werk wat de haat van de Gentenaars opwekte. Door haar strategische ligging en concurrentiële positie werd de stad dan ook herhaaldelijk aangevallen en door brand vernield in de 14e en 15e eeuw doch
kon zich steeds herstellen.

Tijdens de opstand van Kustvlaanderen was Deinze bondgenoot van Brugge. Daarom werd Deinze in 1327 bijna geheel verwoest door de Gentenaren. Tijdens de Gentse Opstand in 1380 tegen Lodewijk van Male koos de stad opnieuw partij voor Brugge. Deinze werd afwisselend belegerd door Gentse en Brugse troepen wat een tweede verwoesting tot gevolg had.

De Sint-Jorisgilde (4) in Deinze is een van de oudste schuttersgilden in de regio. De gilde is genoemd naar Sint-Joris, de patroonheilige van de boogschutters.

De oudste vermeldingen van de Sint-Jorisgilde in Deinze dateren reeds uit de 14e eeuw.

Het hospitaal op de Sint-Blasius-site (3) werd beheerd door zowel broeders als zusters, maar na omstreeks 1400 uitsluitend door de zusters augustinessen.

Nadat het begijnhof verwoest was richtte men in 1423 op dezelfde plaats van het begijnhof het zogenaamde Sint-Margrietenklooster op.

In 1423 werd een nieuwe Stadshal (2) opgetrokken, deze keer in een stenen versie. Het was tevens de plaats waar het schepencollege vergaderde.

De Sint-Sebastiaansgilde van Deinze is een handboogschutterij met een rijke geschiedenis die teruggaat tot het jaar van de oprichting, in 1428.

Door Phillippus van Bourgondië, toenmalig Graaf van Vlaanderen, werd aan de Sint-Sebastiaansgilde van Deinze een charter van vrij bestaan afgeleverd.

In het charter stond dat de Gildebroeders van Sint-Sebastiaan te Petegem reeds lange tijd de handboog hanteerde. Dit doet vermoeden dat de Gilde al een geruime tijd bestond, hoelang kan men moeilijk opmaken maar het is mogelijk dat de handboogschutters mee hebben gestreden in de Guldensporenslag van 1302. Aanvanklijk was deze gilde alleen actief in Petegem a/d Leie.

In 1452 werd de stad een derde maal verwoest door de Gentenaren. De Stadshal (2) werd zwaar beschadigd.

In 1455 werd het hospitaal op de Sint-Blasius-site (3) langs de Kaaistraat voor het eerst als Sint-Blasiushospitaal aangeduid.

Door de samenvoeging onder Karel de Stoute van Deinze stad en Petegem stad, respectievelijk links en rechts van de Leie gelegen, in 1469 werd de macht en handelspositie van Deinze aanzienlijk vergroot.

In 1485 werd de Stadshal (2) opnieuw zwaar beschadigd.

Ook tijdens de opstand tegen Maximiliaan van Oostenrijk werd er door de Franse troepen (1488) en de Gentse militie (1492) lelijk huisgehouden. Na al dat geweld brak er bovendien nog een pestepidemie uit.

In 1566 woedde ook in Deinze de Beeldenstorm.

Onder meer het hospitaal, dat toegewijd was aan Sint-Blasius op de Sint-Blasius-site (3) en bediend werd door de zusters augustinessen, werd verwoest. Daarna werd de stad bezet door een garnizoen van de Spaanse koning.

Het kerkelijk leven van Deinze werd vanaf 1570 gedirigeerd door het bisdom Gent (voorheen was dat het het bisdom Doornik).

In 1579 sloot Deinze aan bij de Unie van Utrecht, maar na een korte adempauze brak het geweld opnieuw los.

De Stadshal (2) werd in 1580 opnieuw zwaar beschadigd. Deze keer waren het de Franse hugenoten die de stad Deinze in brand staken, waarbij de Stadshal werd vernield.

In 1580 was Deinze totaal vernield en ontvolkt en waren de kloosterlingen moeten vluchten naar Ekkergem-Gent voor de Gentse opstandelingen.

De jaren daarop werd opnieuw een Stadshal (2) opgetrokken met een grootte van 23 op 8,5 meter en voorzien van een beiaard en een uurwerk.

In 1584 werd het hospitaal op de Sint-Blasius-site (3) opnieuw verwoest, maar enkele jaren later kwam het hospitaal weer tot bloei.

