Harelbeke
Banmolens
MENU
Terug naar HOMEPAGINA
Terug naar INHOUDSOPGAVE
Harelbeke : Banmolens
Ansichtkaart van
1960
versus Foto (Google Maps) van
2021
Op de foto zijn de zogenaamde "Banmolens" te zien in Harelbeke (provincie West-Vlaanderen).
De vroegst gekende vermelding ("in molendis apud Herlebecam") staat in een oorkonde van 1128. Daarin schenkt Clémence, gravin van Vlaanderen, aan de proosdij Sint-Amand te Kortrijk jaarlijks een mud graan afkomstig van de molens van Harelbeke. In 1198 stelde graaf Boudewijn XI van Vlaanderen een nieuwe verantwoordelijke aan voor de uitbating van zijn molens op de Leie. Ook het kapittel van de Sint-Salvatorskerk kreeg inkomsten van de molens.
De Harelbeekse watermolens waren banmolens. Al wie binnen deze "ban" woonde, was verplicht er zijn graan te laten malen. Deze "ban" was een cirkelvormig gebied, waarvan de straal de zogenaamde banmijl was (ruim 5 km).
De molens waren van strategisch en militair belang. Ze vielen wel eens ten prooi aan vernieling door vijandelijke troepen, zoals in 1382, na de Slag bij Westrozebeke, toen Franse troepen de molens en bijhorende sluizen totaal verwoestten. In 1387 was de westmolen terug in werking, terwijl van de tweede molen geen sprake meer was.
Veel klachten en rechtszaken zijn bekend tegen pachters die de molens toch draaiende hielden tijdens periodes van droogte. Schippers werden slachtoffer omdat de waterstand van de Leie zo laag kwam te staan dat veel schippers tussen Menen en Harelbeke vast kwamen te zitten in het bodemslib. Bovendien stroomden bij hoog waterpeil dorpen aan de oever onder water als de sluizen waren gesloten.
Om te vermijden dat pachters het waterpeil te veel in hun voordeel lieten spelen, werd een zomer- en winterpeil ingesteld, terwijl de raad van Vlaanderen en Keizer Karel een verplichting oplegden om bij bruggen en sluizen peilstenen aan te brengen. Dit was een direct gevolg van omstromingen in Wevelgem, Waasten en Halewijn in 1531.
In 1564 werd ook de tweede molen terug in bedrijf gesteld..
De molenaar regelde ook de doorvaart van de schepen aan de Leie en verzamelde de tol van doorgaande schepen. Zijn verantwoordelijkheid was van groot belang.
In 1611 werd de oostmolen nabij de sluis omgebouwd tot een volmolen. Het was toen de enige volmolen in de kasselrij Kortrijk.
De ban werd vermoedelijk in de 17e eeuw opgeheven. Vanaf de zeventiende eeuw zien we immers elders in Harelbeke windmolens opduiken, wat erop wijst dat de ban niet meer gold of aangepast was.
In de zeventiende en achttiende eeuw kregen de molens houten versterkingen en een wacht. De molens bleven immers strategisch belangrijk: vooral de sluizen erbij bepaalden het verloop van de Leie.
In 1798 werden de molens openbaar verkocht.
Tot het begin van de negentiende eeuw hadden ze het uitzicht van traditionele watermolens met hun typische waterraderen. Naast het malen van graan, dienden de molens ook voor het malen van schors (voor het leerlooien), het persen van olie en zelfs het vollen (of vilten) van stoffen.
Vanaf circa 1850 deed de industriële evolutie zijn intrede. De Leiearm werd overbrugd, zoals de sluitsteen met het jaartal ‘1849' nog steeds aanwijst. Het gebouw kreeg zijn huidig uitzicht met zes bouwlagen en 13 traveeën. In 1850 werd een eerste stoommachine geplaatst. De vierkanten schoorsteen die verbonden was met de machinekamer bestaat nog steeds.
Dit houdt niet in dat de waterkracht verlaten werd. In 1880 werden de waterraderen vervangen door waterturbines. Er bestaan plannen om opnieuw een turbine te plaatsen om milieuvriendelijke energie voor het gebouw op te wekken. De molens waren verschillende keren het slachtoffer van brand en kregen hun huidige uitzicht na een brand in 1886.
Tussen 1830 en 1850 kreeg het bedrijf een industrieel karakter. Er werd sucre à paille geproduceerd, een mengsel van stro en suiker voor paarden. In 1870 kwam een nieuwe stoommachine in de vierkante schoorsteen, die nu nog steeds bestaat. Het waterrad werd in 1880 door een waterturbine vervangen.
In 1864 werd door hetzelfde bedrijf, nu een industriële maalderij, een nieuw complex gebouwd, de Oostelijke watermolens of Nieuwe Molens genaamd.
Het bedrijf dat beide complexen bezat heette sinds 1880 de Maatschappij Vercruysse-Declercq-Vanneste, vanaf 1895: SA Les Frères Vercruysse en vanaf 1920: NV Watermolens. Ozonia, een merk van waspoeder werd rond 1930 geproduceerd door Boudewijn Steverlynck.
Na de Tweede Wereldoorlog vervaardigde Carpentier veevoeder en lijnolie.
De watermolens brandden in 1942 grotendeels af, vermoedelijk door zelfontbranding. Tijdens de stilval verplaatste de productie naar een maalderij in Gent. Kort nadien werden ze heropgebouwd met modere turbines.
Het bedrijf bleef moderniseren tot de stopzetting van activiteiten rond het jaar 2000.
Tot 2009 hebben de turbines nog dienst gedaan.
Van de historische watermolens zijn nog enkele natuurstenen muurresten overgebleven. Aan de oostgevel bevindt zich een merkwaardig Mariabeeld dat mogelijk 18e-eeuws is. De vierkante schoorsteen getuigt nog van het begin van het stoomtijdperk. Het grote industriële pand (nieuwe watermolens) was in werking tot vlak na de Tweede Wereldoorlog.
Daarna trad het verval in.
Lofting Group kocht de gebouwen op en renoveerde ze tot lofts. Naast de banmolens was er gedurende verschillende jaren een tearoom – genaamd “De Banmolens” - gevestigd.
(Bronvermelding: Wikipedia: https://nl.wikipedia.org/wiki/De_Banmolens (online) - geraadpleegd op 6 juli 2026 - CC BY-SA 4.0; de tekst is ook gebaseerd op info over de Banmolens in Molenechos.be)
Bekijk deze locatie in Google Street View