Menen
Zicht op Menen vanuit het oosten (1813)
MENU
Terug naar HOMEPAGINA
Terug naar INHOUDSOPGAVE
Op deze prent van Séraphin Vermote van 1813 is een deel van de stad Menen (in West-Vlaanderen) te zien, vanuit het oosten. Op de achtergrond is de Sint-Vedastuskerk duidelijk te zien.
In Menen was er reeds in het derde kwart van de eerste eeuw na Christus een kleine Gallo-Romeinse nederzetting langs de huidige Moorselestraat.
Menen is ontstaan op een doorwaadbare plaats aan de Leie en werd voor het eerst vermeld in een Latijnse keure uit 1087.
In 1087 werd de Sint-Vedastuskerk "altare de menin" genoemd.
De stad Menen groeide uit tot een heerlijkheid en werd tot 1288 bestuurd door de familie van Menen. De heerlijkheid van Menen gaat terug op een nederzetting aan de kruising van de Leie met de heirbaan die onder meer Torhout en Rijsel met elkaar verbond. De kern van de eerste nederzetting lag ongeveer ter hoogte van het huidige kruispunt van de Oude Leielaan met de Waalvest en de Rijselstraat.
Binnen dit gebied, bekend als "Bruel", stond vermoedelijk de herenburcht van de heren van Menen, het "Saelhof", een op een mote gelegen goed, omgeven door een watergracht. In de onmiddellijke omgeving hiervan lag de Sint-Vedastuskerk, de oudste parochiekerk van de stad.
Ridder en heer Jan van Menen haalde zijn inkomsten voornamelijk uit tolheffingen op het goederenverkeer. In 1288 ontnam de graaf van Vlaanderen, Gwijde van Dampierre, hem al zijn rechten op de heerlijkheid Menen. Dit gebeurde vermoedelijk omwille van grafelijke schulden. Hierdoor werd de graaf van Vlaanderen heer van Menen. Het beheer van de heerlijkheid werd toevertrouwd aan een baljuw en de herenburcht werd een grafelijke eigendom. Vanaf 1298 viel Vlaanderen onder het bewind van de Franse koning, deze wees de heerlijkheid van Menen in naam van Filips de Schone in leen toe aan ridder Willem van Mossere. In 1305 kwam de heerlijkheid weer in grafelijke handen terecht.
De economische bloei van de stad nam een aanvang in 1351, na het toekennen van de stadsrechten door Lodewijk van Male, heer van Menen. De heerlijkheid ontwikkelde zich binnen afzienbare tijd tot een gereputeerde lakenstad, waarin ook de brouwerijnijverheid aan belang won.
De eerste Sint-Vedastuskerk werd afgebroken in 1383 en vervangen door een nieuwe gotische kerk. Tussen 1454 en 1463 werd de kerk verbouwd en uitgebreid met een nieuwe zijbeuk; de oude toren werd afgebroken en herbouwd.
Sinds het begin van de 15e eeuw kende de lakennijverheid een zware terugval.
In de loop van de 15e eeuw werd de mote van de herenburcht afgegraven, de grachten werden gedempt en het terrein werd bebouwd. De stad breidde geleidelijk aan uit.
In 1488 werd de stad geplunderd door de troepen van Frederik III, omdat de stad in opstand was gekomen tegen het gezag van Maximiliaan van Oostenrijk. De stad had vaak te lijden onder militaire acties, dit door haar ligging op de grens tussen de kasselrijen van Kortrijk en Rijsel, door haar economisch belang en door de strategische waarde van de brug tussen Menen en Halewijn.
In 1548 werd Menen geteisterd door een grote stadsbrand. Na 1560 onderging het stadsbeeld verschillende wijzigingen. Een aantal nieuwe openbare gebouwen waaronder het stadhuis, de lakenhal en het vleeshuis werden opengetrokken. In 1574 werd het belfort gebouwd. Door de godsdienstoorlogen moest de bouw ervan worden stilgelegd in 1575. Tijdens de beeldenstorm (1566) werd het interieur van de Sint-Vedastuskerk geplunderd. Na de stadsbrand werd het marktplein vergroot.
In 1576 kwamen de 17 Provincieën in opstand tegen de Spaanse bezetting. De stad werd ingenomen door de Malcontenten. Menen bleef in hun handen tot 1579, wanneer de stad vanuit Kortrijk door Schotse troepen werd heroverd en opnieuw bij de Staten-Generaal werd gevoegd. In 1582 werd Menen bevrijd door Spaanse troepen onder leiding van Alexander Farnese.
