Brugge
 
Gruuthusehuis





Brugge : Gruuthusehuis


Ansichtkaart van 
1930  versus  Foto (Google Maps) van 2021




Op deze ansichtkaart van 1930 is het Gruuthusehuis te zien in Brugge (provincie West-Vlaanderen).

Het Gruuthusehuis, ook wel genoemd Huis van de Heren van Gruuthuse, Gruuthusepaleis of Gruuthusemuseum, bevond zich vroeger langs de Reie, een rivier die doorheen Brugge liep. Thans zijn er nog verschillende kleine kanaaltjes die men de “reien” noemt.

Het Gruuthusehuis is de voormalige patriciërswoning van de heren van Gruuthuse. Ze verwierven in de 14de eeuw het gruitrecht en hadden daardoor het monopolie op het verdelen van het gruit, een kruidenmengsel dat diende als basis voor het gruitbier.

Thans is het Gruuthusemuseum, een museum voor toegepaste kunst, in het gebouw ondergebracht.

Het gebouw heeft een kern die dateert uit de 15e eeuw en werd op het einde van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw grondig gerestaureerd.

Vermoedelijk reeds in de 13e eeuw werd een aanvang genomen met de bouw op deze plaats van een nieuw "gruuthuis".

Omstreeks 1425 bouwde Jan IV van der Aa, de eerste heer van Gruuthuse, de Reievleugel met de traptoren. Tegen de noordkant van deze vleugel werd iets later een bottelarij gebouwd. In de loop van de 15e eeuw bouwde Lodewijk van Gruuthuse, de zoon van Jan IV van der Aa de zuidvleugel. In 1472 werd een kapel gebouwd met een uitzicht op het koor van de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Ongeveer in dezelfde periode werd een gebouw geplaatst op een brug over de Reie. In 1479 werden aan de noordkant van de binnenplaats de galerij, stallingen en dienstruimten opgetrokken. Tegen het einde van de 15e eeuw werden er nog uitbreidingen toegevoegd aan de gebouwen.

In 1562 waren er 3 vleugels rond een binnenplaats, een brug over de Reie met aan de overkant een ommuurde lusttuin en op een hoek nog 2 diephuizen.

Vóór 1580 was het domein nog gesplitst in twee percelen ten oosten en westen van de Reie. Omstreeks 1596 raakte het huis van de heren van Gruuthuse in verval en werd het verkocht aan de Spaanse koning Filips IV.

In 1623 schonk de koning het goed aan Wenceslas Cobergher, stichter van de Bergen van Barmhartigheid. In 1628 werd de Berg van Barmhartigheid ingericht in het Gruuthusehuis.

Reeds in 1573 richtte het Brugse stadsbestuur een zogenaamde “Waerachtigen Bergh van Charitate” of 'tafel van gratuite leeninghe' op. Dit was een openbaar pandhuis. De instelling wijdde zich aan het geven van kleine sommen geld aan de mensen die in geldnood raakten. Aan de beter begoede stadsburgers werden milde giften gevraagd ter financiering van het project. Bij het aflossen van het geleende bedrag werden geen intresten geheven.

In 1628 kreeg deze instelling dus eigenlijk “concurrentie” van een Berg van Barmhartigheid die verschillende filialen oprichtte in een aantal steden. Deze instelling werd door de centrale overheid opgericht, onder impuls van de landvoogden, de aartshertogen Albrecht en Isabella. Het was de bedenker, hun raadsman Wenceslas Cobergher, die er de intendant-generaal van werd en die er meteen voor zorgde dat alle private pandhuizen voortaan verboden werden. Na enkele decennia evolueerde deze instelling, die altijd nogal hoge intresten aanrekende, tot een gewone instelling voor kredietverlening. De Brugse filiale nam zijn intrek in het leegstaande paleis van de heren van Gruuthuse. De Berg van Charitate bleef intussen verder bestaan, maar dan nog steeds meer als een soort liefdadigheidsinstelling.

Er gebeurden bij het Gruuthusehuis verbouwingen aan de straatvleugel. Er werd een westelijke vleugel bijgebouwd en het interieur werd gewijzigd. Omstreeks 1637 werden het oostelijk en westelijk deel opnieuw samengevoegd.

In 1662 kwam er een definitieve splitsing van beide percelen, het linker deel vanaf de brug werd verkocht aan Anthone Vander Zijpe die er het zogenaamde Arentshuis bouwde (pas tegen het einde van de 19e eeuw werd dit huis gekocht door Aquilin Arents de Beerteghem). Op het einde van de 18e eeuw werden nieuwe gebouwen opgetrokken en werden de gotische huizen op en naast de brug verbouwd. In 1873 wenste het Oudheidkundig Genootschap het gebouw in te richten als een bewaarplaats van de verzamelingen die zich dan in de Stadshallen bevinden. In 1875 werd de site aangekocht door de Stad Brugge. Van 1883 tot 1895 gebeurde er een ingrijpende restauratie. Er werden enkele gebouwen afgebroken. De traptoren aan het water werd herbouwd en een hoektorentjes aan de binnenplaats werd herbouwd.
In 1955 kwam de oudheidkundige verzameling in handen van de Stad Brugge. De site werd ingericht als een Stedelijk Museum voor Oudheidkunde en Kunstnijverheid. In 1993 werd nog een gevel gerestaureerd.

(Bronvermelding: Wikipedia; Onroerenderfgoed.be; Groeningemuseum)


Bekijk deze locatie in Google Street View