De 16e eeuw was echter ook de eeuw waarin de linnen- en tapijtindustrie in Deinze ontstond. Ook de lederbewerking was belangrijk.

Ondanks talrijke vernielingen in de 16e eeuw en 17e eeuw kon Deinze zich dus als ambachts- en handelscentrum handhaven.

Het oefenveld van de Sint-Jorisgilde (4), een voetbooggilde bevond zich omstreeks 1640 waarschijnlijk in de huidige Schutterijstraat.

Waarschijnlijk stond de merkwaardige constructie die zichtbaar is op deze prent van Sanderus op het oefenveld van de schuttersgilde en diende ze om er doelwitten aan te bevestigen.

De leden waren voetboogschutters en speelden een belangrijke rol bij de verdediging van de stad. De gilde was betrokken bij de organisatie van schietwedstrijden en andere festiviteiten. De gilde was ook een belangrijke sociale instelling, waar leden elkaar ontmoetten en deelnamen aan religieuze en culturele activiteiten.

In 1662 werd bij het hospitaal op de Sint-Blasius-site (3) begonnen met de bouw van een nieuwe kapel die in 1672 werd gewijd. De zusters verzorgden armen en zieken, en gaven ook onderwijs aan meisjes.

In de 18e eeuw bloeide de huisnijverheid van linnen en vlas en werden naast de talrijke brouwerijen jeneverstokerijen opgericht. Ook het ambacht van huidevetters en leerbewerkers was nog goed vertegenwoordigd. Het verbeteren van de grote steenwegen bevorderde handel en verkeer in aanzienlijke mate.

In 1792 brandde de Stadshal (2) opnieuw volledig af. Dit was meteen het definitieve einde. De Stadshal werd niet meer heropgebouwd.

Tijdens de Franse Revolutie werden de zusters augustinessen verdreven uit het hospitaal op de Sint-Blasius-site (3).

Het kloosterdomein van het vroegere Sint-Margrietenklooster nabij de Sint-Blasius-site (3) werd openbaar verkocht en nadien verkaveld in Ghesquierestraat, Kalkhofstraat en Leiedam met een nieuwe woonwijk in het oostelijk stadsgedeelte.

In de Franse tijd werd het hospitaal op de Sint-Blasius-site (3) in beslag genomen en van 1798-1799 werd de Sint-Blasiuskapel gebruikt als “Cercle Constitutionel” en als “Temple de la Loi”.

Tijdens de Franse periode werd de Sint-Jorisgilde (4), net als andere gilden, afgeschaft. Na de Franse Revolutie werd deze schuttersgilde echter opnieuw opgericht en hervatte zij haar activiteiten, zij het in een iets andere vorm.

De kloostergemeenschap van de zusters augustinessen in het hospitaal op de Sint-Blasius-site (3) werd in 1806 ontbonden.

In 1816 vestigden de zusters maricolen zich in de verlaten gebouwen van de verdreven augustinessen en verschaften er onderwijs. Ze stichtten er ook een nieuw klooster.

Tussen 1800 en 1843 deed het hospitaal op de Sint-Blasius-site (3) dienst als stadsgevangenis.

In 1843 kregen de zusters maricolen ook weer de beschikking over de kapel op de Sint-Blasius-site (3).

In 1843 kwam het huidige stadhuis in de plaats van de niet meer heropgebouwde Stadshal (2). Het werd opgetrokken
op een andere locatie op de Markt

In 1845 kwamen er nieuwe gebouwen op de Sint-Blasius-site (3) en werd het torentje van de kapel hersteld.

Een tweede nieuwe wijk ontstond rond de in 1839 aangelegde spoorlijn Gent-Kortrijk ten zuiden van de stad met de Stationsstraat en de Georges Martensstraat, doch voornamelijk bebouwd na 1860 na het slopen van de stadspoort en de afschaffing van het tolrecht.

Door het graven van het Schipdonkkanaal (in 1847-48) ten noorden van de stad ontstonden een nieuwe belangrijke verkeersader en industriegebied. De oude wijk Brugse poort werd hierdoor geïsoleerd en de noordelijke uitbouw van de stad beperkt.

Omstreeks 1848 werd de Sint-Jorisgilde (4), de gilde van de voetboogschutters, die van oorsprong reeds in Deinze aanwezig was, samengevoegd met de Sint-Sebastiaansgilde, die oorspronkelijk gevestigd was in Petegem.