Tijdens de eerste helft van de 17e eeuw bleef Menen gespaard van oorlogen en plunderingen. De bouw van het belfort wordt opnieuw aangevat in 1602 en voltooid in 1610.
In 1635 verklaarde Frankrijk de oorlog aan Spanje. De oorlog, die tot 1678 zou duren, werd vanaf 1644 ook in Vlaanderen uitgevochten. Menen, tot dan nog steeds in Spaanse handen, werd in 1645 ingenomen door het Franse leger. In 1658 werd de stad opnieuw bij de Spaanse Nederlanden gevoegd. In de overtuiging van een definitieve vrede werden de wallen en bastions afgebroken, de grachten werden verder gedempt en enkel de stadspoorten bleven overeind. Door het verdrag van Nijmegen (1678) werd Menen van de kasselrij van Kortrijk losgemaakt en werd het opnieuw Frans grondgebied.
Tussen 1679 en 1689 de werden de vestigingsmuren aangepast.
In het begin van de 18e eeuw zorgt de Spaanse successieoorlog (1702-1723) ervoor dat Menen nogmaals werd belegerd.
De geallieerde troepen onder leiding van de hertog van Marlborough belegerden vanaf 1706 Menen. De schade was zeer groot. Zo lag onder meer de Sint-Vedastuskerk in puin. Met de vrede van Utrecht in 1713 werd Menen toegevoegd aan het Oostenrijks grondgebied.
Met de Oostenrijkse successieoorlog (1740-1748) verklaarde Frankrijk de oorlog aan Oostenrijk. In 1744 werd gestart met een systematisch bombardement van de stad Menen, waarna het Hollands garnizoen zich overgaf. Na het beleg werden de kazematten opgeblazen en de meeste militaire gebouwen afgebroken. Menen werd weer een open stad. Door het verdrag van Aken (1748) werden de Zuidelijke Nederlanden opnieuw onder Oostenrijks bewind geplaatst. Economisch kende Menen een korte bloeiperiode na 1748.
Tussen 1792 en 1794 verwisselde Menen opnieuw verschillende malen van bezetter. In 1792 werd het veroverd door Franse troepen. In datzelfde jaar werden de Fransen opnieuw verdreven door de Oostenrijkse troepen. In 1793 werd Menen afwisselend bezet door Fransen, Oostenrijkers, Hollanders, nogmaals Fransen en opnieuw Oostenrijkers.
Menen werd in 1794 opnieuw zwaar geteisterd door een Frans bombardement vanuit Halewijn en werd de stad na het oorlogsgeweld opnieuw Frans bezit. De Sint-Vedastuskerk werd opnieuw zwaar beschadigd. De vestingen werden grotendeels platgebombardeerd.
Alle kerkelijke eigendommen werden in 1794 verbeurd verklaard en verkocht. De Sint-Vedastuskerk werd gesloten.
Menen bleef Frans grondgebied tot in 1814, wanneer het Franse bewind werd verdreven en de Hollandse periode aanbrak.
Door zijn rol als bufferstad tegen Frankrijk werd Menen opnieuw voorzien van vestingen.
De Hollandse periode werd gekenmerkt door een actieve heropbouw. De Sint-Vedastuskerk was reeds door het oorlogsgeweld zwaar beschadigd en werd in 1801 grotendeels vernield door een storm.
Vanaf 1807 werd gestart met het slopen en heropbouwen van de kerkruïne.
In 1809 vielen de werken stil wegens geldgebrek. In 1819 startten de werken opnieuw op. In 1825 werd de nieuwe spits op de westtoren geplaatst.
De geringe industriële bedrijvigheid in Menen bestond in de 19e eeuw voornamelijk uit vlas, katoen, kant en tabak.
In 1914 werd Menen bezet door de Duitse troepen. Menen had ook enorm te lijden onder het oorlogsgeweld van de Tweede Wereldoorlog.
Na deze oorlog kwamen er betere en snellere verbindingen tussen de verschillende steden en nam de mechanisatie in de landbouw toe. Reeds in 1947 bereikte de bloei van de stad een hoogtepunt.
De Sint-Vedastuskerk werd in 1998-1999 gerestaureerd.
(Bronvermelding: gebaseerd op relevante teksten van Onroerenderfgoed.be)