De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)
MENU
Terug naar HOMEPAGINA
Terug naar INHOUDSOPGAVE
BRUSSEL - KLOOSTER VAN DE ONGESCHOEIDE KARMELIETESSEN
(Antonius Sanderus – Chorographia Sacra Brabantiae 1659 - Herwerkte editie 1726-1727)
Op deze prent van Sanderus is de herwerkte versie te zien van een prent van het Klooster van de Ongeschoeide Karmelietessen in Brussel.
Deze prent werd gepubliceerd in de heruitgave in 1726-1727 van de Chorographia Sacra Brabantiae van Sanderus (1659).
Dit klooster werd in 1607 werd gesticht onder de hoge bescherming van aartshertogen Albrecht en Isabella. De aartshertogin kwam dagelijks over de vloer bij de ascetisch-mystieke nonnen aan de achterzijde van het Koudenbergpaleis.
De kerk was voltooid in 1614. Deze kerk had de eerste zuiver Italiaanse kerkgevel in de Nederlanden.
Het klooster bevond zich tussen de Koudenbergsepoort en de Naamsepoort. Het werd slechts door de huidige Brederodestraat gescheiden van het Koudenbergklooster. Het terrein van het Klooster van de Ongeschoeide Karmelietessen besloeg het grootste deel van de driehoek tussen de huidige Brederodestraat, Boomkwekerijstraat en Naamsestraat. De hoofdingang van de kerk lag aan de Naamsestraat.
In Spanje had Theresa van Avila een spirituele hervorming van de karmelietessen bewerkstelligd. Een ontmoeting met Theresa had een diepe indruk nagelaten op aartshertogin Isabella, wie er veel aan gelegen was om deze beweging uit haar thuisland naar het noorden te halen. Daarvoor schakelde ze Ana de Jesús in. In 1607 werd de eerste vestiging van de karmelietessen in de Nederlanden in gebruik genomen, met Ana als priores. Met de vijf meegekomen zusters betrok ze een huis in de onmiddellijke nabijheid van het paleis.
De bouw van het klooster nam 4 jaar in beslag. Aanvankelijk waren er 9 zusters.
Priorin Ana, die dicht bij de aartshertogen stond, verzocht het Spaanse karmelietenhoofd om enige paters te sturen voor de spirituele leiding van haar gemeenschap. In augustus 1610 arriveerden 5 ongeschoeide karmelieten van de Italiaanse tak. De aartshertogen bouwden het karmelietessenklooster uit tot een centrum voor de verering van hun beschermheiligen, Albert van Leuven en Elisabeth van Hongarije. Vanuit Brussel werden in andere steden verschillende theresianenkloosters gesticht (onder meer in Antwerpen, Leuven, Bergen, Mechelen en Gent).
De kerk van het klooster werd in 1652 wegens constructiefouten herbouwd.
Tegen de kerk was het klooster aangebouwd en daarachter lagen twee tuinen: een kleine met een fontein en een grote met kluizen in een bosje.
Keizer Jozef II hief in 1783 de contemplatieve orde van de karmelietessen op. Louise de France, de jongste dochter van koning Lodewijk XV die zelf was ingetreden, bood alle theresianen uit de Oostenrijkse Nederlanden gastvrijheid in Frankrijk. Vanaf 14 juni 1783 verbleven de Brusselse karmelietessen gedurende meerdere jaren in de carmel van Saint-Denis.
De theresianen zijn er uiteindelijk in geslaagd zich in de hoofdstad te handhaven. In 1790 konden de karmelietessen terugkeren naar Brussel. Ze lieten een nieuw klooster optrekken en verbleven ondertussen in de abdij van Vorst. De herinplanting werd in de kiem gesmoord, want in 1796 werden ze terug verjaagd en hun nieuwe klooster als nationaal goed verkocht. Er werd hen toen onderdak geboden in de Hoogstraat.
Na de Belgische Revolutie maakten de karmelietessen gebruik van de grondwettelijke godsdienstvrijheid om een derde klooster te bouwen in de Zwaanstraat. Ze namen er in september 1834 bezit van en bleven tot ze onteigend werden voor de bouw van het Justitiepaleis. Een vierde verhuizing bracht hen naar de Sint-Bernardusstraat/Lausannestraat in Sint-Gillis, waar ze sinds 1892 gevestigd zijn.
Na 1789 werd het terrein aan de Naamsestraat verkaveld en werd de Theresianenstraat door het domein getrokken.
Er zijn ter plaatse geen zichtbare restanten van dit klooster meer aanwezig.
(Bronvermelding: Wikipedia)