De Sint-Sebastiaansgilde is vernoemd naar Sint-Sebastiaan, de patroonheilige die door pijlen werd doorzeefd en de marteldood stierf. De gilde beoefent handboogschieten, met name wipschieten, een traditionele discipline.

De zusters maricolen Gent-Deinze zijn een tak van de maricolen, ontstaan in Dendermonde op 24 juli 1663, de dag dat begijn Anna Puttemans zich terugtrok uit het begijnhof en ging samenwonen met vijf medezusters. Ze vormden een “gemeente” en leefden in armoede van hun handenarbeid. In 1671 trokken enkele zusters op vraag van de bisschop naar Gent en richtten een klooster op in de wijk Ekkergem. Onder het Oostenrijks bewind (1713-1795) wist de “gemeente” van de zusters maricolen zich met moeite te handhaven. Onder het Franse bewind werden de zusters in 1798 verdreven uit hun klooster in Ekkergem. Enkele zusters bleven samenwonen in Gent tot ze in 1805 door de Franse prefect van het Scheldedepartement gevraagd werden de zorg op te nemen van een weeshuis. Vanaf dan wijdden de zusters zich wijden aan de opvoeding van de jeugd.

Ze bestuurden het weeshuis met succes onder het Frans (tot 1815) en Nederlands bewind (1815-1830), tot zij in 1864 door het liberale Gentse stadsbestuur, dat geen religieuzen in de stedelijke instellingen duldde, werden afgedankt en uit het weeshuis verdreven.

Ze vestigden zich in 1864 in Deinze op de Sint-Blasius-site (3) aan de Kaaistraat. Ze vervoegden er dus hun medezusters maricolen die er al actief waren sinds 1816.

Van daaruit groeide de “gemeente” van de zusters maricolen uit tot een heuse kloosterorde die zich toelegde op de opvoeding van de jeugd en de zorg voor ouderen. Ze bouwden verschillende scholen en rustoorden in verschillende gemeenten.

De Onze-Lieve-Vrouwekerk (1) was voorheen omringd met een omhaagd, later ommuurd kerkhof. Het kerkhof werd afgeschaft onder Jozef II maar verdween pas volledig omstreeks 1865.

In 1909 werd de kapel op de Sint-Blasius-site (3) nog uitgebreid.

Zowel tijdens de Eerste Wereldoorlog als de Tweede Wereldoorlog had de stad veel te lijden.

Bij de wederopbouw na de Eerste Wereldoorlog kreeg de stad een ander uitzicht.

De meeste oude huizen op de Markt en aan de Knok en de laatste vestingen verdwenen en brede lanen werden aangelegd
met een nieuwe brug en moderne woningen.

In 1930 werden nieuwe schoolgebouwen opgetrokken op de Sint-Blasius-site (3).

De woonbouwpolitiek werd ook na de Tweede Wereldoorlog verdergezet onder meer met nieuwe verkavelingen ten noorden van de stad.

De funderingen van de vroegere Stadshal (2) zagen terug het daglicht bij renovatiewerken aan de Markt in 2009. Na een grondige studie door archeologen en bezoekmogelijkheden voor het publiek werden deze funderingen terug toegedekt.

Boven op de grondvesten werd een luifel geplaatst. Straatstenen duiden de exacte plaats aan.

In 2016 verliet de laatste zuster maricool het klooster op de Sint-Blasius-site (3) in Deinze.

Vandaag de dag is de Sint-Jorisgilde (4) nog steeds actief in Deinze en organiseert zij jaarlijks verschillende evenementen, zoals het Koningschieten. De gilde is een belangrijk onderdeel van het culturele erfgoed van Deinze en speelt nog steeds een rol in het sociale leven van de stad.

Thans vinden de activiteiten van de Sint-Jorisgilde (4) en de Sint-Sebastiaansgilde plaats op de terreinen achter de Sint-Martinuskerk in Petegem a/d Leie. In de loop der tijd evolueerden deze gilden van militair georiënteerde organisaties naar meer ontspanningsgerichte verenigingen.

Vandaag is Deinze voornamelijk een handels- en industriecentrum met daarnaast een belangrijk onderwijs- en verzorgingsfunctie voor de hele regio.

(Bronvermelding: deze tekst werd opgemaakt in 2025 en is gebaseerd op info van Onroerenderfgoed.be en Wikipedia)