Kortrijk
Doorniksepoort (1813)
MENU
Terug naar HOMEPAGINA
Terug naar INHOUDSOPGAVE
Op de tekening van Séraphin Vermote van 1813 is de Doorniksepoort te zien in Kortrijk (West-Vlaanderen), met de brug over de stadsgracht, gezien vanuit het zuidoosten.
Deze poort bevond zich ongeveer ter hoogte van de huidige spoorwegtunnel tussen de Doorniksestraat en de Doorniksewijk.
De poort situeerde zich op het moment van de tekening in de nabijheid van het paviljoen van de Sint-Jorisgilde, dat zich buiten de vesting van de stad bevond. Begin 1810, gedurende de Franse bezetting, werd een schietstand opgericht op het Plein. Het gemeentebestuur verbood deze schietstand omdat hij een gevaar betekende voor de plaatselijke bevolking.
Toen kochten de schutters van Sint-Joris een stuk grond net buiten de stad, aan de Doorniksepoort, om er een schietstand op te richten. En ze bouwden er een paviljoen, het huidig clubhuis.
Séraphin Vermote heeft ook 2 tekeningen gemaakt van dit paviljoen.
In de Romeinse periode, reeds voor het midden van de 1e eeuw na Christus ontwikkelde zich op beide oevers van de Leie de vicus Kortrijk of “Cortoriacum”. De vicus ontstond op de plaats waar de Leie een bocht maakte met een oversteekmogelijkheid en waar twee heirbanen elkaar kruisen. Deze Romeinse vicus vormt zo de alleroudste kern van de stad Kortrijk.
Het Romeinse Kortrijk ontwikkelde zich tot een vroegmiddeleeuwse bewoningskern. Rond het jaar 880 sloegen Noormannen hun winterkwartier op in Kortrijk, dat toen allicht al een vrij uitgebouwd centrum was. Ze bouwden de plaats uit tot een halfcirkelvormig kamp op de zuidelijke oever van de Leie.
Rond het jaar 1000 werd het graafschap Vlaanderen door Boudewijn IV verdeeld in kasselrijen. Dit waren militaire, bestuurlijke, gerechtelijke en later ook fiscale districten met een burcht als centrum.
Vanaf 1071 werd Kortrijk een onafhankelijke kasselrij. Het “Oppidum Cortracense” was het geheel van het versterkte kasteel en de agglomeratie buiten de kasteelmuren. Het oppidum strekte zich uit rond de Leie en twee Romeinse heirwegen die in Kortrijk samenkwamen.
Het grafelijk domein bestond onder meer uit de eigenlijke burcht, een neerhof, een boomgaard, magazijnen en een linde waar de vierschaar rechtsprak. Vermoedelijk was het domein geheel of gedeeltelijk omheind en was de zuidelijke Broeltoren een hoektoren van de verdedigingsmuur.
In de 13e eeuw kreeg de stad een eerste omwalling. Aanvankelijk kon men de volledig ommuurde stad slechts binnen door 3 poortgebouwen met torens en bruggen: de Rijselsepoort, de Steenpoort en de Doorniksepoort. Later kwamen daar 4 poorten bij: de Oude Leiepoort, de Sint-Janspoort, de Waterpoort en de Kanunnikenpoort of Gruzenbergpoort.
In 1300-1301 liet de Franse koning Filips de Schone een imposante dwangburcht bouwen in Kortrijk. Omstreeks 1300 had Kortrijk zich ontwikkeld als een omwalde vesting ten zuiden van de huidige oude Leiearm. Er waren dan al belangrijke historische gebouwen en structuren (straten/pleinen) aanwezig.
Tussen 1354 en 1454 werd een bakstenen ringmuur gebouwd, voorzien van verschillende torens en poorten. Om de gracht watervoerend te houden waren daarnaast allerlei waterbouwkundige ingrepen nodig.
Na een grote brand in 1382 kreeg de stad bij de wederopbouw ook een uitbreiding en een nieuwe stadswal, waardoor ook het Buda-eiland in de stad werd opgenomen.
In de oosthoek met de Leie werd het Bourgondisch stadskasteel (met neerhof) geïncorporeerd.
Op het einde van de 14de eeuw werden er nog bijkomende stadspoorten aangelegd.
De Bourgondische versterking omsloot in eerste instantie het oude stadsgedeelte op de zuidelijke oever en Buda op de andere oever.
Buda - voorheen Pamele - kwam op de noordelijke Leie-oever tot stand door het graven van de Nieuwe Leie (1340-1399-1454), de aanleg van een aarden wal en de bouw van een nieuwe Leiepoort (1400-1402).
