De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)
MENU
Terug naar HOMEPAGINA
Terug naar INHOUDSOPGAVE
BRUSSEL - GROOT BEGIJNHOF
(Antonius Sanderus – Chorographia Sacra Brabantiae 1659 - Herwerkte editie 1726-1727)
Op deze prent van Sanderus is de herwerkte versie te zien van een prent van het “Magnum Begynasium Bruxellense” in Brussel.
Deze prent werd gepubliceerd in de heruitgave in 1726-1727 van de Chorographia Sacra Brabantiae van Sanderus (1659).
Het is een mooi vogelperspectief van het Groot Begijnhof van Brussel, met de Sint-Jan Baptist ten Begijnhofkerk.
De omliggende kanalen op de prent zijn inmiddels gedempt maar nog herkenbaar in het hedendaagse Brussels stadsplan met onder meer de kaaien aan de Vismet en de Koninklijke Vlaamse Schouwburg.
De Sint-Jan Baptist ten Begijnhofkerk is een barokke kerk in Brussel. Ze is het voornaamste overblijfsel van het Groot Begijnhof ter Wijngaard, waar ooit meer dan duizend vrouwen woonden. De kerk bevindt zich op het Begijnhofplein in Brussel.
Buiten de eerste stadsomwalling kwamen tegen het midden van de 13e eeuw begijnen bidden in een kapelletje Onze-Lieve-Vrouw ten Wijngaard. Het ging om een lekengemeenschap van ongehuwde vrouwen, die zich wijdden aan religieus leven en liefdadigheid. In 1246 zegende Bonifatius van Lausanne hun kerkhof in en in 1248 was er sprake van een ingerichte ziekenzaal.
Met toelating van hertog Jan I van Brabant en bisschop Nicolas III de Fontaines werd het begijnhof in 1250 geformaliseerd. Het ressorteerde onder de Sint-Jan-de-Doperkerk (Molenbeek). Het Sint-Goedelekapittel keurde in 1252 de vestiging aan de Lakenpoort goed.
De gemeenschap kende voorspoed en groeide gestaag aan. Naast hun huisjes legden ze velden en boomgaarden aan. Op het einde van de 13e eeuw vergde de uitbreiding van de communauteit de bouw van een grote gotische kerk op de plaats van het huidige gebouw. Ze werd gewijd aan Johannes de Doper.
De begijnhofstraat vormde vanaf het begin de hoofdas van dit groot driehoekig domein, waarvan de Lakensestraat de basis was. Het geheel, afgesloten door een ringmuur, bevatte buiten de kerk en de begijnhuisjes, een ziekenhuis (druk bezet tijdens hongersnood en epidemieën), een bakkerij, een blekerij, een windmolen voor de mensen in de stad en werkplaatsen voor wolverwerking.
De begijnen waren ingeschakeld in de stedelijke textielindustrie: aanvankelijk in de lakennijverheid en later bij het kloskant. Ook zieken- en bejaardenzorg bracht geld in het laatje. De leiding was in handen van een grootmeesteres, bijgestaan door mannelijke momboren. Op het hoogtepunt waren er zo'n 1200 begijnen in een duizendtal woningen op een zevental hectare. De aanleg van de Haven van Brussel in de 16e eeuw nam enig terrein in, maar respecteerde voorts het begijnhof.
Tijdens de Brusselse republiek plunderden en verwoestten calvinisten de kerk tot tweemaal toe. Na de restauratie van het Spaanse gezag stond de communauteit weer op. De heropbouw nam talrijke jaren in beslag en vooral de kerk raakte maar mondjesmaat hersteld.
Uiteindelijk werd beslist een nieuw kerkgebouw op te trekken, waarvan de eerste steen in 1657 werd ingemetseld.
Het bombardement op Brussel van 1695 zorgde voor schade. Bij de heropbouw verdween de omheiningsmuur en werd het begijnhof fysiek in de stad geïntegreerd. Het bleef bestaan als instelling tot Franse revolutionairen er eind 18e eeuw een einde aan maakten.
Door een elektrisch defect ging in 2000 de eikenhouten dakstructuur van het middenschip, het transept en het koor van de kerk in vlammen op. Er werd gekozen voor een identieke reconstructie, die in 2006-2008 werd uitgevoerd met de nog bruikbare dakbalken, aangevuld met eik uit de Loirestreek. De hout-op-houtverbindingen van het gereconstrueerde dakgebinte reflecteren de timmerkunst uit de baroktijd.
(Bronvermelding: Wikipedia)