Brugge
 
Minnewater (1814)





Op deze tekening van Séraphin Vermote van 1814 zien we een gezicht vanop de oever van het Minnewater.

Centraal zien we de Poertoren. Rechts bemerken we de wieken van de stenen oliewindmolen van Jan Doude en links van de Minnewaterbrug zien we de heuvel met toegangsdeur van de zogenaamde ijskelder.

De heuvel situeert zich achter een kleine loods van een bleker. De huizen van de blekers van het Begijnhof zijn rechts zichtbaar.

Helemaal rechts is nog een deel van het Begijnhof te zien.

Op de voorgrond zien we blekers van de blekerij aan het Minnewater van Anthone Banckaert aan het werk.

De vrijstaande Poertoren werd gebouwd in 1397-1398 als onderdeel van een waterpoort.

In 1399 werd ook een stenen muur tussen het Minnewater en de Katelijnepoort opgetrokken.

In 1400-1401 werd nog een tweede toren gebouwd aan de oostzijde van het Minnewater. Die Oostpoertoren was enkele meters minder hoog en was niet rond maar met een vlakke zijde afgewerkt. Beide torens waren oorspronkelijk verbonden met een houten brug, die reeds in 1311 was gebouwd.

Enkel de Poertoren hiervan bestaat nog en wordt in documenten steeds de grote toren genoemd. In 1477 werd de westelijke toren, de Poertoren, omgevormd tot atelier en bergplaats voor buskruit (“poer”) van de stad.

De 18 meter hoge toren heeft een doorsnede van van 8 meter; de muren zijn ongeveer 1,3 meter dik.

In 1621 werd de oostelijke toren afgebroken. De stad paste de verdedigingsgordel aan aan de verdedigingsinzichten van die tijd in verband met de aanleg van bastions. Dit was immers de tijd van het algemene strijdgewoel in de vrijheidsstrijd van de Nederlanden tegen de Spaanse bezetting in de 80-jarige oorlog 1566-1648. De restanten van de toren werden omgevormd tot een bastion. De Poertoren aan de westkant bleef behouden.

Na de beëindiging van die oorlog met de Vrede van Munster was het bastion aan het Minnewater niet meer strikt nodig en bouwde men op de fundamenten ervan in 1665 een windmolen met een achtkantige houten bovenkruier om te vollen (voldermolen).

In 1720 werden de activiteiten van de molen gestaakt en in 1732 werd de molen gesloopt. De molenwal en fundamenten met kelder werden behouden om er rond 1750 een ijskelder in te richten.

De stenen Minnewaterbrug werd in 1739 gebouwd. De brug was aanvankelijk voorzien van een houten ophaalbrug in het midden om boten (zoals bijvoorbeeld de bargeboot) door te laten. De ophaalbrug werd in 1784 gesloopt en vervangen door een stenen boog. De aldus ontstane doorlopende stenen brug bestaat nu nog.

De ijskelder werd in de winter gevuld met ijsblokken die men onder meer hakte uit het Minnewater.

Vooral het Sint-Janshospitaal was een afnemer van het ijs voor hun medische activiteiten. Met het elimineren van de houten ophaalbrug van de Minnewaterbrug moest de bargeboot uitwijken naar een aanlegplaats aan de Gentpoort: het huidige bargegebouw.

De ijskelder werd nadien nog gebruikt als een bergplaats voor de stadshoveniers. Op heden vormt ze tevens een winterverblijf voor vleermuizen.

Deze nog bestaande ijskelder aan de Minnewaterbrug is dus een restant van de afgebroken westelijke toren.

Deze ijskelder vormde een ronde constructie afgedekt met een met aarde afgedekte koepelgewelf met centraal een vierkante opening.

Oorspronkelijk was er een halfbolvormige kelder. Deze werd later opgevuld. Er waren twee toegangen. Aan de noordzijde was er een rechthoekige deur bekroond met een driehoek en geflankeerd door twee driehoekige steunmuren. Recht daartegen over was er een tweede, nu dichtgemetste deur met daarin verluchtingsopeningen.

De torenvoet verkeert binnenin op heden nog in een goede staat. De keermuur en de volledige constructie lijden aan opstijgend en doorslaand vocht. De aard van de huidige constructie – bakstenen koepelgewelf onder aarde- hypothekeert het goede behoud en beheer van dit element.

De molen waarvan de wieken zichtbaar zijn op de tekening van Séraphin Vermote was de molen van Jan Doude. De molen werd ook soms de  "Kapitein van het Begijnhof" genoemd. Het betrof een stenen oliewindmolen die zich op een aarden bastion tussen de Minnewaterbrug en het sas "'t Speytje" bevond, op de Begijnenvest, tussen het Minnewater en de Boeveriepoort. Zijn benaming "Kapitein van het Begijnhof" verwijst naar zijn dominante ligging tegenover het nabije Begijnhof.

De molen dateerde van het jaar 1797. Aanvankelijk was het een oliewindmolen, later werd er ook graan gemalen. De molen mocht worden gebouwd op een stuk grond van de Stad Brugge. De molen veranderde enkele keren van eigenaar. 

In 1877 kocht de Stad Brugge de molen -die op grond van de Stad was gebouwd-  aan voor afbraak.

In 1878 volgde dan de afbraak in het kader van de herinrichting van de Begijnenvest.

Op de vroegere standplaats van de molen staat er sinds 1901 langs de Begijnenvest een borstbeeld van de Brugse beeldhouwer Hendrik Pickery. Hij was onder meer de maker van het Standbeeld van Jan van Eyck op het Jan van Eyckplein.

(Bronvermelding: Wikipedia; Erfgoedbrugge.be; Erfgoedforumbrugge.be; Brugge.be; Onroerenderfgoed.be)