Kortrijk
 
Meensepoort (1813)





Op deze tekening van Séraphin Vermote is de Meensepoort of Bissegempoort in Kortrijk te zien in 1813.

Het was één van de stadspoorten die toegang gaven tot de stad.

Op de achtergrond zijn de toren van de Sint-Maartenskerk, de Halletoren en de 2 torens van de Sint-Michielskerk te zien.

In de Romeinse periode, reeds voor het midden van de 1e eeuw na Christus ontwikkelde zich op beide oevers van de Leie de vicus Kortrijk of “Cortoriacum”.

Het Romeinse Kortrijk ontwikkelde zich tot een vroegmiddeleeuwse bewoningskern. Rond het jaar 880 sloegen Noormannen hun winterkwartier op in Kortrijk, dat toen allicht al een vrij uitgebouwd centrum was. 

Rond het jaar 1000 werd het graafschap Vlaanderen door Boudewijn IV verdeeld in kasselrijen. Dit waren militaire, bestuurlijke, gerechtelijke en later ook fiscale districten met een burcht als centrum.

Vanaf 1071 werd Kortrijk een onafhankelijke kasselrij. Het “Oppidum Cortracense” was het geheel van het versterkte kasteel en de agglomeratie buiten de kasteelmuren.  Het oppidum strekte zich uit rond de Leie en twee Romeinse heirwegen die in Kortrijk samenkwamen. Het grafelijk domein bestond onder meer uit de eigenlijke burcht (ter hoogte van de huidige Onze-Lieve-Vrouwestraat en Groeningestraat), een neerhof, een boomgaard, magazijnen en een linde waar de vierschaar rechtsprak.

Op het einde van de 12e of in het begin van de 13e eeuw werd op Overleie, buiten de Leiepoort, het Onze-Lieve-Vrouwehospitaal gebouwd.

In de 13e eeuw kreeg de stad een eerste omwalling. Aanvankelijk kon men de volledig ommuurde stad slechts binnen door 3 poortgebouwen met torens en bruggen: de Rijselpoort, de Steenpoort en de Doorniksepoort. Later kwamen daar 4 poorten bij: de Oude Leiepoort, de Sint-Janspoort, de Waterpoort en de Kanunnikenpoort of Gruzenbergpoort.

In 1300-1301 liet de Franse koning Filips de Schone een imposante dwangburcht bouwen in Kortrijk. Die burcht lag in het noordoosten van het huidige stadscentrum en werd omgeven door de huidige Leie-, Handboog- en Guido Gezellestraat en het Deken Zegerplein. Omstreeks 1300 had Kortrijk zich ontwikkeld als een omwalde vesting ten zuiden van de huidige oude Leiearm.

Na een grote brand in 1382 kreeg de stad bij de wederopbouw ook een uitbreiding en een nieuwe stadswal, waardoor ook het Buda-eiland in de stad werd opgenomen.

Buda - voorheen Pamele - kwam op de noordelijke Leie-oever tot stand door het graven van de Nieuwe Leie (1340-1399-1454), de aanleg van een aarden wal en de bouw van een nieuwe Leiepoort (1400-1402).

Hierop aansluitend werd ook Overleie bij de stad gevoegd. Deze beweging werd al in 1386 ingezet (aanleg van de omgrachting, de ‘uterste veste’) en werd in 1413 afgerond. Er werden daarbij ook nieuwe stadspoorten gebouwd, namelijk de Brugse Poort en de Meensepoort (of Bissegempoort).

In de tweede helft van de 15e eeuw werd de toenmalige versterking voorzien van 6 bolwerken vóór de stadspoorten.

Tijdens het bewind van Filips de Goede werd de stadsomwalling tussen 1450 en 1455 nog eens uitgebreid, dit keer met de wijk Overbeke. Ook de haven werd in deze periode aangelegd.

In 1572 gaf de Spaanse koning Filips II de toestemming om beide wijken volledig binnen de stad te brengen en een nieuwe vesting aan te leggen.

Overleie werd uitgebouwd tot een moderne, gebastioneerde vesting tussen 1577 en 1644. Op de noordwestelijke hoek kwamen een zesde bastion en een (blijkbaar vernieuwde) Meensepoort (Bissegemsepoort) tot stand.

Naar aanleiding van de Beeldenstorm en de opstand van de Nederlanden tegen Spanje, werd uit veiligheidsoverwegingen beslist om de zwakkere wijken Overleie en Overbeke beter te beschermen.

Een eenvoudig verdedigingssysteem omsloot de wijken Overbeke en Overleie. De vesting evolueerde tot een zwaar versterkte stad met een modern versterkingssysteem.

De wijk Overleie lag zo eeuwenlang ingekapseld tussen de Leie en de stadsvesten. Het gebied ten noorden van de Kleine Leie was enkel toegankelijk via de Meensepoort en de Brugse Poort. Je kon oversteken naar het Buda- eiland via de Leiepoort.

Tijdens het bewind van Louis XIV kreeg Kortrijk halverwege de 17e eeuw een meer militair strategisch belang: de omwallingen werden versterkt en nieuwe vestingen werden gepland. Om de stad beter te kunnen verdedigen, begonnen de Fransen met de bouw van een indrukwekkende citadel.

Met de Vrede van Nijmegen (1678) werden het (nieuwe) kasteel, de citadel en zowat alle muren en torens afgebroken. De citadel van Kortrijk, die deel uitmaakte van de middeleeuwse vestingen in Kortrijk, werd op bevel van Vauban afgebroken in 1683, een periode waarin de Franse en de Spaanse legers elkaar herhaaldelijk bevochten om de macht over de regio.

De overblijvende delen van de vestingen werden grotendeels afgebroken of verwoest in de 18de eeuw en gedurende de beide wereldoorlogen.

Alleen de poorten en de Broeltorens bleven gespaard. Een aantal grachten werd ook gedempt.

Na deze woelige eeuwen volgde vanaf de 18e eeuw een periode van vrede en welvaart. Er kwam een betere wegeninfrastructuur en de kaaien langs de Leie werden uitgebouwd ten behoeve van het handelsverkeer. 

In 1813 moet de Meensepoort nog hebben bestaan, zoals Séraphin Vermote ze heeft getekend.

In 1827 werd de oude Meensepoort in Kortrijk afgebroken en vervangen door een majestueuze sierpoort, die pas was voltooid in 1831.

De nieuwe stadspoort werd “Willempoort” genoemd, als eerbetoon aan de Hollandse vorst koning Willem I.

Na 1830 werd er opnieuw over de Meensepoort gesproken, tot op vandaag een bekend kruispunt in de stad.

Na de afschaffing van het oktrooirecht werden tussen 1860 en 1874 de stadspoorten afgebroken en maakten de stadsgrachten plaats voor nieuwe, brede lanen.

Aan het einde van de 20e eeuw kende de stad een sterke heropleving doordat talrijke ingrijpende stadsvernieuwingsprojecten het licht zagen.

(Bronvermelding: Voor de tekst over de binnenstad van Kortrijk hebben we ons gebaseerd op historisch onderzoek uitgevoerd door het Vlaams Agentschap Onroerend Erfgoed en Leiedal)