De twee-eenheid van de Broeltorens kwam tot stand, toen bij de zuidelijke Broeltoren (laatste kwart 14e eeuw) op de andere Leieoever de noordelijke Broeltoren (1411-1413) en bijhorende brug tot stand kwam.
Hierop aansluitend werd ook Overleie bij de stad gevoegd. Deze beweging werd al in 1386 ingezet (aanleg van de omgrachting, de ‘uterste veste’) en werd in 1413 afgerond. Er werden daarbij ook nieuwe stadspoorten gebouwd, namelijk de Brugse Poort en de Oude Meensepoort (of Bissegemse Poort).
In de tweede helft van de 15de eeuw werd de toenmalige versterking voorzien van 6 bolwerken vóór de stadspoorten.
Op de noordwestelijke hoek kwamen een zesde bastion en een (nieuwe) Meensepoort tot stand.
Naar aanleiding van de Beeldenstorm en de opstand van de Nederlanden tegen Spanje, werd uit veiligheidsoverwegingen beslist om de zwakkere wijken Overleie en Overbeke beter te beschermen.
In 1572 gaf de Spaanse koning Filips II de toestemming om beide wijken volledig binnen de stad te brengen en een nieuwe vesting aan te leggen. Door de economische welvaart ten gevolge van de bloeiende linnenindustrie werd er in de eerste helft van de 16e eeuw flink gebouwd. Ook werd op de Grote Markt het nog altijd bestaande Kasselrijhuis opgericht.
Tijdens het bewind van Louis XIV kreeg Kortrijk halverwege de 17e eeuw een meer militair strategisch belang: de omwallingen werden versterkt en nieuwe vestingen werden gepland.
In het kader van de Frans-Spaanse Oorlog (1635-1659) eiste de Franse koning Vlaanderen op. Hij viel het graafschap binnen maar botste op hevig verzet van de Spaanse troepen. Langs de hele grens werd gevochten en op 13 juni 1646 begon de belegering van Kortrijk. Spaanse troepen zaten verschanst achter de stadsmuren terwijl twee grote Franse legers de stad omsingelden. Er waren vele gevechten en beide machten waren aan elkaar gewaagd. Uiteindelijk capituleerde het Spaanse garnizoen op 28 juni in een verdrag dat mee werd ondertekend door Frankrijk.
Op een prent in de Flandria Illustrata van Sanderus (1641) is de Doorniksepoort op de plattegrond van Kortrijk weergegeven.
Terwijl elders de gevechten tussen de twee grootmachten doorgingen, kwam er in 1647 nood aan huisvesting voor de Franse soldaten en paarden in Kortrijk. Daarvoor bouwde men op de plaats van de Gentse Poort een vijf ha grote citadel.
Ook bouwde men er drie hoornwerken bij. Samen had dit bouwwerk een oppervlakte van 21,2 ha.
Met de Vrede van Nijmegen (1678) werden het (nieuwe) kasteel, de citadel en zowat alle muren en torens afgebroken. De citadel van Kortrijk, die deel uitmaakte van de middeleeuwse vestingen in Kortrijk, werd op bevel van Vauban afgebroken in 1683, een periode waarin de Franse en de Spaanse legers elkaar herhaaldelijk bevochten om de macht over de regio.
De overblijvende delen van de vestingen werden grotendeels afgebroken of verwoest in de 18de eeuw en gedurende de beide wereldoorlogen.
Alleen de poorten en de Broeltorens bleven gespaard. Een aantal grachten werd ook gedempt.
Na deze woelige eeuwen volgde vanaf de 18
e
eeuw een periode van vrede en welvaart. Er kwam een betere wegeninfrastructuur en de kaaien langs de Leie werden uitgebouwd ten behoeve van het handelsverkeer. In de 18e eeuw wijzigde het stratenpatroon in de stad nauwelijks. De bevolking nam wel toe en daardoor werd het ruimteoverschot binnen de stad opgevuld en werd de wijk Overbeke verder bebouwd. Buda kreeg er op het eind van de 18e eeuw een groot aantal kleine nijverheidsgebouwen bij zoals zeepziederijen, brouwerijen en kalkovens. De huidige Budastraat en de Broelkaai werden bebouwd met fraaie burgerwoningen.
Aan het einde van de 18e eeuw werden de buitenwallen afgebroken. Buiten de stadskern ontstonden zogenaamde "voorgeborgten", kleine groepen van gebouwen net buiten de stadswallen langs de belangrijkste invalswegen.
De Doorniksepoort verdween samen met verschillende andere poorten waarschijnlijk omstreeks 1860.
(Bronvermelding: Voor de tekst over de binnenstad van Kortrijk hebben we ons gebaseerd op historisch onderzoek uitgevoerd door het Vlaams Agentschap Onroerend Erfgoed en Leiedal)