De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




AALST  -  PANORAMA


(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)





Deze prent van Sanderus geeft ons een panoramisch zicht op de stad Aalst omstreeks 1640.

We hebben op deze prent (zie hieronder) 5 herkenbare kloosters van bedelordes aangeduid. Bedelordes of mendicanten zijn religieuze orden die afhankelijk zijn van het bedelen of van liefdadigheid voor hun levensonderhoud.

De beweging van de bedelordes vond in de 13e eeuw een vruchtbare voedingsbodem in de op korte tijd sterk gegroeide stedelijke populaties, waar religieus ongenoegen en zelfs antiklerikalisme welig tierden. Ook zo in de sterk geürbaniseerde Zuidelijke Nederlanden, waar de vele nieuwe orden die zich aan de zielzorg wijdden sterk floreerden. Tegen het einde van de 13e eeuw waren al 25 kloosters gesticht in acht steden van het graafschap Vlaanderen. Opvallend is wel dat deze stichtingen zich concentreerden in de grote steden zoals Brugge Gent en Ieper. Kleine steden zoals Aalst werden blijkbaar genegeerd.

In de 13e eeuw herbergde Aalst nog geen kloosters binnen haar muren. In die periode ontstonden wel het Onze-Lieve-Vrouwhospitaal (1241) en het Begijnhof (1265).

De verschillende bedelorden die zich in de 13e eeuw ontplooiden, zoals karmelieten, franciscanen, dominicanen en augustijnen, veroorzaakten een breuk in de traditionele principes van het kloosterleven. Ze kozen voor een leven in collectieve armoede en door te bedelen voorzagen ze in hun levensonderhoud.

In tegenstelling tot de oorspronkelijke ommuurde kloosters waar monniken in afzondering leefden opteerden de bedelmonniken voor een leven onder de mensen om er op actieve wijze aan pastoraal missiewerk te doen. Het prediken en het spiritueel en zelfs manueel bijstaan van de mensen was een van hun doelstellingen. Daarom kozen ze al vrij snel voor vestigingen in de stad, wat bij sommige orden tot conflict leidde met hun in oorsprong heremitische levenswijze. De hoofdredenen waren de geconcentreerde stedelijke bevolking die voortdurend nood had aan geestelijke bijstand, de aanwezigheid in de stad van alle levensnoodzakelijke dingen en de veiligheid binnen de stadsmuren van de broeders, hun kerksieraden en hun boeken.

De eerste kloostergemeenschappen binnen de Aalsterse stadsmuren verschenen pas in de loop van de 15e eeuw.

Het oudste klooster te Aalst was een klein benedictijnenconvent dat extra muros ontstaan was rond de 8e-eeuwse Sint-Ursmaruskapel, een stichting van de abdij van Lobbes, die door de Noormannen zou zijn verwoest. In de volgende eeuwen was dit onbeschermde klooster op de rand van de stad meermaals het slachtoffer van vernielingen, die in de 13e eeuw tot zijn definitieve ondergang leidden. In 1268 werd het door gravin Margaretha van Constantinopel afgestaan voor een nieuwe stichting van de Wilhelmieten, een jonge orde die zich sterk naar cisterciënzermodel structureerde.
Na nieuwe plunderingen in de late middeleeuwen werd het klooster in 1428 overgebracht binnen de bescherming van de Aalsterse stadsmuren.

In de eerste helft van de 15e eeuw (vóór 1456) verscheen met de Grauwe Zusters ook het eerste vrouwenklooster in de stad.

In 1474 werd dit gevolgd door het convent van de Zwarte Zusters aan de Kapellepoort.

De verplaatsing in 1497 van het karmelietenklooster (Vrouwenbroeders) van Liedekerke naar de Veemarkt te Aalst vormde de vierde kloosterstichting intra muros binnen een eeuw.

In 1614 kwamen de Kapucijnen naar Aalst. Vanaf 1616 werden de kloostergebouwen opgericht aan de Graanmarkt en in 1623 werd de kerk ingewijd. In 1797 werd het klooster opgeheven en de gebouwen werden in beslag genomen. Een deel van de gebouwen werd gebruikt als militaire gevangenis. In 1859 werd er een U-vormig deel bijgebouwd voor de (eveneens militaire) pupillenschool. De gebouwen kregen een bijpassend karakter, dat blijkt onder meer uit de 19e-eeuwse inrijpoort op Graanmarkt 3.
Nadat de militaire functie was verdwenen, vestigden zich gemeentelijke diensten in het complex. Enkele gebouwen hebben nog een 17e-eeuwse kern of een 17e-eeuws gedeelte.

In 1908 vestigden zich opnieuw Kapucijnen in Aalst. De kloostergebouwen voor de nieuwe vestiging werden opgericht in 1910. Het nieuwe klooster bevond zich nu aan de Capucienenlaan.

Van 1932 tot 1966 werd de Sint-Laurentiusschool (gymnasium) in het klooster opgenomen en vanaf 1968 was er een afdeling van het Sint-Jozefscollege. Op het hoogtepunt werkten er een 30-tal paters als docent op het college. In 1968 werd de Sint-Antonius van Paduaparochie opgericht, waarbij de kloosterkerk als parochiekerk ging fungeren: de Sint-Antonius van Paduakerk. Eén der paters werd er pastoor.

In de daaropvolgende jaren volgde een gebrek aan roepingen waardoor het veel te grote klooster in verval dreigde te raken en ook de kloostertuin verwilderde. Uiteindelijk waren er, in 2008, nog vier paters over en deze namen toen afscheid van de parochie. De kloostergebouwen kregen, afgezien van het nog steeds aanwezige Sint-Jozefscollege, een nieuwe bestemming, met name vestigden zich er bedrijven. Het naastgelegen Patersbos werd een openbaar park. Het zich daarin bevindende Mariabeeld kreeg een plaatsje bij de ingang van de kerk.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be; Wikipedia)